Cirque de la vie (literaire bijdrage)

11-09-2008 | Naima Albdiouni

Nimmer heb ik een zoete zin over jullie tongen zien rollen dat aan zijn adres bestemd was.

 

Pas toen zijn broer hem op de begrafenis van hun neef hem die eenvoudige vraag had gesteld, stond hij erbij stil dat zijn tijd misschien vroeger zou kunnen komen dan hij had gedacht. Als hij hem had gevraagd hoeveel een kilo suiker kostte of hoeveel geld hij nog moest terugbetalen aan zijn broers had hij er zonder enige moeite op kunnen antwoorden. Het had hem nooit echt wat uitgemaakt dat hij niet exact wist op welke dag van welke maand of welk jaar hij het levenslicht had gezien. Tot dan toe had hij gewoon nooit echt stilgestaan bij de hulpwerkwoorden zijn of hebben. Als hij Frans had gekend dan was hij letterlijk in het bezit geweest van die jaren. In zijn taal was hij die jaren, droeg hij ze met zich mee zonder er over te beschikken, was hij ze al zijnde. “Ik heb…ben…”, mijmerde hij voor zich uit terwijl hij van op het balkon aan de achterzijde van zijn huis dat niet helemaal van hem was naar de vijgenboom zat te turen. De schapen knabbelden aan de droge bladeren van de citroenstruik en leken zijn blikken doelbewust te negeren evenals de kippen die het rennen achter hun kuikens een aangenamer tijdverdrijf vonden dan het opkijken naar een man die weinig van hen verschilde.

Wat hij wel met zekerheid wist te stellen was dat de overleden neef niet veel scheelde in leeftijd. Als de tijd gekomen is om je je tijd (die je nooit echt hebt gehad) af te nemen, om op te eisen wat verspild is geweest door iemand die niet eens wist wat en hoelang hij al aan het verkwanselen was, dan kan geen geletterde of ongeletterde, berekenende of onberekenende man daar tegenop. Dus toen hij zijn neef met wie hij nooit echt een nauwe band had onderhouden, het bijltje had zien neerleggen, huilde hij niet, maar lachte wat ongemakkelijk: “Ach, de dood maakt geen onderscheid. Zie je wel dat iedereen op een dag zomaar stopt met ademen. En dat appartement aan het strand waar hij nauwelijks een jaar van genoten heeft… Zonde.” Dat laatste uitte hij niet zonder enige afgunst. Het stoorde hem meer en meer dat zijn vrienden en broers pas op latere leeftijd een buitenverblijfje of een appartement hadden gekocht. Zijn huis was een kwart eeuw geleden toen het net gebouwd en geschilderd was een pareltje om naar te kijken, een paradijs om in te wonen, een der pijnlijkste doorns in het oog van de buren die nog met tractors en krakkemikkige Mercedessen 240 de helling naar het dorpje opreden om zich een weg tussen het stof en het hooi te banen naar hun eenvoudige stulpjes.

Maar de tijd, die zich in geen enkele fles laat vangen en zich voor geen geld wilt prostitueren, blies met de vooruitgang al het stof weg en verving het hooi door bakstenen en cement. In het huis begon hij zijn gelijke te zien, zijn partner in crime die mee ten onder ging. Alle pijpleidingen en buizen waren verroest, stonden scheef, gingen gebukt onder het gewicht van de verloedering en het vocht dat langs alle muren naar boven kroop. De bedrading van de elektriciteit was in jaren niet meer bekeken geweest en liet het in sommige kamers afweten. Overdadig licht weerde hij als de pest, meubels verving hij niet, liet ze leven tot ze niet meer gebukt konden gaan onder zijn gewicht en letterlijk barstten van verrotting en ouderdom. Maar sinds de begrafenis van zijn neef had hij in de verkrotting van zijn woonst een prelude gezien van wat hem zou overkomen. Hij was er zeker van dat een der dagen de dood bij hem zou aankloppen omdat de bel het niet meer deed. Die bewustwording bezorgde hem hoofdpijn, liet hem een balans opmaken van wat hij was en was geweest, wat hij deed en had gedaan.

Dag en nacht brak hij zijn hoofd over de mogelijke scenario’s die zich zouden kunnen afspelen op de dag dat hij zich gewonnen zou geven. “Ik wil hem niet terwille staan, zo dociel en onvoorbereid als mijn neef het is geweest. Ik zal de balans doen overhellen naar een kant die niet helemaal negatief maar ook weer niet helemaal positief is”, fluisterde hij tegen de uitgemergelde poes die hij met zijn rechtervoet uit de weg schopte toen hij de tuin betrad die hij van zijn moeder had geërfd. “Het is niet eerlijk. Het leven is niet eerlijk tegen me geweest.”, zei hij tegen het schaap dat probeerde te grazen op de uitgedroogde grond. “Kijk, de tuinen van mijn broers zijn groter en vruchtbaarder dan de mijne. Het is niet eerlijk.” Met de broer die links van hem woonde en die min of meer een decennium ouder was dan hij, onderhield hij een band die vriendschap noch vijandschap genoemd kon worden. Met de broer die in het huis rechts van hem woonde, sprak hij al meer dan vijftien jaar niet meer.

Toen er op een dag bij hem ingebroken was geweest, hadden ze een futiel geschil tussen hen laten komen. Zijn vrouw die de zus was van de vrouw van zijn broer en die beiden nichten en neven van elkaar waren (inteelt was hen vreemd) had hij verboden nog langer daar over de vloer te komen. Als één front moesten ze een alliantie vormen tegen de vijand die er een ingebeelde was. Als de vrouw van de broer aan de rechterzijde de was aan het ophangen was in de voortuin gebood hij de zijne als een tirannieke schlemiel om zich schuil te houden achter de druivenstruik. “Je weet nooit wat ze ons zouden kunnen aandoen.” Hun beider kinderen kregen gegarandeerd een klinkende oorvijg toegediend wanneer ze het aandurfden een halve grijns te schenken aan hun neefje of nichtje waarmee ze jarenlang tikkertje en verstoppertje hadden gespeeld in de stallen op de wei en losse tractorbanden naar de expresweg beneden de helling rolden om het dan uit te gieren wanneer er een auto net niet botste tegen een vrachtwagen of personenwagen. Om een woord van spijt te betuigen waren ze beiden te koppig en te trots. Wat ze allebei niet wisten was dat de zussen mekaar reeds jaren stiekem ontmoetten op de markt en samen vele ochtenden in de sauna op de hoek hadden doorgebracht terwijl hun beider wederhelften nog in bed lagen te snurken. Tegen de tijd dat ze ontwaakten, stonden ze geurend naar douchegel en shampoo aan de ontbijttafel koffie te schenken en te roeren in de pot thee waarmee ze met een overdaad aan suikers en met dikke lagen boter besmeerde toastjes de trage dood hartelijk uitnodigden. Wat niet weet, niet deert moesten ze gedacht hebben. Met die doodsgedachte in het achterhoofd stond hij op, bracht hij de dag peinzend door, at hij zijn avondmaal met lange tanden, ging slapen en droomde tegen het einde van de nacht de vreemdste zaken.

Zo had hij een van zijn allerlaatste nachten in een levensechte droom zijn huis opengesteld voor een hele bende apen, olifanten, slangen, honden en koeien. De hele living geurde naar lamsgebraad en sperziebonen, naar kippenborsten en -billen, de champagne en Spaanse wijnen vloeiden rijkelijk, slaatjes in alle vormen en kleuren sierden de vele gedekte tafels waaraan de chimpansees en orang-oetangs, olifanten, cobra’s en ratelslangen, ratten en katten in drukke gesprekken verwikkeld waren en mekaar beleefd toeknikten bij iedere slok die ze namen. “Laten we toasten op het geluk dat onze gastheer mag overvallen!”, riep een der mensapen terwijl hij met zijn voeten op de tafel ging staan om de aandacht van de hele menigte op zich te vestigen. “Ja! Moge al het geluk van de wereld deze man die ons allen al dit moois heeft aangeboden hem overvallen als een baksteen!”, schreeuwde de kat die overdag al veel schoppen van hem had mogen incasseren. Zijn vrouw was niet opgezet met het vreemde volk dat over de vloer was gekomen en wilde het huis ontruimen door ze een voor een de deur te wijzen maar hij werd hysterisch en krijste met hoge noten dat ze hen moest laten begaan: “Ik heb wat goed te maken!! Laat ze hier! Ik heb wat goed te maken!!” Badend in het zweet werd hij wakker, schuifelde op blote voeten naar het balkon om een blik te werpen op de tuin. De kippen pikten maïs van de grond, renden hyperactief achter mekaar aan, de schapen stonden loom aan mekaars ani te snuffelen.

Er was letterlijk geen wolkje aan de lucht en de zachte bries kondigde een warme, droge lentedag aan. Met de dag zag hij zichzelf aftakelen en de verf op de muren in zijn kamers afbladderen en begon zich ernstig zorgen te maken over de droom die eerder een visioen had geleken dan een waarschuwing of betekenisloze hersenschim. Na lang beraadslagen met zijn vrouw besloot hij al zijn vrienden die geen vrienden meer waren en zijn broers die hem alleen nog maar tolereerden vanwege de bloedband uit te nodigen voor een dineetje bij hem thuis. Met kaarslicht en een voor weinig geld gehuurde mariachiband die de melancholische sfeer die zijn nakend overlijden ongetwijfeld met zich mee zou brengen zou inleiden. Hij klopte aan bij zijn beide broers. Degene die links van hem woonde was een weekhartig en vergevingsgezind man die liever in eenieder het goede zag dan het kwaad dat hem berokkend werd in zijn hart opkropte tot een bal waaruit gal spoot. De uitnodiging nam hij met alle plezier aan en beloofde een toetje mee te brengen maar hij zei wel dat hij wat later zou arriveren omdat hij het graf van zijn tragisch omgekomen vrouw wilde gaan bezoeken. “Wil je met me mee?”, vroeg hij hem aarzelend. “Ik zal binnenkort wel gaan”, zei hij met een geheimzinnige halve glimlach zonder eraan toe te voegen dat hij wellicht weldra naast haar zou gaan liggen. “Dat is dan afgesproken, broer. Leuk initiatief.

Dat zijn we van jou niet zozeer gewend. Zo hartelijk en vrijgevig als je je nu voordoet mag je voor mijn part tot in de eeuwigheid blijven.” Hij schrok bij deze woorden en maakte zich haastig uit de voeten om de anderen te inviteren voor zijn dineetje. Tot zijn grote verbazing aanvaardde de broer met wie hij reeds jaren in de clinch lag de uitnodiging. Zonder hun ruzie uit te praten, legden ze het bij met een schouderklopje. “Je weet nooit wanneer je tijd gekomen is, broer. Wat zegt dat over ons als mensen als we niet eens broederlijk naast elkaar kunnen leven?”, voegde de uitgenodigde broer toe aan het klopje dat hij net had mogen ontvangen. Hij wist dat het moment van de waarheid naderde. Het hulde zich eerst in talige vormen en zweefde op die manier zijn leven binnen om het hem even te ontnemen, dacht hij bij zichzelf. Niet zonder haast rende hij naar de hypermarkt enkele kilometers verderop om inkopen te doen voor het dineetje dat de balans zou moeten doen overhellen naar een evenwichtiger punt. Aan de kassa telde hij met een met speeksel natgemaakte vinger zijn bankbiljetten en betaalde de twee winkelkarren met een glimlach. Op de parking keek hij naar de betonnen grond waar nog niet zo lang geleden hij met zijn broers had gehuppeld en vallen had gezet voor muizen en katten die hij martelde tot ze een krijsende dood stierven. Hij zuchtte van heimwee: “Wat waren dat zalige tijden.” Een sentimentaliteit en een weemoed die hem wat vreemd waren, overvielen hem en hij pinkte een traan weg.
Geen van de gasten had zijn uitnodiging geweigerd. Een voor een schoven ze aan om plaats te nemen aan de vele tafels en lieten de rondcirculerende baadjes met rozenwater om hun handen te spoelen zich welgevallen. Voor één avond had hij kosten noch moeite gespaard.

Welgevormde serveersters brachten de vele schotels met wild en lamsgebraad aan, bedienden de boertige gasten die onophoudelijk boeren lieten op hun wenken, schonken vaselineglimlachen aan eenieder die erom smeekte, brachten nog meer aardappelen en kroketjes aan, openden flessen wijn en schonken glas na glas in de hele avond door. In zijn nopjes liet hij zijn blik dwalen over het tafereel en kwam tot het louterende besef dat zijn laatste avondmaal goed aan het verlopen was. Graag had hij het beweeglijke schouwspel vereeuwigd met een penseel en wat olieverf maar hij nam gewoon zijn digitale camera in de hand en trok foto's van de menigte die door de spontaneïteit van hun bewegingen en door de lichte roes van drank, sigaren en een overdaad aan gebraad beeldige beelden opleverden. Zijn oudere broer klom op een stoel en wankelde op een been onderwijl in zijn handen klappend om de aandacht van de vretende veelvraten op zich te vestigen: "Mensen! Mensen! Ik wens graag een toast uit te brengen op mijn broer. Kijk eens wat hij voor ons over heeft. Dit alles! Moge hij al wat zijn hart begeert ontvangen en een rustig leventje leiden. Alle rijkdom waarvan hij droomt, zal hij krijgen. En moge enkel deze avond herinnerd worden in de toekomst!"

De meeste gasten waren echter niet van zinnens hem meer toe te wensen dan ellende. Ondanks de alcohol en de sigarettenrook die ze hevig insnoven, ondanks de feestelijke maaltijd waren ze nog altijd niet vergeten wie hij was en wat hij hen had aangedaan. De broer met wie hij jarenlang een dispuut had gehad had de hele avond aan een hasjpijp gelurkt tussen de verschillende gangen door en voelde zijn tong loskomen. Ook hij zocht een verhoogje van waarop hij zijn sinds jaren voorbereide redevoering wenste te houden. Krabbend aan zijn kruis probeerde hij zich de volgorde te herinneren van de woorden die al die jaren in zijn hoofd hadden gewacht op le moment suprême. "Ik wil eerst dat jullie allemaal jullie glazen heffen. Indien ze niet gevuld zijn, laat ze dan weer bijvullen door de bevallige serveersters", ginnegapte hij  met een vette knipoog naar de knappe dames die hem verachtten maar zijn wenk met lange wimpers knipperend beantwoordden. Toen hij zag dat alle glazen gevuld waren stak hij geanimeerd van wal: "Mijn broer." En hij zweeg een minuut of twee. Net toen de menigte begon te denken dat hij het daarbij zou laten, vervolgde hij: "Mijn broer... De stilte die ik net heb laten vallen kan in geen geval vergeleken worden met de stilte die gedurende de voorbije zeventien jaar tussen ons heeft gegaapt. Jarenlang zwegen we in alle talen tegen elkaar, keken we steevast de andere kant uit wanneer we elkaar op straat of op café kruisten, negeerden we mekaar zoals alleen een blinde dat met een ziende kan. En toch, kijk eens aan: hier ben ik. Bij hem thuis. Van zijn wijn drinkend, van zijn brood happend. Hij nodigde mij uit en ik kwam. Hoe grootmoedig van me is dat? Hoe ootmoedig van hem is het dan? Want ik vergeet niet wat hij me heeft aangedaan. De idioot. Is het uit domheid of eenvoudigweg wanhoop dat hij mij en jullie heeft uitgenodigd? Ik heb jullie nochtans nooit in zijn bijzijn gezien. Nimmer heb ik een zoete zin over jullie tongen zien rollen dat aan zijn adres bestemd was. En toch zijn jullie hier. En toch ben ik hier. Ook al heeft hij me jarenlang, lang voor dit alles... Ik wist het. Dat hij haar langs alle kanten nam wanneer hij een gaatje zag... in mijn agenda en in haar. Maar ik zweeg en liet hem begaan. Want ik dacht dat met de leeftijd de wijsheid, de genegenheid zou komen van zijn kont en kant. Niet. Nooit. Nog steeds is hij een sukkelige hufter die enkel aan zichzelf denkt." De ontnuchterde massa keek hem met monden vol tanden aan. "Jullie moeten niet zo kijken. Het is niet meer dan mijn plicht, neen mijn recht, om hem te vervloeken, om hem de verdoemenis toe te wensen." Hij wendde zich tot zijn broer die met ongelovige ogen de hele toespraak had gevolgd: "Op dit allerlaatste avondmaal vervloek ik je, veroordeel ik je tot een harde dood die je weldra zal verrassen. Verdrinken zul je in het slijk der aarde. Happend naar lucht zul je kopje onder gaan, in het stof bijtend. Dat is wat ik je op deze bijzondere dag toewens." De mariachizangers streken niet geheel misplaatst een trieste noot op hun violen en zongen in koor: "Ik houd ervan wanneer je zwijgt omdat het dan lijkt alsof je afwezig bent,
en me van ver hoort, en mijn stem je niet raakt,
dan lijkt het wel alsof je ogen van je zijn weggevlogen,
en lijkt het alsof een kus je mond heeft gesnoerd." Het geheel begon meer op een klucht te lijken en hij wond zich op over de speech die zijn broer had gehouden. Meteen begon hij de gasten aan te porren om zich naar de voordeur te bewegen. "Weg! Allemaal uit mijn huis." Een van zijn vroegere schoolmakkers zei: "Alsof het zo denderend was. Ik heb al beter gedineerd." Een ander gniffelde: "En wat een krot van een huis is het geworden. Die meubels, die inrichting. En dan te bedenken dat ik ooit hem benijdde om dit bouwsel." Dit laatste kwam hem ter ore en hij riep nog harder: "Allemaal uit mijn huis!!!! Ondankbare varkens!!" De dag daarop stond hij op met een kater die hij uit zijn bed schopte. De kater miauwde klaaglijk en snelde de trappen af naar de achtertuin. De hele dag liep hij rond met een gezicht als een donderwolk. In de namiddag keerde hij terug naar de hypermarkt om inkopen in te doen. Thuisgekomen sloot hij zich op in de keuken en bereidde een feestmaal dat niet mocht onderdoen voor dat van de avond daarvoor. Zijn vrouw was met haar zus gaan shoppen in de stad en zou gaan dineren in een van de rustieke restaurantjes in de stad die haar voorkeur genoten. Toen de laatste schotel was gevuld met het lamsgebraad en de laatste kip was gebraden, liep hij naar de tuin en maande de schapen, kippen, katten en honden aan hem te volgen. Met stokslagen om hen in het gareel te houden, duwde hij hen in de richting van de trap om het huis te betreden. In de salon zette hij de schotels voor hen neer, gebood hen om plaats te nemen. Voor de kippen had hij broodkruimels gedrenkt in wat water. De honden beten hun tanden in de stukken vlees, lieten ze op de vloer vallen en sleurden die mee naar een hoek van de living. Zijn vrouw kwam binnen en zag hem glunderen. Toen ze zag wat een bende ze hadden gemaakt en de eerste schrik te boven was gekomen, riep ze uit: "Wat is hier in hemelsnaam aan de hand!!!!?? Wat... Wie...? Wat is dat hier???!!" Bijna viel ze flauw. "Ben je gék geworden? Ben je nu helemaal?!" "Wat moet ik anders doen?", schokschouderde hij en liep naar het balkon op de tweede verdieping. Hij keek neer op zijn tuin toen hij iets vreemds voelde. Een van zijn schapen was hem naar boven gevolgd en was zijn anus aan het besnuffelen.
 

http://jobs.kifkif.be/actua/cirque-de-la-vie-literaire-bijdrage