De selectieve grenzen van de vrijheid van meningsuiting

02-08-2016 | Orlando Verde

Met interesse las ik vorige week een vakantieartikel van Peter De Roover over de nood aan een inperking van onze vrijheid van meningsuiting. Het was een van de vele ‘grensverleggende’ voorstellen die af en toe in blok gelanceerd worden met de hoop op afleiding of aandacht, of in het slechtste geval, steun, want De Roover zelf leek niet te weten hoe zijn voorstel precies moest worden geïmplementeerd.

Hoewel sommige ‘meningen’ nu al strafbaar zijn - bijvoorbeeld in de vorm van aanzet tot haat of negationisme - maakte De Roover zich zorgen omdat “de breedte van het concreet bestaande meningsveld over ‘bepaalde grenzen’ gaat”. “Als een vrije mening de basisbeginselen van onze samenleving betwist”, vraagt De Roover zich verder af, “is het aanvaarden daarvan dan een extreme vorm van tolerantie of onverschilligheid?”. “Ik besef dat ik me op glad ijs begeef maar soms moet dat dan maar”, voegt hij meditatief toe. Hij is dus toerekeningsvatbaar.

Volgens De Roover wordt tolerantie “op een bepaald ogenblik slapheid en zelfs vijand van zichzelf”. Hij waarschuwt dat “het gebrek aan reactie” zuurstof biedt aan de “tegenstander”, waardoor “ons model” geen stand zal houden “als we het niet actief verdedigen”.

Bij het lezen van die woorden moest ik denken dan aan de Helden van het internet, het rubriekje dat we niet zo lang geleden te zien kregen in VIER-programma Karen & De Coster. Ik moest denken aan dat maagomkerend compendium van haatreacties die men in Welkom in Warm Vlaanderen kan vinden, indien nood aan reality check. Het deed me denken aan hoe de sociale media een open riool zijn geworden waarin de meest racistische en haatdragende reacties met naam en familienaam worden gedeeld en waar niets mee gebeurt. Allemaal voorbeelden van een gif “dat fundamenteel ingaat tegen het model waar wij voor staan”, om het met de woorden van De Roover te zeggen.

“Afmaken die apen”, “afknallen” indien “donkerder dan blank”, “vuil smerige ratten die moslims”, “stront volk”, “allemaal afschieten”, “eruit met die kakkerlakken”, zo staat het op allerlei publieke fora, van Twitter tot en met digitale kranten. Oproepen tot “zuivering” van Europa, tot “grote schoonmaak”, tot remakes van de kristallnacht, tot heropening van gaskamers, met en zonder d/t fouten. Dat staat daar allemaal te lezen, zwart op wit. En dat gebeurt telkens opnieuw, bij elke boot die in de Middellandse Zee zinkt, bij de meest verbazingwekkende en onschuldige omstandigheden. Op de dood van een 15-jarige Vlaming van Marokkaanse origine, reageren ze vandaag met smiley’s, wansmakkelijke grappen, gratuite beschuldigingen en jolijt.

En dit is alleszins geen recent fenomeen. Het wordt alleen erger, ondanks de vele en herhaalde pogingen om het weg te relativeren. Als er een fenomeen is waar we “slapheid”, “onverschilligheid” en “gebrek aan reactie” over merken, dan is dat het racisme dat onze samenleving teistert, in al zijn verschillende vormen. Islamofobie inbegrepen, een term die velen zelfs willen afschaffen. Op vlak van racisme en racistische uitspraken mogen we gerust spreken van gedoogd wangedrag en schaamteloze straffeloosheid. Leiden zulk vreselijke woorden ook tot daden? Moeilijk te bewijzen, maar zowel Breivik als zijn Duitse copycat zou je aan zulke uitspraken kunnen verbinden met dezelfde overtuiging waarmee sommigen een bomgordel willen verbinden aan eventuele ‘dansende moslims’.

De Roover had het alleszins niet over racisme, want dan had hij zijn artikel een aantal vakanties geleden moeten schrijven. “Het gaat hierbij niet over pro/contra godsdiensten of één bepaalde godsdienst” schrijft hij, zijn voorlopige versie van “ik ben geen racist maar”, want verder had hij het uitsluitend over moslims, want de bedreiging voor ons model die “vanuit die geloofsgemeenschap” kwam, mocht niet bedekt worden met “de mantel van de multiculturele liefde”. Daar ging zijn artikel over, over “collaborateurs” met ‘islamterreur’. Met hoeveel ze zijn weet niemand, al moeten we afleiden dat het over een “significant” aantal mensen moet gaan.

Andere bedreigingen voor ons model interesseren De Roover alleszins niet, want daar zegt hij niks over. Misschien vallen die andere bedreigingen te dicht bij uitspraken, voorstellen, tweets, posts en bevlogenheden van de eigen achterban en de eigen mandatarissen. Om niet te beginnen over de potentiele kiezers die voortdurend pendelen tussen Vlaams Belang en N-VA en niet te hard moeten worden aangepakt.

Het valt te betreuren, die slapheid. Het valt te betreuren, die eenzijdigheid. En erger nog, het heeft gevolgen, die selectieve verontwaardiging. “Wie geweld pleegt en/of aanzet tot haat, is vandaag al strafbaar. We moeten het debat durven voeren in hoeverre woorden die daar naartoe leiden of naar radicale afwijzing van onze samenleving nog vallen binnen de onaantastbare zone van de vrije meningsuiting”, besluit De Roover. De vraag is of hij het heeft over álle vijanden van onze samenleving, of specifiek over IS-sympathisanten. Want als we kiezen voor die inperking van een basisvrijheid, van een fundament van onze samenleving, moeten álle vijanden worden bestreden, álle helden van het internet, “ook als ze zich beperken tot woorden”, om af te sluiten met de woorden van De Roover zelf.

http://kifkif.riffle.be/actua/de-selectieve-grenzen-van-de-vrijheid-van-meningsuiting