De dwingelandij van een verkeerd begrepen laïcisme

14-04-2011 | Eric Hulsens

In het debat over hoofddoeken en niqabs wordt nogal gemakkelijk verwezen naar de Franse laïcité, die model zou staan voor een scheiding van kerk en staat waar wij allemaal behoefte aan hebben, en die zou impliceren dat je religieuze klederdrachten moet tegenwerken of verbieden, en waar moslims zouden tegen zijn. Klopt dat verhaal? Het loont de moeite om eens een specimen van die theorie kritisch te onderzoeken.

Geert van Istendael heeft een slechte nasmaak overgehouden aan zijn katholieke opvoeding, zo blijkt uit zijn essay Het masker van de dwang, De hoofddoekenkwestie, bekeken door de bril van een ex-gelovige (in Johan Sanctorum (red.), De islam in Europa: dialoog of clash?,  Van Halewyck, Leuven 2008). ‘Het was een gesloten, benauwende, dwingende kring. (…) Het opmerkelijke is dat ik pas achteraf, toen ik de kring verbrak, toen ik met andere woorden mijn geloof verzaakte, bij machte was om in te zien hoe strak mijn omgeving benauwde en dwong.

Zolang ik binnen de heilige kring bleef, dácht ik dat ik vrij was. Ik was het tegendeel van vrij. Ik zat stevig ingesnoerd in het verstikkende keurslijf van een sombere leer die zichzelf als heilsleer verkocht, maar ik kon de snoeren en de boeien niet zien – ik wilde ze vooral niet zien. Had iemand me erop gewezen, ik zou die bevrijdende boodschap verontwaardigd van de hand hebben gewezen. Woedend zelfs.’ (p. 46)

Vanuit die ervaring bekijkt hij de hoofddoek van moslima’s: ‘Als ik dus jonge islamitische vrouwen hoor zeggen dat ze in volle vrijheid ervoor kiezen om de sluier te dragen, dan weet ik niet of ik in vreugdeloos geschater moet uitbarsten dan wel het vergrijsde hoofd moet schudden. Mijn god, ik herken het zo goed. Dat stijfkoppige ontkennen van de dwang. Die tomeloze verontwaardiging als iemand anders de dwang pijnlijk nauwkeurig aanwijst en zichtbaar maakt. Die illusie van vrijheid. Dat zelfbedrog. Dat door en door vals bewustzijn.’ (p. 47-48).

Gedwongen emancipatie

Logisch lopen we hier vast. Als iemand zegt: ik kies in alle vrijheid voor het dragen van de hoofddoek, dan is het antwoord: dat zegt u omdat u niet ziet welke dwang er op u wordt uitgeoefend, want anders zou u tegen de hoofddoek zijn. Die logica is heel dwingend: wat de betrokkene ook zegt, zij moet altijd terechtkomen bij de conclusie: eigenlijk wil ik geen hoofddoek.

De idee van menselijke vrijheid is hiermee opgegeven. Die logica is eigenlijk pure dwingelandij. Maar, zo blijkt, daar is Van Istendael juist tegen: ‘De dwingelandij mag niet terugkomen. Nooit. Ze is terug, de dwingelandij. Ik zie ze dagelijks op straat, in de metro, in winkels – maar nu van een andere godsdienst.’ (p. 48) De ex-katholiek ziet in de islam alleen maar dwingelandij, en plaatst daartegenover zijn eigen ‘emancipatorische’ dwingelandij.

Een even fundamenteel probleem doet zich voor bij het achterlaten van een ideologie. Van Istendael beschrijft uitstekend hoe vanzelfsprekend en onaantastbaar de christelijke wereld van zijn jeugd voor hem geweest is. Als hij er uitgestapt is, verwerpt hij die totaal. Maar wat garandeert dat het nieuwe standpunt niet evenzeer verblinding en verdwazing blijkt, als je ook dat zou verlaten en van buitenaf bekijken? Als ik het zo van buitenaf bekijk, heb ik de indruk dat Van Istendael het ene ‘verstikkende keurslijf’ ingeruild heeft voor een ander, en weer niet merkt waar hij in zit.

De denkstructuren waarmee Van Istendael werkt, blijven dezelfde. In zijn jeugd zette hij zich af  tegen de slechte katholieken en de vrijzinnigen: ‘Er bestonden natuurlijk mensen die alleen met Pasen te communie gingen. Meelijwekkend volk! (…) Hing om de aansprekers die een vrijmetselaar in ongewijde grond begroeven, niet een zweem van zwaveldamp?’ (p. 47) Maar nu hij vrijzinnig is, nemen de moslims (en de ‘progressief-linksen’ die begrip hebben voor moslims) de plaats in van de vroegere onaanvaardbare buitenstaanders: ‘mensen (…) die uit een of andere religieuze overtuiging werkelijk anders denken (…) en ook navenant zullen handelen. Woedend. Dictatoriaal. Als het moet moorddadig.’ (p. 50) Van Istendaels standpunten zijn op rijpere leeftijd nog altijd  rigide, net als in zijn jeugd, maar nu in omgekeerde richting: ‘Ik wil geen religieuze onderwerping meer accepteren, zelfs niet ter grootte van een hoofddoek.’ (p. 58)

Dat laatste wordt theologisch gemotiveerd: ‘Wat me in dit hele debat hindert, is dat mensen die zichzelf progressief noemen (…) niet eens weten dat het centrale woord in het christendom “verlossing” is en dat de vertaling van het woord islam “overgave”, “onderwerping” is.’ (p. 58) Hier wordt de superioriteit van het christendom boven de islam geponeerd. De bedoeling van de vergelijking zelf is al dubieus, maar ook de benadering.

Je zou immers godsdiensten in hun totaliteit moeten bekijken, en niet een punt er uitlichten en daarop een oordeel baseren. Bovendien klopt het niet. Het christendom berust net zo goed op overgave en onderwerping als de islam: het bidt tot God met de woorden ‘Uw wil geschiede!’ Heeft Van Istendael wel goed opgelet in de mis?

Republikeinse striktheid

‘Ik ben zeer gehecht aan het Franse idee van laïcité’, zegt Van Istendael. (p.55)  Jammer voor hem, maar hét Franse idee van laïcité bestaat helemaal niet. Er bestaan allerlei ideeën, en die vullen elkaar aan of vechten met elkaar. Het is dus nodig eens preciezer te kijken hoe hij laïcité invult.

‘De Franse republiek nam in 2004 een wet aan die het dragen van hoofddoeken in openbare gebouwen beperkt. In openbare scholen is de hoofddoek zelfs helemaal verboden. De Franse republiek heeft voor één keer de republikeinse beginselen en waarden ernstig genomen en werkelijk, met rigueur républicaine, toegepast.’  Voor die beginselen verwijst Van Istendael naar een beroemde wet: ‘Toen in 1905 de loi Combes werd aangenomen, de wet die in Frankrijk werkelijk de kerk scheidde van de staat en die de grondslag heeft gevormd van de Franse laïcité, werd polaire kilte gemeten van Marseille tot Valenciennes, maar dan wel door thermometers die geijkt waren naar aartsconservatieve katholieke maatstaven.’ (p. 51)

Hier moet historisch een en ander worden rechtgezet. De loi Combes is helemaal niet de wet van 1905 over de scheiding van kerk en staat, maar ging daaraan vooraf. Het is de wet van 7 juli 1904 die de religieuze congregaties verbood nog langer onderwijs te verstrekken. Dat was een frontale aanval op de Katholieke Kerk en met name op haar machtsbasis, het onderwijs. Émile Combes is de man van het ‘virulente anticlericalisme’, zijn politiek was een ‘politique de guerre’. (Zie b.v. Jean Baubérot, Laïcité 1905-2005, Entre passion et raison, Seuil, Parijs 2004, blz. 96-97 – de formulering ‘oorlogspolitiek’ is van de historicus G. Merle. Ik ontleen in wat volgt historische gegevens aan dit boek van Baubérot, een eminent specialist op dit gebied.)

Combes zorgde in november 1904 nog voor een wetsvoorstel voor de scheiding van kerk en staat met een scherp anticlericale stootrichting. Het bevatte onder meer het verbod op ceremonies, processies en andere religieuze manifestaties op de openbare weg. Ook werd het de kerk onmogelijk gemaakt zich hiërarchisch te structureren over heel Frankrijk. Dat zou worden verhinderd door het opleggen van een departementele organisatie.

 

Pacificatie

Maar dit agressieve voorstel werd onderuitgehaald doordat Combes in januari 1905 ontslag moest nemen door een schandaal dat typerend is voor de tijd. Er kwam aan het licht (en in de pers) dat het leger steekkaarten bijhield over de levensbeschouwelijke overtuiging van de officieren. Katholieken werden afgeremd in hun carrière, vrijzinnigen konden hogerop.

De wet van 1905 over de scheiding van kerk en staat is niet geïnspireerd door het militante anticlericalisme van Combes, maar gaat daar juist tegenin. Aristide Briant, spilfiguur bij het totstandkomen van de wet, zei in de Kamer op 6 april 1905: ‘Ik verafschuw de godsdienstoorlog.

Het welslagen van mijn ideeën, het uitvoeren ervan, hangt te zeer af van de pacificatie van de geesten opdat ik niet zou wensen dat de Kerk zich zou schikken in het nieuwe regime. (…) Er zijn katholieken die dit ontwerp bekeken hebben en die niet geaarzeld hebben te erkennen dat de Kerk morgen zal kunnen leven en zich ontwikkelen zoals gisteren.’ (Geciteerd in a.w. p. 97)

Het is merkwaardig dat Van Istendael stelt dat de Franse wet tegen de hoofddoeken van 2004 (eindelijk) een strikte toepassing is van de republikeinse beginselen, en daarvoor verwijst naar de wet van 1905. Deze wet is immers een wet van verzoening, gebaseerd op compromissen.

De wet verkondigt krachtig de scheiding van kerk en staat, om vervolgens onder meer te bepalen dat de staat aalmoezeniers in gevangenissen kan betalen, en gebouwen ter beschikking kan stellen voor de eredienst. De Katholieke Kerk kreeg via deze wet ook een autonomie die ze sinds het Ancien Régime niet meer had bezeten.

Breuk

In het republikeinse regime dat gegrondvest werd op de wet van 1905 zetelden er priesters in soutane in het parlement, en zaten er leerlingen met keppeltjes of tulband in de klassen van het staatsonderwijs. De vestimentaire onverdraagzaamheid van de hoofddoekwet van 2004 was een breuk daarmee, het was een islamofobe vernieuwing, die indruiste tegen een traditie van tolerantie, die mogelijk was omdat de neutraliteit van de staat was vastgelegd en geaccepteerd. 

De neutraliteit tegenover de erediensten die door de wet van 1905 garandeerd werd, is aan het eroderen: ‘sinds een tiental jaren is de toepassing van de wet van 1905 soms muggezifterig, soms meer dan dat,  en in elk geval strijdig met de geest van de wet. Die toepassing heeft trouwens de ongelijkheid tussen de erediensten versterkt, want het katholicisme heeft van een specifiek regime kunnen genieten, met name als gevolg van een akkoord met de Heilige Stoel op het einde van 2001, onder de regering Jospin’. (Jean Baubérot, La laïcité expliquée à M. Sarkozy… et à ceux qui écrivent ses discours, Albin Michel, Parijs 2008, p. 199-200)

Met Sarkozy kreeg de état laïc die Frankrijk officieel heet te zijn sinds de Constitutie van 1946, een president-pastoor die het in openbare toespraken had over de christelijke wortels van Frankrijk en over een transcendente God die in de gedachten en het hart van elk mens is. (Zie b.v. a.w. p. 28, 31) Dit is een ideologische staatsgreep die helemaal indruist tegen de filosofie van de wet van 1905.

Die is immers gebaseerd op een principieel agnosticisme van de staat. Die erkent geen enkele godsdienst (culte, eredienst), maar laat iedereen vrij een godsdienst te hebben, of niet. De staat kiest ook niet voor vrijzinnigheid, en dient niet om het ‘religieuze obscurantisme’ te bestrijden, zoals sommigen gewild hadden. Hij is ook tegenover de vrijzinnigheid neutraal. Terwijl tegenwoordig hoofddoekjes van leerlingen in staatsscholen geacht worden de neutraliteit van de staat te schenden, gebeurt dat in werkelijkheid grootschalig door het staatshoofd, in het voordeel van het christendom, vooral het katholicisme. Zelfs de atheïsten worden geannexeerd als theïsten-diep-vanbinnen.

Maar Van Istendael, die de Franse laïcité(s) niet kent en niet begrijpt en alles verwart en er daardoor desinformatie over verspreidt, heeft geen oog voor de onverkwikkelijke ontwikkelingen die Frankrijk doormaakt. In de plaats daarvan gaat hij breed in op het conservatisme van de Katholieke Kerk, dat hij doet afstralen op de islam. ‘Ook voor Rome was de scheiding van kerk en staat tot niet eens zo heel erg lang geleden totaal onaanvaardbaar. In 1864 (…) veroordeelde paus Pius IX in de Syllabus Erorum tachtig hoofdzakelijk moderne, liberale stellingen, volgens hem stuk voor stuk dwalingen.

De linkse, progressieve, zachtmoedige verdedigers van de hoofddoek zouden zich niet eens kunnen voorstellen dat het tot voor kort ketterijen waren. De 55ste dwaling bijvoorbeeld luidt: “Ecclesia a statu statusque ab Ecclesia seiungendus est,” dit wil zeggen, de kerk moet van de staat en de staat van de kerk worden gescheiden. Het heeft héél lang geduurd eer die satanische ketterij, tenminste in de praktijk, niet meer werd veroordeeld door de roomse kerk. Vandaag zijn er tientallen miljoenen islamieten die de scheiding van kerk en staat niet dulden. Tientallen miljoenen islamieten onderwerpen zich dus aan het gezag van een dode paus. Welnu, ik vind niet dat we de grond waar tolerantie bloeien kan, moeten prijsgeven.’ (Van Istendael a.w. blz. 56-57)

Hier zou je natuurlijk kunnen opmerken dat de Roomse Kerk op minder dan een eeuw heeft leren leven met de scheiding van kerk en staat, en er zelfs de voordelen van ontdekt heeft. Dat is toch een goed resultaat? Als de Katholieke Kerk dat kon, waarom zouden dan islamitische gemeenschappen zich niet kunnen integreren in een laïcistische staatsordening? Die hebben er des te minder problemen mee omdat ze (afgezien van de sjiitische minderheid) geen kerkachtige organisatie hebben – het klopt dus niet dat ze tegen de scheiding van kerk en staat zijn.

En ook omdat in de islamitische traditie na de Profeet de politieke leiders geen sacrale macht hadden: ‘Heel de geschiedenis van de islamitische wereld toont dat de macht in feite seculier was en nooit gesacraliseerd.’ (Olivier Roy, La laïcité face à l’islam, Hachette Littératures, Parijs 2009, (eerste druk 2005) p. 107.)

Maar er is meer aan de hand met de tekst van Van Istendael. Hij werpt zich op als de verdediger van de tolerantie, en die verdediging bestaat uit intolerantie tegenover de islam, bijvoorbeeld tegenover de hoofddoek. Tolerantie en intolerantie worden hier gewoon verwisseld.

Gefantaseerde rigueur

Het is nuttig eens terug te kijken naar de Franse discussies over de scheiding van kerk en staat en de wet van 1905 waar Van Istendael zich op beroept. Op 26 juni van dat jaar bespreken de volksvertegenwoordigers een amendement op het ontwerp van die wet.

De radicaal-socialist Chabert stelt voor de soutane, het lange zwarte priesterkleed, te verbieden in het openbaar: ‘De bedienaars van de verschillende erediensten zullen geen kerkelijk kostuum mogen dragen tenzij tijdens de uitoefening van hun functies.’

De argumenten die Chabert aanvoert,  herinneren meermaals aan die tegen de hoofddoek vandaag: ‘Mijne heren, het kostuum maakt de priester niet enkel tot een gevangene van zijn bisschop: het maakt hem ook de gevangene van zijn lange klerikale opleiding, de gevangene van zijn bekrompen milieu, de gevangene van zijn eigen onwetendheid, ik zou bijna zeggen van zijn eigen dwaasheid. (…) neem hem zijn kleed af! (…) Zo zult u hem een grote stap vooruit doen zetten, zo zult u zijn hersens bevrijden. Het is niet, ik herhaal het, als tiran dat ik spreek, maar als een man die bezorgd is om de vrijheid en de menselijke waardigheid.’

Minister Martin repliceert: ‘In een wet over de scheiding [van kerk en staat] moeten we geen kostuum verbieden of voorschrijven. Ik voeg eraan toe dat het verbod van de heer Chabert zou kunnen opgevat worden als een extreme striktheid [rigueur], een extreme striktheid die nutteloos is, en kan benut worden tegen de scheiding zelf.’ (Citaten uit:43e séance du 26 juin 1905)

Het amendement werd met een grote meerderheid weggestemd. De vestimentaire rigueur républicaine waar Van Istendael mee argumenteert, vond in de wet van 1905 geen plaats en behoort niet tot ‘het Franse idee van laïcité’  waar hij zich op beroept.

Voorpublicatie uit: Eric Hulsens, Onder islamofoben, verschijnt najaar 2011   

http://www.kifkif.be/actua/de-dwingelandij-van-een-verkeerd-begrepen-laicisme