De Ontmoeting

17-02-2012 | O.

Misschien dacht hij dat ik niet echt een boek wilde kopen maar slechte bedoelingen had, wie weet? Xenofobie is een vreemde pathologie.

Ik moest een cadeau vinden voor een vriendin. Voor een Spaanstalige vriendin, voor haar verjaardag. En ik dacht aan een boek. Ik ging naar de FNAC en na een ronde door andere afdelingen ging ik naar het ongemakkelijke hoekje waar de Spaanstalige boeken staan. Geïsoleerd staat daar een kleine boekenkast, half zo groot als ik, dicht bij een muur, met voldoende ruimte om te passeren, maar niet genoeg om rustig te buigen en de namen te lezen.

En dan was er nog een man. De man, een ‘jonge zestiger’, zat op een klein stoeltje tussen de kast en de muur. Hij gaf een rommelige indruk. Hij had te veel bij: een rugzak, een veel te dikke jas, een dik boek (en ik bedoel even dik als ‘Congo’ van David Van Reybroeck, maar dan in het rood) en dan nog een veel te relaxte houding. Hij nam veel te veel plaats in, daar, geleund tegen de muur.

Toen ik duidelijk maakte dat ik tussen de boeken wilde kijken, ging hij plots veel compacter zitten. Een correctere houding, zijn rugzak dichter bij zich. "Bedankt" - zei ik. Hij zei niks.

Ik begon naar de boeken te kijken. Er was een boek van Vargas Llosa met een mooi kaft. Er waren nieuwe verzamelingen van teksten van Bolaños (alsof hij meer geschreven heeft sinds zijn dood) en van uit mijn ooghoek kon ik zien dat de man nog meer plaats voor mij probeerde te maken door zijn rugzak dichter bij hem te trekken. "Het is OK, hoor" - zei ik met een glimlach. Hij zei niks. Ik kon zien dat hij iets in zijn oor had en ik bedacht me dat hij misschien doof kon zijn.

Ik zat op de vloer en had al een paar boeken op mijn benen uitgestald maar ik bleef zoeken. De man trok zijn rugzak nog eens dichter bij hem en ik zei: "dat is echt niet nodig, mijnheer, ik zit hier goed". Hij antwoordde nog niks. Ik keek naar hem en na een korte stilte zei ik: "tenzij U schrik hebt, natuurlijk".

"Ja" - zei hij. Ik moet toegeven dat ik dat niet had verwacht, maar zijn reactie was zo kalm dat ik ook kalm bleef. Ik bleef een boek doorbladeren en keek af en toe naar hem.

- Hoe komt dat? - vroeg ik.
- Vooroordelen, denk ik - zei hij.
- Dat is heel jammer - zei ik, ik vond het eerlijk gezegd heel spijtig.

Hij bleef even stil. Hij deed zijn rode boek dicht en bleef praten: "ik heb al een paar keer slechte ervaringen gehad en tegenwoordig, als ik iemand zie die er Marokkaans uit ziet, ben ik wat voorzichtiger".

- Ik heb ook slechte dingen meegemaakt met oervlaamse Vlamingen, maar als ik me daardoor afsluit voor alle Vlamingen… dan komt het niet meer goed, hé.

Dat zei ik en hij luisterde naar mij. Hij keek afwisselend naar mijn ogen, mijn mond en de boeken voor ons. En het tapijt ook, af en toe.

- En je bent waarschijnlijk zelfs geen Marokkaan - zei hij.
- Dat doet er niet toe.
- Da's waar.

De toon van onze conversatie bleef kalm. "Sorry, hoor" zei hij en hij meende dat. Ik zei dan dat ik het beter vond dat hij dat had gezegd dan, zoals de meeste mensen die aan xenofobie lijden, stil was gebleven, of had gelogen en gezegd dat er niks aan de hand was. "Als je dat zegt kunnen we tenminste daarover praten, dat is al iets".

"Sorry, hoor" - zei hij nogmaals. Ik had geen zin meer om een boek te kiezen. Ik zette alle boeken op zijn plaats en zei dat ik verder moest. Misschien dacht hij dat ik niet echt een boek wilde kopen maar slechte bedoelingen had, wie weet? Xenofobie is een vreemde pathologie.

Ik verliet dat ongemakkelijk hoekje bijna opgelucht. Maar een paar meter verder had ik ineens het gevoel dat iedereen naar me keek. En ik vroeg me af hoeveel van de mensen rondom mij ook schrik hadden. Hoeveel onder hen haten mij alleen omdat ik er "Marokkaans uit zie"?

Aan de roltrap vroeg ik me af wat het punt is van integratie. Waarom zou een mens moeite doen om de taal te leren en de "inheemse cultuur" aan te nemen, als hij of zij toch beoordeeld zal worden op basis van huidskleur en niet door de inhoud van diens karakter, zoals Luther King dat ooit zo mooi gezegd heeft.

En mijn antwoord was heel simpel: eerst en vooral, voor jezelf. Om sterker te worden. Om te lachen met een grap. Om te weten wanneer je moet vechten. Om te genieten van een toneelstuk. Om de kwetsbaarheid af te vegen. Omdat taal en cultuur een vehikel zijn voor ideeën. Jouw ideeën en die van de anderen. Maar in ieder geval niet om te voldoen aan de eisen van derden. Want de mensen die de integratie aan hun taal en cultuur als voorwaarde stellen om in het land aanvaard te worden gaan heel waarschijnlijk nooit beseffen of je die moeite sowieso deed.

Zulke mensen zijn een verzuurde en bange minderheid. Maar er lopen veel andere mensen rond in het land. En die nemen wel de tijd om voorbij jouw huidskleur en geloof te kijken. En ze luisteren met geduld naar wat je te vertellen hebt in welke taal dan ook.

En de glimlach op hun gezicht als zij zich begrepen voelen, hoe melig dat ook mag klinken, is alle moeite waard. Dat dacht ik, toch, toen ik de frisse wind van de winter op mijn gezicht voelde, kort voor het besef dat ik nog een cadeau moest vinden.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Orlando Verde is geboren in Venezuela in 1977, maar woont in Antwerpen sinds 2001. Hij is informaticus van opleiding en schrijft en maakt films af en toe. Eigenlijk vertelt hij vooral graag verhaaltjes.
Eerdere publicaties:

'When you're strange'

'Wassalonpolitiek'

'Het niveau van het discours'

'Het land van de Minderheden'

'De Decaf Era'

'De Jacht'

'De Ogen van Oedipus'

'The Eighthies'

http://www.kifkif.be/actua/de-ontmoeting