'Communicatie' en de multiculturele samenleving (2)

03-06-2010 | Ico Maly

Na de omstandige uitleg over de relatie tussen taal en de samenleving in de eerste aflevering van “‘Communicatie’ in de multiculturele samenleving” kunnen we overgaan naar de kern van deze bijdrage. Zoals reeds geduid kunnenlgemening twee grote kampen ontwaren in de discussie over de interculturele samenleving. En bij beide kampen staat communicatie "! centraal. Het ene kamp eist dan het recht op om de taboes te doen sneuvelen "!, het andere kamp roept op tot dialoog, we met een beetje veralgemening twee grote kampen ontwaren in de discussie over de interculturele samenleving. En bij beide kampen staat ‘communicatie’ centraal. Het ene kamp eist dan het recht op ‘om de taboes te doen sneuvelen’,tot communicatie. Hoewel dit op het eerste zicht tegenstrijdige posities lijken te zijn, delen ze enkele premissen. We duiden beide posities hieronder aan de hand van enkele concrete voorbeelden. het andere kamp roept op tot dialoog, tot communicatie. Hoewel dit op het eerste zicht tegenstrijdige posities lijken te zijn, delen ze enkele premissen. We duiden beide posities hieronder aan de hand van enkele concrete voorbeelden.

De taboes moeten sneuvelen
Het eerste kamp kunnen we categoriseren als ‘anti –intercultureel’ of ‘anti-islam’ in het bijzonder. Het is het kamp dat onder het mom van de ‘vrije meningsuiting’ het recht opeist om aan islambashing te doen. We denken dan niet alleen aan politici als Wilders, Dewinter en Dedecker maar ook aan publicisten als Benno Barnard, Geert van Istendael en Wim van Rooy, net zoals journalisten aan als Mia Doornaert en Joost Zwagerman. Opmerkelijk aan al deze stemmen, ondanks de verschillen tussen hen, is dat ze kunnen rekenen op een gigantisch platform in de mainstreammedia. Ze zijn er prominent aanwezig, maar paradoxaal genoeg gebruiken ze dit platform om uit te schreeuwen dat ‘hun vrije meningsuiting’ beperkt wordt door ‘de moslims’’. Deze moedige slachtoffers van ‘de islamisering’ huldigen zichzelf in het harnas van de nieuwe strijders van de verlichting. Ze strijden tegen wat zij ‘de islamisering’ van de samenleving noemen en voor ‘de verlichtingsidealen’. Ze doen dat door te communiceren op de belangrijkste fora van onze democratie: de media en het parlement.

Centraal in hun discours staat het verschil tussen ‘onze waarden en normen’ en ‘hun waarden en normen’. Deze twee pakketen  waarden en normen zouden onvermijdelijk leiden tot botsingen. Integratieproblemen zijn dan louter problemen van twee culturen die niet zouden matchen. ‘Wij’ zijn dan de emanatie van de mensenrechten en de democratie. ‘Zij’ bevinden zich nog in de donkere dagen van de geschiedenis en worden herleid tot een monolithisch bedreigend blok van moslimfundamentalisten die de sharia willen invoeren en onze samenlevingen islamiseren. In hun discours moeten die moslims stante pede ‘ingeburgerd worden’, ze moeten zijn en spreken zoals ‘ons’. Enkel dan bewijzen ze dat ze ‘goede moslims’ zijn, dat ze hier horen.Ayaan Hirsi Ali is hun voorbeeld van zo’n gematigde moslim, van iemand die doorheeft waar de klepel hangt. Dat is natuurlijk vreemd, want Hirsi Ali laat zelf geen gelegenheid voorbij gaan om te benadrukken dat zij geen moslim is, meer nog haar discours schildert de hele islam af als een monolithisch en antidemocratisch blok. Iedere moslim die het daar niet mee eens is, is dan ook een bedreiging, iemand die niet wil integreren ook al benadrukken ze hun engagement aan de democratie en de mensenrechten. Die moslims worden dan bestempeld als “schijngematigd”.

Men heeft daar sinds Wim van Rooy ook een leuk concept voor gevonden: Taqqiya (het zogezegde Koranische recht om te liegen tegen niet-moslims). Ook de schijnbaar gematigde moslims zijn dan in wezen weldegelijk fundamentalisten die het Westen haten, ze praten ons naar de mond en dat is hun koranische plicht. Dit discours sluit elke dialoog uit met moslims tenzij ze de islam afvallig zijn. Hier is dus geen roep naar dialoog te horen, maar een roep om een monoloog waarbij iedereen dezelfde stem moet laten horen. Dat discours is wijdverspreid in onze samenlevingen, je vindt het bijna dagelijks terug in je krant of op het scherm. Het is ook duidelijk (politieke) ‘communicatie’ die scoort vandaag de dag, net omdat het perfect inhaakt op de gangbare formatcultuur in de nieuwsproductie. Het is politiek-ideologische communicatie of misschien accurater propaganda, die in de laatste twee decennia een uiterst dominant kader bezorgt heeft om te spreken en te denken over de interculturele samenleving.

Het is vandaag ‘communicatie’ waar de media dol op zijn, het staat immers garant voor de nodige aandacht. Niet teveel moeilijke nuances en complexiteit, het is sensationeel en wordt makkelijk verpakt in de heersende formatcultuur. Het is dus een taal die de laatste jaren behoorlijk wat ‘waard’ is geworden. Waar dergelijke communicatie in de jaren ’90 nog vrij marginaal was en gelabeld werd als extreemrechts en racistisch, is het vandaag uiterst waardevol. Het levert stemmen op, het verkoopt boeken en doet de kijkcijfers de hoogte in gaan.

De interculturele dialoog
Het ‘andere kamp’ stelt niet zelden het concept van de interculturele dialoog hiertegenover.  We moeten dan het gesprek aangaan met ‘die ander’ in onze samenleving. Elkaar leren kennen staat dan centraal. De interculturele dialoog moet opgang getrokken worden om de kloof tussen ‘wij’ en ‘zij’ te dichten. Dialoog en communicatie worden dan de instrumenten om onze samenleving terug leefbaar te maken. Politici richten rondetafels op om de interculturele dialoog te stimuleren, er worden subsidies uitgereikt om BBQ’s te organiseren in de wijk en participatie wordt een sleutelterm in dit beleid. Iedereen moet dialogeren, iedereen moet participeren in de wijk, in de cultuurcentra, wijkraden, ...

Het is met andere woorden een dwingende uitnodiging. Die interculturele, interreligieuze dialoog gaat samen met slogans als ‘diversiteit is een verrijking’. Deze stemmen vinden de multiculturele samenleving een verrijking en ze schuiven tolerantie, respect en dialoog naar voor als de instrumenten om iedereen te overtuigen van de meerwaarde van de multiculturele samenleving. Als we elkaar maar kennen, begrijpen en respecteren dan zouden we met zijn allen inzien dat die multiculturele samenleving een verrijking is. Dit discours kende haar hoogdagen in de jaren negentig en begin van het nieuwe millennium. Vandaag zit het eerder in het verdomhoekje, het discours wordt gezien als de oorzaak van de multiculturele problemen door het andere kamp. Het is met andere woorden ‘communicatie’ dat in solden staat, het is niet bijzonder waardevol meer in het medialandschap. It’s so nineties.

Dit discours werd in stelling gebracht tegen de extreemrechtse retoriek, toch lijkt ook dit discours enkele kernpremissen van het extreemrechtse discours te bestendigen. Onderliggend aan het concept interculturele dialoog liggen vaak enkele zaken die mijn inziens problematisch (kunnen) zijn. Ten eerste is er natuurlijk het cultuurbegrip dat men hanteert bij het opzetten van die interculturele dialoog. Dat cultuurbegrip lijkt te vaak en helaas niet veel te verschillen van de dominante invulling die gegeven wordt aan cultuur. Cultuur staat dan voor een bevolkingsgroep die schijnbaar dezelfde waarden, normen en gebruiken zouden delen. Muntthee is dan Marokkaanse thee, zwarten kunnen goed dansen 'omdat het in hun bloed zit'... Nederlandse en Vlaamse Marokkanen zijn in die logica dragers van de Marokkaanse cultuur en niet van de Nederlandse of de Vlaamse cultuur. Ook al zijn ze hier geboren en hier opgegroeid. Zonder veel overdrijven kunnen we stellen dat deze invulling niet alleen hoogst onwetenschappelijk is, ze is ook uiterst gevaarlijk want ze sluit mensen op in hokjes. Hoewel men niet kan twijfelen aan de goeie bedoelingen in dit 'kamp' krijgt cultuur een betekenis die nagenoeg niet meer te onderscheiden is van het rassenbegrip. Immers men gaat in dit cultuurbegrip er impliciet van uit dat die cultuur blijkbaar biologisch gereproduceerd wordt. De deelnemers van die interculturele dialoog worden dan gebombardeerd tot vertegenwoordigers van hun groep, hun cultuur. Niet zelden wordt dan ook gesproken in zinnen als ‘bij ons is dat zo…’.

Op die manier belanden we voor dat we het weten terug in het bestendigen van het beeld dat ‘wij’ en ‘zij’ uiterst verschillend zijn. In tegenstelling tot het andere kamp, zien de vertegenwoordigers van de interculturele dialoog dit als een verrijking. Dat ‘zij’ hun cultuur hebben en ‘wij’ onze cultuur, wordt op deze manier verheven tot waarheid (met alle gevolgen voor degenen die afwijken van die norm). Terwijl in de realiteit deze categorieën niet afbakenbaar zijn, Bauman verwoordt het als volgt: “ ‘Cultuur’ gaat evenzeer over innovatie als over behoud; over discontinuïteit als over voortzetting; over vernieuwing als over traditie; evenzeer over routine als over het doorbreken van patronen; over het volgen van normen als het overstijgen van de norm; over het unieke als over het gewone; over verandering als over de monotomie van reproductie; over het onverwachte als het voorspelbare.” (1)

Een tweede probleem dat ik zie met dit discours is dat het propageren van de interculturele dialoog als instrument om samenlevingsproblemen te remediëren de realiteit van de interculturele samenleving uitgevlakt. Er lijkt geen sprake meer te zijn van ongelijkheid, van machtsonevenwichten in de samenleving maar ook de sociaaleconomische positie, de invloed van de soort migratie en andere sociologische feiten worden eigenlijk genegeerd door dit concept. De suggestie van de interculturele dialoog als oplossing voor allerhande samenlevingsproblemen is dan onvermijdelijk dezelfde als degene die het andere kamp zo prominent naar voorschuift: het is allemaal cultuur. Terwijl het ene kamp die culturele problemen wil bestrijden door die culturele verschillen uit te vlakken en zelfs te verbieden, houdt de andere een pleidooi om te dialogeren. De onderliggende premisse dat onze samenleving in culturele blokken zou op te delen zijn, wordt niet bestreden. Bovendien laat men ook de structuur van de samenleving buiten schot en daar lijkt mij de kern van het probleem te zitten. Dit wordt duidelijk als we twee casussen wat dieper belichten

Participatie en dialoog: waar zijn de moslims?
Zoomen we concreet in op deze oproep tot het participeren aan de interculturele dialoog dan zien we onder dat rooskleurig oppervlak van goede bedoeling  behoorlijk wat problemen. Om dit te illustreren haal ik twee voorbeelden aan uit de Vlaamse context: de concerten van 0110 en ‘de afwezigheid van allochtonen’ op deze dag tegen extreemrechts en voor tolerantie. De tweede casus is de oproep van schrijver Tom Naegels aan de moslims om meer te investeren in hun communicatie. Beide voorbeelden tonen enkele problematische aspecten van al die goedbedoelde oproepen tot dialoog en participatie. 0110: waar zaten de allochtonen?


De 0110 concerten die Tom Barman, de charismatische frontman van dEUS, organiseerde, zorgden voor enkele maanden uitgebreide media-aandacht in Vlaanderen. Er was de heisa die het Vlaams Belang maakte over de concerten, er kwamen verschillende interviews met de verschillende artiesten en organisatoren,… 0110 zette in de verschillende steden tolerantie op het voorplan en het moet gezegd worden, de concerten waren afgerekend aan het aantal bezoekers en de media-aandacht een gigantisch succes. De dag nadien volgde al snel de kater. In De Morgen van 12/10 staat op pagina 4 de vraag “0110: waar zaten de allochtonen” centraal en op dezelfde dag boog ook Terzake op Canvas zich over deze vraag.

Opvallend was dat dit een tendens heeft geschapen voor de jaren die volgden: bij de meest uiteenlopende thema’s wordt steevast de vraag gesteld: waar zijn de allochtonen. Die vraag is zelden een informatieve vraag, een vraag waar men een antwoord op zoekt. Nee, de vraag komt steeds met een nauwelijks verhuld beschuldigend ondertoontje. Iets in de trand van, we doen nu iets tegen racisme en voor ‘hen’ en nu zijn ze er niet. Is dat niet het zoveelste bewijs van hun gebrek aan integratie, weerklinkt dan steeds als een retorische vraag. Opvallend is echter, dat de primeur van deze tendens gepaard gaat met een foto van deze 0110-concerten waar zonder veel moeite te doen tientallen allochtonen te tellen zijn. Bovendien behoeft men echt geen zeer dure en tijdsrovende onderzoeksjournalistiek te bedrijven om te weten te komen dat een groot aantal allochtonen niet alleen bezoeker was van het evenement, maar er ook actief aan meewerkte om die dag te realiseren. En dan spreken we nog niet over de vele allochtonen die actief waren in de vele zaken rondom het terrein (2). Dan brengen we tevens nog niet in rekening dat de aangeboden muziek op deze festivals nu niet echt als multicultureel kan omschreven worden en dat de 0110 –concerten samenvielen met het Suikerfeest. Dat is dus een beetje alsof allochtonen allerhande Raï-groepen zouden programmeren voor een concert tegen racisme op kerstavond en dan uitschreeuwen: waar zaten die autochtonen? Bekijken we dit nu door het prisma van de interculturele dialoog en participatie, dan merken we verschillende zaken.

Ten eerste is duidelijk dat participatie afhangt van je eigen voorkeur. We kunnen niet verwachten dat iedereen over de culturele codes, de culturele taal beschikt om een opera te appreciëren zolang deze competenties ongelijk verdeeld zijn. We worden allen opgevoed in een bepaalde omgeving waar bepaalde culturele praktijken normaal zijn en andere niet. Participatie zal dus sowieso afhankelijk zijn van de aangeleerde voorkeuren. Op een rai-avond zul je bitter weinig autochtonen aantreffen, net zoals je in de opera bitter weinig laaggeschoolden zal mogen verwelkomen. We kunnen dat betreuren, maar het antwoord is niet: geef de mensen die niet participeren de schuld. We komen dan onvermijdelijk bij de structuur van onze samenleving en van de verschillende instellingen terecht. Bovendien merken we dat ‘de allochtonen’ weldegelijk aanwezig waren (ondanks allerlei drempels) maar dat dit gewoonweg niet gezien werd door onze media. Ook al laten allochtonen hun stem weerklinken, ze worden zelden gehoord. Dat is blijkbaar de les die we hieruit leren. Een les die trouwens keer op keer herhaald wordt in het licht van aanslagen. Na de moord op Theo van Gogh bijvoorbeeld hebben ongeveer alle allochtone middenveldorganisaties en bekende allochtonen deze gruwelijke moord luidkeels veroordeeld. Ze verstuurden persberichten en posten artikels om hun websites, toch slaagde onder andere Siegfried Bracke (VRT) erin om te vragen waarom we de gematigde moslims niet horen, waarom ze die daden niet afkeuren en waarom ze geen grote betogingen organiseren. Dat was lang niet de eerste keer, het is een constante sinds 9/11.

Lessen in communicatie en marketing

Tom Naegels, schrijver van de multiculturele roman LOS en columnist bij De Standaard, schreef in 2005 een column “integratiemarketing”. Met lede ogen had hij aangezien dat de berichtgeving over het offerfeest de dominante beeldvorming bevestigde: “het Offerfeest, zoals getoond in alle grote media, bevestigde het beeld van moslims als wrede, bloeddorstige mensen.” (3) Hij vroeg zich vervolgens twee zaken af, een is dit de schuld van de media ("voor een deel wel") en twee, hoe kan het beter. Als antwoord op deze laatste vraag houdt hij een onverkort pleidooi voor integratiemarketing: “Maar die organisaties die gezien worden als 'vertegenwoordigers van de gemeenschap' zouden er eens over kunnen denken om echt goeie spindoctors, marketeers en communicatie-experts in te huren. Niet als knieval voor het racisme, maar als zelfbewuste promotie. Het gaat de islamofobie niet van vandaag op morgen uit de wereld helpen, maar heeft het zin om, zoals nu, mokkend en mopperend thuis te zitten wachten tot dat als vanzelf gebeurt?” (4) Zijn pleidooi lijkt op het eerste zicht hout te snijden. Als communicatie in de media verantwoordelijk is voor de slechte beeldvorming, dan kunnen allochtonen die veranderen door gerichte en professionele communicatie. Toch worden er enkele zaken over het hoofd gezien.

1. Dergelijke communicatie is zoals reeds aangestipt uiterst dure communicatie. Lang niet iedereen of iedere organisatie kan het permitteren om een communicatiedeskundige in te huren. De prijzen variëren immers tussen de 500 euro tot enkele duizenden euro’s per dag voor een dergelijke training. Het is dus een training die de ongelijkheid in de samenleving niet alleen bestendigt maar ook verder doet toenemen. De meeste (allochtone) middenveldsorganisaties kunnen dergelijke vormingen gewoonweg niet betalen. Bovendien is zo’n ondersteuning erop gericht om ‘te scoren’ met je boodschap. Meer nog, dat scoren is niet zelden belangrijker dan de boodschap. Ik heb het ‘voorrecht’ gehad om al meerdere van die trainingen te genieten en telkens heb ik het niet kunnen laten om daar de advocaat van de duivel te spelen. Meestal vraag ik het volgde: ik zou graag de boodschap verkondigen in de media, dat de huidige werking van de media onze democratie ondermijnt. Tot nu heb ik nog geen enkele van die communicatiedeskundigen weten ingaan op mijn vraag: ze stellen allen dat dit geen goede boodschap is: lees geen goed verkopende boodschap is. En zo zijn er tal van boodschappen die niet ‘te communiceren’ vallen.
 
2. Zo komen we bij mijn tweede punt, een punt dat ook Tom Naegels niet helemaal ontgaan is: “Ik weet dat moslims niet dol zijn op integratiemarketing. De meesten die ik ken hangen de lijn aan dat ze niks fout doen, en dat ze dus ook niet de hele tijd moeten komen tonen hoe lief en ongevaarlijk ze wel zijn. Ze vinden het vernederend, een knieval voor het racisme.”   Hij voegt er nog aan toe dat hij het kan begrijpen. Maar zegt hij, er is niets vernederend aan investeren in ‘communicatie’: alle grote bedrijven en politieke partijen doen het, dus waarom de moslims niet? Er zijn hier twee redenen voor De eerste is reeds aangehaald door Naegels zelf: namelijk dat deze vraag, “waarom veroordelen moslims niet en masse en zeer duidelijk zichtbaar in de media of in de straten deze wandaden niet” natuurlijk vertrekt van een twijfelachtige premisse: namelijk dat alle moslims deze daden zouden steunen als ze er zich niet publiekelijk van distantiëren. Het is trouwens een oproep die je enkel maar hoort als het over moslims gaat. Er wordt in de media nooit gevraagd waarom de katholieken zich niet openlijk distantiëren van de pedofilie in de kerk, net zoals je de oproep niet hoort als in de VS terug een anti-abortusgroep een abortuskliniek bestormt of zelfs aanslagen pleegt enz enz. Bovendien hebben moslims al lang geleerd dat ze dit moeten doen, en kwijten ze zich sinds jaren plichtsgetrouw van de hun opgelegde taak, alleen lijkt dat niet veel te veranderen. Er wordt nog altijd gesteld dat ‘we ze niet horen’. Maar er is meer, het niet willen meedoen aan integratiemarketing heeft ook te maken met het basale feit dat het een illusie is dat de moslims in Vlaanderen slechts een gedeelde boodschap hebben. ‘De moslims’ zijn niet te vergelijken met Coca Cola of een politieke partij. ‘De moslims’ zijn even heterogeen samengesteld als ‘de Vlamingen’ of de ‘Belgen’. Bovendien is er dan nog het feit dat het zich beroepen op communicatiedeskundigen er ook voor zorgt dat je onderwerpt aan de opgelegde formatering en verkleutering.  Je moet je met andere woorden aanpassen aan de 12 seconden regel, slechts een duidelijke, goed verkopende boodschap brengen met liefst zo weinig moeilijke woorden. Dat dit natuurlijk zeer vergaande consequenties heeft op je boodschap, op wat je kan ‘communiceren’ en wat je niet kan communiceren, staat buiten kijf. Hier komen we straks nog op.

3. Een derde probleem met dit pleidooi vinden we in het impliciet uitgangspunt dat moslims nu niet goed communiceren.  Nochtans zijn er weldegelijk allochtonen/moslims en organisaties die weldegelijk het woord voeren in onze media. Het zijn er nog altijd te weinig, maar ze zijn er wel. We hebben het dan over mensen als Tarik Fraihi, Dyab Abou JahJah, Nadia Fadil, Sami Zemni, Naïma Charkaoui, … Nemen we Dyab Abou Jahjah als voorbeeld, dan kunnen we niet anders dan vaststellen dat hij weldegelijk zeer sterk ‘communiceerde’: zijn boodschap was scherp, bondig, sensationeel en hij vertolkte een boodschap die leefde onder zijn achterban. Volgens alle criteria een ‘goede communicator’ dus. Zo goed dat die andere ‘goede communicator’, Filip Dewinter het niet haalde in een debat met hem en prompt opstond en de televisiestudio’s verliet. Toch was JahJah al snel het voorwerp van een heuse demonisatiecampagne dat eindigde met een premier die opriep om desnoods de wet te veranderen om hem achter tralies te krijgen. Wat is hier aan de hand. Waarom heeft deze goede communicator niet geleid tot een afname van islamofobie, maar misschien net integendeel tot een toename van islamofobie? Wat Naegels niet lijkt op te merken is dat de betekenis van woorden niet inherent is aan het woord zelf, maar dat die betekenis toegekend wordt door de luisteraars. Of anders gezegd, betekenisconstructie is een dialogisch proces. Blommaert stelt het als volgt:”Value, meaning, and function are a matter of uptake, they have to be granted by others on the basis of the prevailing orders of indexicality, and increasingly also on the basis of their real or potential ‘market value’ as a cultural commodity.” (5)

Het volstaat dus niet om ‘goed te communiceren’,  de luisteraars moeten bereid zijn om de betekenis van de woorden te onderschrijven. Vandaag is het als moslim bijna onmogelijk om controle te hebben over je communicatie, want zelfs als je ‘gematigd’ bent, is de kans toch nog groot dat je gezien wordt als een salafi of fundi die aan taqiya doet. De marktwaarde van een intercultureel en democratisch discours uitgesproken door een moslim is behoorlijk laag in het Vlaamse gemediatiseerd debat. Is het omdat je in zijn taal hoorde dat hij geen native speaker was? Of was het een gevolg van het feit dat hij geen autochtone Belg was? Of, en dat lijkt me aannemelijker, had men net een probleem met zijn inhoudelijke boodschap. Ik denk dat het mengeling is van alle voorgaande, maar vooral die laatste reden lijkt me doorslaggevend: het racisme in Vlaanderen, van Vlamingen aankaarten is het werkelijke taboe. Dat is een van die boodschappen die je niet verkocht krijgt. En daar ligt een van de kernproblemen, niet alle boodschappen vallen te communiceren in de hypercompetitieve ruimte van onze media.

4. En zo komen we bij een vierde probleem bij deze oproep om massaal aan ‘integratiemarketing’ te doen: marketing speelt in op bestaande overtuigingen. De boodschap moet inhaken op de leefwereld van tante Jeanne, zo leert men ‘communicatie’ aan. Met die marketing bestendig je dus best reeds bestaande denkbeelden. Het is al een veel complexere oefening om tegen deze tendensen in te gaan want dan scoor je maar zelden. Meestappen in integratiemarketing zorgt er dus bijna onvermijdelijk voor dat scoren op de eerste plaats komt te staan, terwijl de boodschap naar de achtergrond verdwijnt. De kans is uiterst reëel dat je je zaak weinig vooruit helpt hiermee en dat je dus voor een groot stuk meesurft op de door de media gecreëerde stem van de publieke opinie. Dat is natuurlijk een probleem, als je net die opinie en het aandeel van de media in de constructie van deze stem op de korrel wil nemen. Met deze boodschap scoor je niet bij tante Jeanne. Bovendien stel je ook de formatering van het maatschappelijk debat niet aan de kaak, maar bestendig je net die formatering. Dat laatste lijkt me een van de kernargumenten tegen integratiemarketing te zijn.

5. Mijn vijfde punt zit al verweven in alle voorgaande punten en is zo cruciaal dat het nog eens expliciet mag gemaakt worden. De integratiemarketing legt zich onvermijdelijk neer bij de huidige werking van onze mainstreammedia. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van deze media wordt niet in vraag gesteld. Nochtans is dat een uiterst belangrijke kwestie, het zijn immers de media die bepalen wie wel in beeld komt en wie niet, welke boodschap nieuwswaardig is en welke beter niet gehoord wordt. Hierin meegaan is eigenlijk onbegrijpelijk als men als doelstelling heeft de realiteit te veranderen. In plaats van het structurele probleem aan te pakken, moeten individuen zich organiseren, een boodschap uitdenken, peperdure communicatiedeskundigen onder de arm nemen om te communiceren zoals de media het graag hoort. De verantwoordelijkheid wordt (voor de zoveelste maal) bij ‘de allochtoon’  en ‘de moslim’ in het bijzonder gelegd. Dat is uiterst problematisch daar onze media vandaag zowel de inhoud als de architectuur van ons maatschappelijk debat uittekenen. En daar zijn behoorlijk wat zaken aan op te merken, en trouwens niet uitsluitend in het licht van de interculturele samenleving. Net daar moet aan gesleuteld worden, immers een van de grote problemen in het gemediatiseerd debat is het gebrek aan ruimte om de complexiteit van de samenleving te duiden in het spervuur van oneliners en bitse commentaren. Die verkleining van het perspectief in dat debat zorgt voor een stijging van het aantal stereotypen en een uitermate culturaliserend discours dat nagenoeg ongenaakbaar is. Het is immers een discours dat perfect inhaakt om die dominante formatcultuur. Een van de problemen is dus, dat de voorwaarden voor een deftig debat en een deftige beeldvorming niet aanwezig is. Dat is dus een prioritair strijdpunt van vele allochtonen, een strijdpunt dat integratiemarketing als onverkoopbaar aan de kant schuift.

6. Een laatste puntje dat ik hierover wil meegeven is het feit dat men er van uit gaat dat die negatieve beeldvorming ligt aan ‘hun communicatie’. Men gaat er dus vanuit dat het niets te maken heeft met de machtsverhoudingen in de samenleving, de sociaalculturele en economische positie van allochtonen, met hun opleidingsniveau en misschien nog belangrijker: met hoe wij kijken naar hen? Met het feit dat ‘wij’ de macht in handen hebben om zowel het beeld over onszelf te creëren als het beeld over ‘de moslim’, maar dat die moslims slechts een zeer beperkte macht hebben om zichzelf te definiëren. Dit alles los je niet op door ‘te communiceren’, je lost het pas op door ongelijkheid aan te pakken.

En waar blijven de allochtone journalisten, mediamakers, bedrijfsleiders, …

In dit licht is het verbazend dat we de vraag “waar zaten de allochtonen” wel te horen krijgen als het over “hun participatie” gaat in theater, op de 0110 –concerten, bbq’s enz., maar dat die vraag zelden tot nooit opduikt als we nadenken over bijzonder lage aantal allochtone journalisten, mediamakers, bedrijfsleiders, politici, … daar vindt men het blijkbaar normaal dat er weinig allochtonen zijn (“ze zijn er niet” weerklinkt dan niet zelden). En als er dan toch eens over nagedacht wordt, komt men al snel bij de klassieke oneliner in deze: “we vinden ze niet”. Nochtans zijn ze er wel, ze solliciteren massaal voor de betalende stages binnen de VRT, ze vinden hun plaats bij Kif Kif, bij De Wereld Morgen, bij Stampmedia…

Ze zijn er dus wel, maar ze worden zelden gezien en vaak nog minder op hun kwaliteiten beoordeeld. Het feit dat men zo lichtzinnig over de vraag gaat waar die allochtone prominenten zijn, toont de werkelijke malaise van vandaag: we stellen onszelf zelden in vraag. De roep om de taboes te doorbreken weerklinkt dan wel luid, het gaat altijd over ‘hun taboes’, nooit over ‘onze taboes’. Meer nog, het feit dat allochtonen zelden tot op de hoogste niveaus geraken in onze samenleving lijkt helemaal geen issue te zijn. De structuur van onze samenleving wordt maar zelden bevraagd in de media, men communiceert liever ‘over de taboes’ die bij hen moeten sneuvelen. Racisme lijkt een uiterst marginaal fenomeen als we de mediawereld als de echte wereld zouden beschouwen. De sociaaleconomische ongelijkheid tussen allochtonen en autochtonen haalt soms het nieuws, maar dat lijkt geen impact te hebben op allerlei commentaren en analyses van sociale gebeurtenissen in onze multiculturele samenleving. Het zorgt er niet voor dat we sommige stemmen gewoonweg als ‘zeveraars’ boekstaven en hun discours laten voor wat het is.

Integendeel, de cijfers zijn uiterst duidelijk: zowel de armoedecijfers als de werkloosheidscijfers bij allochtonen zijn ronduit dramatisch. En toch blijft het discours over hun culturele achterlijkheid als dé verklaring voor de meest uiteenlopende zaken de boventoon voeren. Meer nog, allochtonen komen zelden zelf aan het woord in deze analyses, ze zijn gewoonweg geen communicatiepartner. En als ze dan toch een stem krijgen in het maatschappelijk debat worden ze niet gezien als autoriteiten of deskundigen, maar als betrokken partij: ervaringsdeskundigen. Ze kiezen ervoor om zichzelf te verdedigen. Als moslims terrorisme afdoen als tegen ‘de islam’, wordt dat niet gezien als een afkeuring van terrorisme, maar als een afschermen van de islam. Hun communicatie krijgt dus behoorlijk minder waarde toegekend, ze wordt eenvoudig weg niet geloofd.  Het probleem is dus als volgt: allochtonen bevinden zich proportioneel meer in de lage regionen van de samenleving. Ze verdienen doorgaans minder dan autochtonen en zitten vaker in de werkloosheid. Allochtonen stromen veel te weinig door naar de universiteiten. De hooggeschoolde allochtonen vinden bovendien veel minder snel een job op hun niveau dan hun autochtone collega’s. Bovendien hebben vooral de moslims het zwaar te verduren de laatste decennia. Ze zijn het onderwerp van een hevig maatschappelijk debat die ‘hun cultuur’ als uiterst problematisch omschrijft.

Zelf hebben ze in dit maatschappelijk debat bitter weinig in de pap te brokken. Al deze zaken zijn geen problemen eigen aan hen, aan ‘hun cultuur’ en wie ‘ze zijn’, maar zijn structurele problemen eigen aan de structuur van onze samenleving, de sociologische realiteit van de migratie, de economische situatie van ons land, …. En net door hun positie in de samenleving hebben ze bijzonder weinig impact op die structuur. Ze moeten er zich naar schikken en hun strijd om rechtvaardigheid wordt ontkent en gezien als arrogant. Maar ze moeten wel participeren, ze moeten aanwezig op 0110, ze moeten communiceren in de media, ze moeten zich distantiëren van geweld in naam van hun religie, ze moeten onze taal spreken, ze moeten hun religieuze symbolen thuislaten, ze moeten … De structuur van onze samenleving staat echter zelden ter discussie, terwijl dat natuurlijk de kern van het probleem is. De beeldvorming over ‘hen’ is uiteindelijk een gevolg van die ongelijkheid en je kan die ongelijkheid niet ‘wegcommuniceren’.

Als je die ongelijkheid en de negatieve beeldvorming wil aanpakken, dan heb je structurele maatregelen nodig. En die zijn eigenlijk weinig verschillend met de maatregelen die we genomen hebben in de laatste 5 decennia om de gelijkheid tussen man en vrouw dichterbij te krijgen, de maatregelen die we in jaren 60 uitdachten om arbeiderskinderen naar de universiteit te krijgen. Het zijn structurele maatregelen op politiek, economisch en sociaal vlak. We moeten ervoor zorgen dat allochtonen beter opgeleid geraken, beter doorstromen naar  universiteiten en hogescholen. We moeten het racisme in onze samenleving daadkrachtig bestrijden. We moeten de verstikkende norm van Algemeen Nederlands in vraag durven stellen. We moeten de huidige werking van onze mainstreammedia op de korrel nemen en daar terug ruimte maken voor een diepgaand debat. Enzoverder. Dat zijn natuurlijk allemaal veel complexere oefeningen dan ‘de moslims’ viseren, ze verplichten onze waarden en normen te leren en aan te hangen en luidkeels te roepen dat hun cultuur niet compatibel is met onze waarden. Deze maatregelen vergen moed net omdat ze ingaan tegen de gangbare consensus.

Gemediatiseerde communicatie, de samenleving en ongelijkheid
Conclusie van dit alles: er bestaat niet zoiets als een machtsvrije dialoog. Elke dialoog is een gesprek tussen mensen die een verschillende posities bekleden in de samenleving, minder of meer elementen ter beschikking hebben om hun punt te maken. En minder of meer geloofwaardigheid worden toegedicht door de lezers. De werkelijke inzet is dus niet het ‘goed doen communiceren’ van ‘de moslimgemeenschap’ door het inhuren van communicatiedeskundigen. Het gaat niet zozeer om het oplossen van een communicatieprobleem, maar net om de randvoorwaarden te creëren zodat deze dialoog mogelijk is, dat ook ‘hun communicatie’ mag circuleren en ook gehoord wordt. Dat doen we niet door hun op inburgeringscursus te sturen en hen een communicatiebureau aan te smeren. Het betekent wel dat we structurele maatregelen moeten nemen om de ongelijkheid in de samenleving aan te pakken. En dat is geen zaak van ‘communicatie’ maar van daadkracht, van doen en tegen de huidige stroom in te gaan.

Communicatie is geen oplossing voor zeer reële, vooral materiële en structurele problemen  in onze samenleving.  Kortom willen we sleutelen aan de beeldvorming, dan moeten we niet massaal gaan inzetten op communicatietrainingen voor iedereen die niet goed in beeld komt. We moeten dan wel inzetten op twee elementen. Ten eerste moeten we ervoor zorgen dat die benadeelde groepen zelf de instrumenten in handen krijgen om hun beeldvorming mee te bepalen. Dat betekent dat we moeten sleutelen aan de ongelijkheid in de samenleving in het algemeen en in de media in het bijzonder. Eenmaal de ongelijkheid verdwijnt, zullen ook meer allochtonen in het nieuws komen als expert, politicus of bedrijfsleider in plaats van dader of ervaringsdeskundige in het ‘allochtoon-zijn’.

Het tweede punt zou eigenlijk vanzelfsprekend te zijn, en dat punt gaat over de meest invloedrijke actor van beeldvorming in onze samenleving: namelijk de media. Ook journalisten zijn zich vaak bewust van die impact van de media, maar dat lijkt dan vooral pro forma te zijn. Want niet zelden ontslaan ze die media van hun verantwoordelijkheid in die beeldvorming door te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van de partij die het slachtoffer is van die beeldvorming. Nochtans is het van cruciaal belang te onderstrepen dat de media en de journalisten in het bijzonder weldegelijk een verantwoordelijkheid dragen in deze.  Het behoort tot de verantwoordelijkheid van het journalistieke metier om gedegen journalistiek te bedrijven en dus ook de allochtonen correct in beeld te brengen. 
 

Bronnen:(1) BAUMAN (Z.). Culture as Praxis. London, Sage, 1999.
(2) Indymedia, [0110] Waar waren de allochtonen: http://www.indymedia.be/?q=node/4577
(3) NAEGELS (T.). Spijkerschrift: Integratiemarketing. In De Standaard, 29 januari 2005.
(3) NAEGELS (T.). Spijkerschrift: Integratiemarketing. In De Standaard, 29 januari 2005.
(4) NAEGELS (T.). Spijkerschrift: Integratiemarketing. In De Standaard, 29 januari 2005.
(5) BLOMMAERT (J.). Discourse. A critical introduction. Cambrige: Cambridge University Press, 2005.

http://www.kifkif.be/actua/communicatie-en-de-multiculturele-samenleving-2