De verdwazing van de filosofie en het progressief potentieel van de islam

22-12-2015 | Eric Hulsens

Beeckman negeert het hele studieproject waar Todd al meer dan veertig jaar mee bezig is. De kern ervan is dat de maatschappij sterk bepaald is door familiale structuren.

De columniste en denkster Tinneke Beeckman moet niets hebben van Emmanuel Todd en zijn boek Wie is Charlie? Ze heeft een lange lijst verwijten, met name dat ‘sociaal-economische gelijkheid voor hem het doel is van de politiek.’ Het zal geen toeval zijn dat de filosofe geëerd en geprezen wordt in liberale kringen. Maar wat klopt er van haar kritiek?

In haar boek Macht en onmacht wil Beeckman blijkens de ondertitel Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting bieden. Welke aanslag? De moorden op de redactie van Charlie Hebdo, politie-agenten en Joodse burgers van januari 2015 in Parijs. Dé aanslag – er is er maar één. Niet die van Breivik in Noorwegen in 2011 (met veel meer slachtoffers), niet die in het Joods Museum in Brussel in 2014 of die op Joden en militairen in Zuid-Frankrijk in 2012.

Hoe kom je erbij een moordpartij op mensen een aanslag op de Verlichting te noemen? En waarom is de ene moordpartij dat wel, en zijn andere dat niet? Waarom is extreem-rechts geweld géén aanslag op de Verlichting, maar islamistisch geweld wel? Waarom vormen de moorden op Joden géén aanslag op de Verlichting, maar die op een groepje journalisten wel? Waarom werd er voor een vermoorde redactie een nooit eerder geziene megamanifestatie georganiseerd, en niets van dat formaat voor de eerder vermoorde Joden?

Hier zitten we volop op het terrein van de ideologische constructie. Het verleden en zeker het recente verleden dat actualiteit heet, is angstaanjagend en zorgwekkend, vraagt om duiding. Dat wil zeggen: interpretatie, constructie van een zin, van een kader waarbinnen ze begrepen kunnen worden. En daar zijn belangen mee gemoeid.

Wie heeft de scherpste tong?

Er zijn doorgaans meerdere duidingen mogelijk, en dus is er discussie over hun juistheid en hun onderlinge verhouding. Welke duiding geaccepteerd wordt, welke niet, is niet alleen een kwestie van wetenschappelijke bewijsvoering, maar ook en vooral van gezag en macht, met name van politieke macht en van mediamacht.

Het gezag van Todd als wetenschapper en publiek denker was groot genoeg om de Franse premier te doen reageren op diens stellingen met een polemisch artikel. In België en Nederland wordt dan weer een lichtgewicht als Tinneke Beeckman als contra-autoriteit gepresenteerd.  Zo vraagt een interviewer haar: ‘Todd heeft alle media gehaald, in Frankrijk, België en Nederland. Waarom willen wij zijn ongegronde mening zo graag aanhoren?’ Antwoord van de denkster: ‘Omdat ons kritisch denken van de voorbije halve eeuw exacte kennis en wetenschap totaal heeft uitgehold. Vandaag geldt de macht van de retoriek. Wie de scherpste tong heeft, al komt hij met een ongeloofwaardig verhaal, heeft vandaag de macht.’ (V)

Beeckman en Todd werken op heel verschillende terreinen. Zij is filosofe, maar hij wil hoegenaamd geen filosoof zijn, maar definieert zich als een historicus van de Annales-school, een richting die zich zeer interesseert voor ontwikkelingen op lange termijn. Daarnaast is zijn eigenlijke vakgebied demografie, en daar komt ook antropologie en sociologie bij kijken. Het doet daardoor nogal raar aan dat Beeckman Todd verwijt dat hij geen godsdienstkritiek biedt. Dat is een leuke bezigheid voor filosofen, maar waarom zou een historicus zich daar moeten mee bezighouden? Beeckman doet toch ook niet aan godsdienstsociologie? Houdt zij zich trouwens ergens bezig met exacte kennis en wetenschap?

Bij het beoordelen van de massale Ik-ben-Charlie-betoging in Parijs kijkt Todd naar twee niveaus: ‘De manifestatie van 11 januari was indrukwekkend. Het zou zonde van de tijd zijn om in detail te herhalen wat volgens de deelnemers de positieve boodschap ervan was: verdediging van de vrijheid van meningsuiting, van de scheiding van Kerk en Staat, een open houding tegenover de “goede islam” en de wereld.

Maar we hoeven onze aandacht slechts te richten op de concrete doelstellingen van de manifestatie om door te dringen tot de onderliggende waarden. Het ging vooral om de bevestiging van een maatschappelijke macht, dominantie, een doel dat gerealiseerd werd door massaal te defileren achter “onze” regering en begeleid door “onze” politie. De identificatie met het satirische weekblad Charlie Hebdo toont aan dat uitsluiting een belangrijk onderdeel was van de motivatie. De Republiek waarvoor men in de bres sprong stelde het recht op godslastering centraal in zijn principes, met als onmiddellijke toepassing de plicht tot blasfemie met betrekking tot het personage dat het symbool is van een minderheids-religie, gedragen door een kansarme groep. In de context van massawerkloosheid, van discriminatie van jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst bij sollicitaties, van een onophoudelijke demonisering van de islam door ideologen aan de top van de Franse samenleving, op de televisie en in de Académie, kan de ingehouden gewelddadigheid van de manifestatie van 11 januari niet genoeg onderstreept worden.

Miljoenen Fransen stormden de straat op om het recht te spugen op de godsdienst van de zwakkeren aan te merken als een eerste behoefte van hun samenleving.’  (C 68-69)

De tricolore in de fik?

Dat lijkt me een correcte analyse, zeker als je in gedachten houdt hoezeer moslims in Frankrijk de voorbije jaren gepest en uitgesloten zijn via hatelijkheden als recepties of festiviteiten met alleen maar alcohol en varkensvlees, en meer van dat fraais. Maar Beeckman gaat helemaal voorbij aan de twee niveaus van Todds commentaar: een positieve boodschap, die hij niet ontkent, maar waaronder een andere schuilgaat. De stilzwijgende boodschap van de betoging(en), die verstopt zat achter de ronkende verdediging van de vrijheid van meningsuiting was toch duidelijk: moslims moeten leren te accepteren dat er met het heiligste van hun godsdienst gelachen wordt, en dat alle grofheden toegestaan zijn.

Laat ik het probleem daarachter illustreren met een  bewijs uit het ongerijmde: had je tijdens die betogingen de Franse vlag kunnen verbranden, om de Fransen eraan te herinneren dat ze hun Republiek niet zo ernstig moeten nemen en dat daar best mee te lachen valt? Daar zouden ze toch moeten tegen kunnen? Ik zou het niet gewaagd hebben dat experimenteel te testen.

Was de manier waarop Charlie Hebdo met de Profeet omging voor moslims niet net zo onmogelijk? (Niet dat dit het moorden rechtvaardigt, dat is een andere kwestie. Het gaat om de vraag hoe ver burgers kunnen gaan in het kwetsen van hun medeburgers en het neerhalen van de waarden waarop die hun leven baseren. Wie vindt dat er op dat gebied geen beperkingen horen te gelden, moet dan wel uitleggen waarom negationisme, kinderporno, of smaad wel aanvaardbare begrenzingen van de vrijheid van meningsuiting horen te zijn.)

Beeckman kan Todd niet begrijpen omdat zij zelfs het begrip islamofobie afwijst en er een verkeerde historiek van geeft.  Zij volgt een vaak gehoorde theorie die stelt dat islamofobie alleen maar een ideologische kunstgreep van de islamitische wereld is, bedoeld om islamkritiek te voorkomen. Dat trucje bestaat natuurlijk, zoals ook het begrip racisme soms misbruikt wordt om kritiek op onbehoorlijke zaken af te weren, of zoals het begrip antisemitisme door zionisten gehanteerd wordt om kritiek op Israël af te ketsen. Maar dat wil niet zeggen dat islamofobie, racisme en antisemitisme nutteloze en inhoudsloze begrippen zijn, integendeel.

Volgens Beeckman was Charlie Hebdo niet islamofoob, onder meer omdat er met zoveel andere zaken gespot werd dan de islam, zoals bv. het katholicisme. Alsof je islamofobie niet kan combineren met een afkeer van het katholicisme of van alle godsdienst! En het verschil blijft natuurlijk dat de islam de godsdienst van de onderliggers in de huidige Franse maatschappij is, terwijl het katholicisme historisch gezien de ideologie van het koninklijk absolutisme was. De anti-katholieke laïciteit van de Franse Revolutie was progressief omdat zij achterhaalde machtsstructuren sloopte. Maar de anti-islamitische neo-laïciteit in Frankrijk is een middel om een zwakke groep in de samenleving uit te sluiten en daardoor allerminst progressief te noemen.

Atheïsme pathologisch?

Beeckman negeert het hele studieproject waar Todd al meer dan veertig jaar mee bezig is. De kern ervan is dat de maatschappij sterk bepaald is door familiale structuren. Todd noemt zichzelf een anti-marxist, wat hem overigens niet belet met lof en sympathie over de Franse Communistische Partij te spreken. Voor hem is niet de economie het belangrijkst om de samenleving te begrijpen, maar de antropologie, in het bijzonder de familiestructuren.

Die kunnen egalitair zijn, wat je aan het erfrecht kan aflezen als gelijke rechten voor alle zonen of voor zonen en dochters of voor alle kinderen. Of omgekeerd, bv. de oudste zoon erft alles of het meest. De familiestructuren kunnen ook sterk autoritair zijn, met een vader-patriarch die de macht heeft, of juist niet. Ook of het huwelijk dient om de banden binnen de eigen groep te versterken, dan wel om nieuwe relaties met andere groepen aan te knopen, is een belangrijk verschilpunt. (Endogamie versus exogamie, in de antropologische vaktaal.)

Die familiestructuren werken volgens Todd door in de politiek. In zijn visie vormen ze een onbewust substraat van de maatschappij dat de mentaliteit bepaalt. (Hoe deterministisch je dat mag opvatten is dan natuurlijk meteen een punt van discussie.) Die structuren zijn sterker dan de godsdienst. Een interessant voorbeeld is het erfrecht van de Koran. Het is egalitair, maar wordt nergens toegepast, merkt Todd op. De godsdienst past zich aan aan de antropologische structuur, niet omgekeerd.

In plaats van de godsdienstkritiek waar Beeckman naar snakt, biedt Todd boeiende ideeën en analyses van de samenhang van godsdienst en maatschappij. Zo ziet hij een verband tussen het Duitse protestantisme en het nazisme, en tussen het Franse katholicisme en de Franse Revolutie. Op het gebied van de ideeën is er de tegenstelling tussen protestantse predestinatie (het ligt vooraf al vast of je in de hemel zal komen of niet en het lot van mensen is dus ongelijk en daar is niets aan te doen) en de katholieke openheid (je eigen activiteit bepaalt je latere lot). Deze laatste visie bevat een belangrijke progressieve kern: de toekomst is maakbaar! Als een dergelijke visie samenvalt met egalitaire gezinsstructuren, is er een revolutionair potentieel.

Maar in Duitsland leidde de combinatie van inegalitaire en autoritaire gezinsstructuur met predestinatiedenken tot de holocaust: ‘de Joden werden veroordeeld tot de hel van de vernietigingskampen, als seculiere vertaling van de eeuwige verdoemenis van Luther.’ (T 34) Beeckman vindt dat geen godsdienstkritiek. Misschien verstaat zij daaronder alleen maar het gebruikelijke afgeven op de islam?

Je kan twijfels of kritiek hebben bij Todds visie op de geschiedenis, maar ze is doordacht, gedocumenteerd en beargumenteerd, en je moet ze dus bestuderen om ze te kunnen evalueren. Helaas, Beeckman heeft er zelfs geen weet van. Zij trekt van leer tegen Todd: ‘Over atheïsten schrijft hij dat ze lijden aan een mentaal onevenwicht (omdat ze godsdienst verlaten hebben), en dat ze een zondebok zoeken voor hun angsten. Waaruit Todd dat kan afleiden is volstrekt onduidelijk, tenzij vanuit zijn eigen hypothese dat heel Frankrijk onder een zware pathologie gebukt gaat.’ (B 68)

Todd, een Joodse atheïst, houdt zich uiteraard niet bezig met het pathologiseren van het atheïsme. Wat hij als historicus vaststelt, is dat het wegvallen van het religieuze kader van een samenleving een crisis veroorzaakt, een leegte inzake waarden en zingeving van het bestaan. En die kan leiden tot agressie en tot zondebokstrategieën. Het gaat niet om atheïstische individuen bij wie een schroefje los is, maar om een samenleving waarvan het ideologische cement is weggebrokkeld en die daardoor labiel is en vatbaar voor ingrijpende omwentelingen.

De progressiviteit van de islam

Het meest verrassende en aangenaam tegendraadse punt in Todds visie is misschien wel zijn stelling dat de islam een progressieve basis heeft. Die godsdienst is volgens hem antropologisch gezien egalitair ingesteld, en dat vertaalt zich in Frankrijk in een hoog stemmenaantal van moslims voor linkse partijen. Als die islam erin slaagt om de gelijkheidsgedachte uit te breiden tot de relatie van man en vrouw, kan hij een belangrijke progressieve factor worden. Maar daar smaalt Beeckman op: ‘die evolutie veronderstelt een capaciteit bij moslims om afstand te nemen van het eigen geloof en de eigen traditie waartoe Todd de zombie-katholieken, zelfs na vele generaties, absoluut niet in staat acht.’ (B 70) (De zombie-katholieken zijn de katholieken na de ondergang van het katholicisme, die nog een waardepatroon aankleven waarvan het religieuze kader is ingestort.)

Voor een historicus van de longue durée, de lange tijdsperiodes, zijn een paar generaties een erg korte tijd. En Beeckman kan toch zelf ook wel rekenen? De Franse Revolutie van 1789 die de gelijkheid tussen de (mannelijke) burgers poneerde, leidde tot de onthoofding van Olympe de Gouges, die die gelijkheid ook tot vrouwen wilde uitbreiden. (Déclaration des droits de la femme et de la citoyenne, 1791) Pas in 1944 kregen de vrouwen in Frankrijk stemrecht. Het is dan ook nogal gek om van immigranten te eisen dat ze van vandaag op morgen hun cultuur omgooien. Todd schrijft terecht: ‘De tijd moet de tijd krijgen, we moeten accepteren te leven met de onvolmaaktheid van de overgangsfases, we moeten elkaars zwakheden met genegenheid bezien. Niet alleen omdat die houding op zich goed is – en dat is ze – maar ook omdat welwillendheid op de langere termijn doelmatiger is dan confrontatie, die altijd haat en polarisatie voortbrengt.’ (T 189)

Tegen het fundamentalisme van veel islamofoben in stelt Todd: ‘Ik blijf dus voorstander van assimilatie. Maar ik blijf ook vinden dat het laïcistische vertoog stompzinnig is of te kwader trouw, wanneer de lage status van vrouwen in verband wordt gebracht met de islamitische theologie, wanneer beweerd wordt dat het burgerlijk recht volgens de Koran ernstig in tegenspraak is met het Franse Burgerlijk Wetboek. De islam erkent dat plaatselijk gebruik altijd voorrang heeft boven de heilige tekst. De regels van het erfrecht die de Koran bevat, worden nergens in de moslimwereld toegepast. Het befaamde ‘halve deel’ van meisjes wordt door de boeren in de Arabische wereld niet toegekend. Omgekeerd permitteert men zich in het meest oostelijke deel van de islamitische wereld alle vrijheid tegenover de boodschap van Mohammed en bevoorrecht de meisjes ten opzichte van de jongens. Aan de andere kant van de Indische Oceaan plaatst de islam de vrouw in het hart van het familiale stelsel. (…) Voor 250 miljoen Indonesiërs bestaat er al een islam die egalitair is wat betreft de verhouding tussen de geslachten.’ (T 188)

Dit staat haaks op de visie van Beeckman: ‘Republikeins zijn impliceert dat de inwoners van een land de democratisch gestemde wet als enige legitieme grond van het recht aanvaarden. Ze nemen dus niet de woorden van een profeet als basis voor de wet. Met deze definitie van volkssoevereiniteit wordt optimisme over de islam als nieuwe kans voor de Franse republiek minder vanzelfsprekend.’ (B 72) Dat klopt niet, al moet erbij gezegd worden dat de ethiek en de godsdienst in zekere zin belangrijker zijn dan de wet, die praktische regels voor het samenleven vastlegt, maar geen zingeving aan het bestaan aanbiedt en de burgers vrijlaat in het funderen van hun ethiek en hun wereldbeeld.

Een voorbeeld: toen de Belgische katholieke vorst Boudewijn I de abortuswet die goedgekeurd was door het parlement niet kon ondertekenen omwille van religieuze bezwaren, werd hij niet afgezet, maar tijdelijk niet in staat tot regeren verklaard, zodat de wet zonder zijn handtekening van kracht kon worden. Zijn conservatief-katholieke levensbeschouwing kon de democratisch gestemde wet niet tegenhouden, maar de wet respecteerde wel zijn recht op die levensbeschouwing. De godsdienst staat niet boven de wet, maar de wet ook niet boven de godsdienst.

Een positieve integratie van de islam

Tegenover de anti-islamitische hysterie plaatst Todd zijn nuchtere analyses, wat culmineert in een pleidooi voor acceptatie van de islam: ‘Uiteindelijk gaat het erom dat we, uit realiteitszin en noodzaak, volmondig en met genoegen erkennen dat er voortaan in de Franse cultuur, in ons nationale wezen, een moslimprovincie bestaat. (…) Onze nieuwe provincie, de islam, gelooft in gelijkheid, in tegenstelling tot de Katholieke Kerk, die stoelt op een hiërarchisch principe dat in alle opzichten in tegenspraak is met het republikeinse ideaal. Een positieve integratie van de islam zou dus eerder leiden tot een versterking van de republikeinse cultuur dan tot ondermijning ervan.’ (T 190)

Maar terug naar Beeckman. Als verdedigster van de Verlichting is zij niet ernstig te nemen. Zij probeert dat progressieve erfgoed in rechtse zin om te buigen door van het waardenstelsel Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid de laatste twee te schrappen en de levensbeschouwelijke tolerantie in de prullenbak te gooien. Een flauw schemerlicht, die Verlichting à la Beeckman. Todd lezen is veel spannender en veel inspirerender!

 

Het boek van Emmanuel Todd, Qui est Charlie? verscheen in het Nederlands als Wie is Charlie? Xenofobie en de nieuwe middenklasse, De Bezige Bij, 2015. De oorspronkelijke ondertitel is veranderd, die luidt: Sociologie d’une crise religieuse, waarmee het boek als godsdienstsociologie gekarakteriseerd is. Ik citeer de vertaling als T met vermelding van de pagina. Waar nuttig heb ik de vertaling wat aangepast.

Het boek van Tinneke Beeckman: Macht en onmacht, Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting, De Bezige Bij, 2015. Geciteerd als B met vermelding van de pagina.

De foutieve uitleg van Beeckman over de herkomst van het begrip islamofobie is te vinden op p. 209, noot 3. Zie hierover bv. mijn essay Islamofobie gebundeld, in: Eric Hulsens, Bloot of boerka?, Antidote, 2015.

De theorieën, hypotheses en standpunten van Todd zijn uiteraard niet boven kritiek verheven, al hoeft die niet zo amateuristisch en incompetent te zijn als bij Beeckman. Zie bv. Réda Benkirane, Démographie et géopolitique, Étude critique des travaux d’Emmanuel Todd, Hermann, 2015.

Een korte en zeer toegankelijke kennismaking met Todd is: Allah n’y est pour rien! Emmanuel Todd sur les révolutions arabes et quelques autres, arretsurimages.net, 2011.

Het (als V) geciteerde interview met Beeckman door Marnix Verplancke in Trouw van 6/12/2015:

http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/4202377/2015/12/06/Spaar-de-minderheden-niet.dhtml .

Het vermelden waard is een artikel van de sociologen Vincent Tiberj en Nonna Mayer: Le simplisme d’Emmanuel Todd démonté par la sociologie des “Je suis Charlie” in Le Monde van 15 mei 2015. Op basis van een enquête in maart 2015 bij een representatieve steekproef van de Franse bevolking verwerpen zij de visie van Todd. Tinneke Beeckman vat het samen in een voetnoot (B 214 noot 72 ) en meent dat daarmee het betoog van Todd ontkracht is. Maar dat is problematisch:

- De enquête vond plaats in maart, zodat de antwoorden beïnvloed zijn door de medialawine sinds de aanslagen.

- De beide sociologen hebben andere methodologische uitgangspunten dan Todd. Zij verwerpen zijn analyse die gebaseerd is op een historische kijk op regio’s, met als eenheid de Franse departementen, en prefereren een andere aanpak.

- De criteria voor islamofobie van de sociologen en van Todd verschillen.

- De visie van Todd is complex en allicht in delen tegen te spreken (ik deel bv. niet zijn positieve kijk op het hoofddoekverbod in Franse scholen), maar de kern ervan is zonder sociologisch onderzoek inzichtelijk. De (door de overheid gekaapte en zorgvuldig georkestreerde) massabetogingen identificeerden zich via de slogan Je suis Charlie met het (vaak hoogst obscene)  beledigen van de islam en de moslims van Charlie Hebdo. De nationale eenheid was een fictie, want er werden problemen gemaakt over de participatie van het Front National, dat uiteindelijk niet meedeed. Een aantal staatshoofden en prominenten die poseerden voor een foto die de indruk moest geven dat zij meeliepen in de betoging waren inzake vrijheid van pers en meningsuiting de slechtst mogelijke reclame. De overheid ridiculiseerde zelf de vrijheid van meningsuiting door een brutale en hardhandige aanpak van leerlingen die de van bovenaf opgelegde minuut stilte niet zagen zitten. Todds term ‘imposture’ (bedrog, misleiding) voor de Je-suis-Charlie-betoging is dan ook heel juist.

Noch Todd, noch Beeckman gaan in op de geostrategische achtergrond van Charlie, nl. het oorlogszuchtige en neo-koloniale beleid van Frankrijk. Zie daarover bv. mijn essay Je ne suis pas un de ces cons de Charlie! In Eric Hulsens, Bloot of boerka ?, Antidote 2015.

 

 

 

 

 

 

 

http://www.kifkif.be/actua/de-verdwazing-van-de-filosofie-en-het-progressief-potentieel-van-de-islam