Als we eens zouden zwaaien

10-09-2011 | Fikry El Azzouzi

Ik ben een wandelend cliché omdat ik al de zoveelste in rij ben die dit moet vertellen.


In de lagere school was ik een vreselijk onhandig jongetje, zo eentje met droevige ogen en pikzwarte haren.

De tranen in de ogen is door een aandoening. De onhandigheid bleek een kwaal te zijn waarmee ik heb leren leven en de haren, die zijn gebleven.

We zullen terug in de tijd gaan. Het was een gezellige witte school en samen met mijn beste vriend waren we de enige allochtonen in de klas. Twee slimme studenten, met resultaten ver boven het klasgemiddelde.

Al moet ik wel toegeven dat mijn vriend een tikkeltje beter was dan ik, maar wel een heel klein tikkeltje. De directeur van wie we ook les kregen, was iemand die de leerlingen nogal ijverig aaide. Niet dat wij het ooit opmerkten, zelfs in zijn strelingen discrimineerde hij. Waar ik hem toch voor wil bedanken.

Einde van het schooljaar, rapportuitreiking om te bespreken welke richting voor mij geschikt zou zijn.

Moeder en oudere zus gingen mee.

Je was niet alleen de directeur, maar ook de leraar en je zag in mij een gedreven stielman, schilder of metser. Je vond dat je met wat oefening van de grootste kluns een stielman kon maken. Die zijn altijd nodig, voor als ik weer naar huis ging. Met naar huis gaan bedoelde je het huis in Marokko, voor als we terugkeerden. Je bedoelde het vast goed, het is niet erg, racisme met goede bedoelingen is al tijden in.

Moeder en zus hadden geluisterd en hun besluit gemaakt. Ik moest TSO doen, voor ASO was ik te achterlijk.

Zorgvuldig met woorden zijn, was ook hun sterkste kant niet. Mijn beste vriend die hetzelfde verhaal te horen kreeg, luisterde niet en volgde wel ASO. Maar zoals ik eerder zei, hij was een tikkeltje slimmer.

Misschien had ik op mijn strepen moeten staan en assertief moeten zijn. Maar welke elfjarige is nu bezig met toekomstplannen.

Toen ik vijftien was kwam ik je tegen in de Colruyt of was het Aldi. Je gaf geen les meer, ook omdat de tijden van aaien voorbij waren. Je vroeg hoe het met mij ging. Leuk dat je mij herkende. Ik negeerde je en dacht aan de ellendige jaren die ik in het middelbaar onderwijs volgde. Jij raakte mijn schouder aan. Ik riep dat je van mij moest afblijven en dat je moest oprotten voor ik een pak chips naar je hoofd slingerde. Je staarde mij aan, schudde met je hoofd en nam met je winkelkarretje een maneuver richting kassa. Ik hoorde je nog binnensmonds mompelen: ‘Na alles wat ik voor jullie gedaan heb.’

Ik kon van mij afbijten, dat leer je wel op plaatsen waar je menig leerkracht een zenuwinzinking bezorgde door mijn legendarische onhandigheid.

Niet lang geleden had ik een mailconversatie met een gepensioneerde directrice. Ik vraag me nog altijd af hoe ze bij mij terecht kwam. Ze wou intelligente gesprekken voeren met allochtonen. Dat had ze nog nooit gedaan, enkel bezichtigd wanneer ze onderweg was naar Brussel. Volgens haar kwam ik in aanmerking voor een gesprek, niet dat ik me daarvoor geroepen of geschikt voel.

Ze was gefascineerd door allochtonen, zwaaide er zelfs naar wanneer ze in de bus zat. Soms zwaaide een allochtoon terug. Ze wilde ze beter leren kennen, daardoor was ze zelfs een boek aan het schrijven met de titel: ‘Als we eens zouden zwaaien.’

Ik hou de dingen meestal ernstig. Dus ik vroeg aan haar naar welke richtingen zij allochtonen stuurde.

‘Een moeilijke vraag,’ antwoordde ze, ‘jammer dat ik nooit allochtonen in mijn school had, ik zou ze vast kunnen helpen, maar ik zou het strategisch aanpakken en op lange termijn denken. De kans is klein dat ze hogere richtingen aan kunnen. Hun Nederlands is niet al te best. Vrouwen worden meestal huisvrouw. En mannen, met alle respect, die studeren niet, ze hangen alleen wat rond. Ik zou die hangers een vak laten studeren. Want wat als ze nu eens last van heimwee kregen en ze wilden terugkeren?’

Dit was dus het magisch plan van een gepensioneerde directrice die ervan hield om naar allochtonen zwaaien.

Voor ik haar tot spam klasseerde dacht ik aan mijn toenmalige directeur. Hij is eenzaam, zij is eenzaam en ze delen dezelfde ideeën. Misschien konden ze strategische plannen beramen of samen naar allochtonen zwaaien. Ze mocht haar boek niet vergeten, zeker nu ze een titel had. Misschien gingen ze wel trouwen en konden ze samen op missie. Zo zie je maar, ik ben niet de slechtste.

Soms vraag ik mij af hoeveel leerlingen onder hun niveau werden geplaatst omdat de ouders ervan uitgaan dat de leraar altijd gelijk heeft. Een leraar die nog steeds in stereotiepen gelooft. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat er elk jaar nog steeds tal van leerlingen naar foute richtingen worden gestuurd door zogezegd goede bedoelingen, maar wat gewoon ordinair racisme is.

Wie denkt dat ik een fictief verhaaltje heb geschreven, heeft het mis. Ik ben een wandelend cliché omdat ik al de zoveelste in rij ben die dit moet vertellen. Voor sommige lezers die al dan niet verontwaardigde oprispingen krijgen, de waarheid heeft ook haar rechten, want is er ooit al een degelijk onderzoek gebeurd naar de eindcijfers en de studierichtingen die allochtone studenten nemen?
 

http://www.kifkif.be/actua/als-we-eens-zouden-zwaaien