“Taalachterstand is een usual suspect”: een gesprek met Orhan Agirdag

26-09-2016 | Kif Kif

Een school heeft de verantwoordelijkheid om leerlingen te vormen. Tot iets anders dan wat ze zijn. Maar dat kan je enkel goed doen op het moment dat er ook aandacht is voor wat de leerlingen meenemen.

Het is veilig te stellen dat de omgang met onze superdiversiteit op dit ogenblik geen groot succes is. Zelfs na meerdere generaties Belgen met een migratieachtergrond, klagen mensen enerzijds omdat ze nog altijd gezien worden als buitenstaanders of zelfs indringers, en anderzijds verwachten mensen een totale assimilatie aan een pakket van ‘waarden en normen’ dat niemand kan opsommen, waar geen enkele ‘cultuur’ aan voldoet. Soms geeft het debat het gevoel dat we vooruitgang boeken, dat sommige stemmen worden gehoord, maar vaak is het andersom: het niveau van het debat blijft volgens velen alleen maar dalen.

In deze context kijken velen van ons naar ons onderwijssysteem. Soms achten we het onderwijs verantwoordelijk voor de problemen waar we vandaag mee worden geconfronteerd. Soms kijken we hoopvol naar de rol van ons onderwijs in de opbouw van een betere toekomst voor iedereen. Voor sommigen is het duidelijk dat ons onderwijssysteem moet evolueren. Anderen zien een hervorming niet zitten.

In zulke omstandigheden komt de steun van experten goed van pas. Orhan Agirdag (KU Leuven) doet als onderwijswetenschapper al jaren onderzoek rond onderwijs, ongelijkheid en de gevolgen daarvan. Een van zijn grote aandachtspunten is het valoriseren van de meertaligheid van kinderen met een migratieachtergrond.

Kif Kif: Begin dit jaar was er een veelbesproken poging tot onderwijshervorming. Heeft dat tot iets geleid?

Orhan Agirdag: De politieke meerderheid zorgde ervoor dat de status quo blijft. Als er wil zou zijn, zouden er een aantal veranderingen kunnen worden doorgevoerd, maar we blijven bij het idee dat een school meer ruimte krijgt om - als ze dat wil - een aantal veranderingen zelf door te voeren. Het blijft de vraag of die veranderingen grondig zouden kunnen zijn. Zowel het vrijblijvende karakter als de inhoudelijke leegte doen het debat stagneren.

Kif Kif: Een aantal scholen doen vanaf dit jaar mee aan een project om meertaligheid in te zetten als didactisch instrument. Daar pleit je al lang voor, niet?

Orhan Agirdag: Ik pleit al jaren voor meertaligheid in het onderwijs. Ik zeg ook dat kinderen niet gestraft hoeven worden omdat ze gebruik maken van hun thuistaal. Tien jaar geleden werd ik daardoor net niet gestenigd. Momenteel is er daar een groeiend draagvlak voor, maar we zijn nog lang niet waar we moeten zijn. Het CLIL (Content and Language Integrated Learning, een project waarbij een aantal vakken worden onderwezen in het Engels, het Duits of het Frans, en waar een zestigtal scholen aan meedoet sinds het begin van dit schooljaar, nvdr) is een heel positief project, maar het gaat alleszins niet over ‘gekleurde’ talen. De talen van de migratie - die veel leerlingen spreken - worden ook stiefmoederlijk behandeld. Het is een gemiste kans om dit project te beperken tot ‘statustalen’ en de ‘gekleurde’ talen niet onmiddellijk mee op te nemen.

Kif Kif: Waarom wordt dat onderscheid gemaakt?

Orhan Agirdag: Er wordt in ons algemeen omgaan met meertaligheid een onderscheid gemaakt tussen status en niet-status talen. De opening die wordt gemaakt naar Engels, Frans en Duits heeft niet te maken met of het onze landstalen zijn, bijvoorbeeld, want het Engels is dat niet. Het zijn ook niet de meest gesproken talen in ons land - de derde meest gesproken taal blijft het Turks. Het zijn ook niet de talen die ons meer economisch voordeel zouden opleveren: de meerwaarde van het Turks of het Arabisch wordt bij ons onderschat. Zeker ook als deel van het cultureel kapitaal van de leerlingen.

Kif Kif: Veel anderstalige/meertalige ouders staan voor de uitdaging om een andere taal mee te geven aan hun kinderen, zodat ze met (een deel van) hun familie kunnen communiceren. Dat is niet evident omdat het Nederlands de taal is van hun omgeving: van school, vrienden, broers en zussen, media en vaak ook een deel van hun familiekring. Toch gaan mensen er nog altijd van uit dat het spreken van een andere taal thuis in se betekent dat hun kennis van het Nederlands zwak zal zijn.

Orhan Agirdag: Mijn onderzoek (LINK) wijst uit dat dat zeker niet het geval is. Taalachterstand is een uitgangspunt dat sommigen nemen om ongelijkheid toe te schrijven aan kinderen en hun ouders: het zou hun schuld zijn. Bovendien is dat een ‘deficitverhaal’. Dat wil zeggen, een verhaal waarbij ongelijkheden gereduceerd worden tot vermeende tekorten van groepen. We hoeven die tekorten blijkbaar niet te bewijzen, we schrijven die gewoon aan leerlingen toe.

Taalachterstand is dan ook een mythe. Met ‘mythe’ bedoel ik niet dat die niet zou bestaan, noch dat ze niet reëel is. Daarmee bedoel ik: het is een usual suspect. Een tijdje geleden was er zo een incident (LINK) waarbij een leerlinge met een Marokkaanse familienaam iets moest voordragen voor de klas en ze had plankenkoorts: haar stem trilde, ze kwam niet uit haar woorden. De verklaring van de leerkracht was dat ze thuis niet voldoende Nederlands sprak. Terwijl ze thuis nooit een andere taal dan het Nederlands had gesproken. Uit ons onderzoek (LINK) blijkt dan ook dat de meeste onderwijzers taal zien als een ultieme verklaring voor ongelijkheid, hoewel dat dus vaak niet zo is.

Kif Kif: Hoe kunnen we deze situatie anders interpreteren?

Orhan Agirdag: Je kan ook zeggen, bijvoorbeeld, dat de school een taalachterstand heeft. Want hoe komt het dat de meertalige bagage van de kinderen niet wordt gevaloriseerd? Hoe komt het dat de kinderen die een taal meer kennen, de leerlingen zijn die gelabeld worden als leerlingen met een taalachterstand? Dat is hoe institutioneel privilege werkt. Je zorgt dat het cultureel kapitaal van bepaalde leerlingen gewaardeerd wordt, terwijl het cultureel kapitaal van andere leerlingen niet alleen niet gewaardeerd wordt, maar zelfs gedevalueerd wordt. Doordat je een taal meer spreekt, kom je in een benadeelde positie terecht. Je komt in een positie terecht van lagere verwachtingen.

Kif Kif: Heeft dat met de leerkracht zelf te maken?

Orhan Agridag: Neen. Ons onderwijssysteem, onze samenleving in zijn geheel kent een aantal instituties, wetten en regels die een aantal leerlingen institutioneel bevoordelen. Het is geen geval van ‘racisten’, maar van institutionele privileges die worden toegekend of niet toegekend.

Kif Kif: Is taalachterstand een selffulfilling prophecy?

Orhan Agirdag: Als men veronderstelt dat een kind een ‘taalachterstand’ heeft, zullen de verwachtingen lager liggen. Als de verwachtingen lager liggen, is er inderdaad een risico dat de ontwikkeling op termijn minder zal zijn. Dat blijk uit mijn onderzoek (LINK). Lagere verwachtingen hebben ook een negatieve impact op de eigen verwachtingen van kinderen. Dan wordt het pas triestig: kinderen die in heel mooi Nederlands uitleggen dat ze het in het onderwijs niet goed hebben gedaan omdat ze zogezegd slecht Nederlands spreken. Dat is hen aangeleerd geweest. Dat is meegegeven, via meerdere kanalen, waaronder ook het onderwijs. En wanneer je mensen overtuigt dat ze minder capabel zijn, hoef je hen niet eens te discrimineren, want ze zullen zichzelf uitschakelen. Hoewel dat niet zo hoeft te zijn. Integendeel.

Kif Kif: Speelt zelfvertrouwen een rol in de prestaties van jongeren?

Orhan Agirdag: Uit literatuur en onderzoek van collega’s weet ik dat algemeen zelfvertrouwen niet helpt om betere resultaten te halen, maar academisch zelfvertrouwen wel.

Kif Kif: Hoe schakelen we mechanismen uit die privileges toekennen aan sommige groepen en het academisch zelfvertrouwen van jongeren kunnen ondermijnen?

Orhan Agirdag: Een school heeft de verantwoordelijkheid om leerlingen te vormen. Tot iets anders dan wat ze zijn. Dat is wat een school doet. Maar dat kan je enkel goed doen op het moment dat er ook aandacht is voor wat de leerlingen meenemen. Aandacht voor wat de leerlingen weten en beheersen en dat naar een ander niveau te tillen. We moeten onze leraren opvoeden tot intercultureel sensitieve leerkrachten die de knowhow beheersen rond etnisch culturele diversiteit en goed kunnen toepassen in een klas. Dat ze geen ‘deficitdenken’ hanteren, dat ze geen kleurenblinde ideologie hanteren, dat ze multiculturalisme niet verwarren met essentialistische opvattingen over diversiteit. Daar kunnen we op inzetten.

Orhan Agirdag zal op 29.09 in gesprek gaan met Joël De Ceulaer in het kader van Dwarsdenkers @ ATLAS (http://oc.atlas-antwerpen.be/ddorhanagirdag). Hij zal een aantal mythes over het onderwijs en ongelijkheid onder de loep nemen.

http://kifkif.riffle.be/actua/%E2%80%9Ctaalachterstand-is-een-usual-suspect%E2%80%9D-een-gesprek-met-orhan-agirdag