De voorwaarden van de samenleving

19-09-2016 | Orlando Verde

De nood aan zulke voorwaarden blijkt voor velen duidelijk als er over asielzoekers wordt gesproken.

We denken graag dat in humor alles is toegelaten, maar niks is minder waar, elke comedian zal lachen met die stelling. We zijn vrij om alles te zeggen wat binnen de grenzen van de wet valt, en de wet biedt veel speelruimte. Maar dat het toegelaten is om iets te zeggen, betekent niet dat het grappig zal zijn. En als het niet grappig is, is het dan wel humor? Waarom iets grappig wordt levert alleszins veel boeiendere gedachten dan de wetgeving errond.

Er zijn voorwaarden om humor te maken. Kennis, bijvoorbeeld. Kennis van wat mensen grappig kunnen vinden. Een idee van wat mensen weten en wat niet. Een schatting van wat grappig kan zijn en waar de grenzen liggen, grenzen die constant verschuiven: soms is het ‘te vroeg’ om een grap te vertellen. Charlie Hebdo, gekend voor een constante exploratie van de grenzen van de humor, publiceerde na de aanslagen in Brussel en Zaventem, een cartoon op hun voorpagina met Stromae, de woorden “Papa où t’es” (naar zijn hit Papaoutai), de Belgische vlag in de achtergrond en ledematen die zeggen “hier”, “daar” en “daar ook”. Het beeld was al beledigend genoeg voor de familieleden van de slachtoffers, maar dan kregen we nog te horen dat de vader van Stromae een van de dodelijke slachtoffers was van de Rwandese genocide…

Er is een grens tussen humor en een wansmakelijke belediging, dat werd op die dag duidelijk voor vele Belgen. Er waren heel weinig ‘Charlies’ die dag. Jammer genoeg was het te laat voor diegenen die gezien werden als apologeten van het terrorisme, omdat ze het weigerden om de hashtag #JeSuisCharlie te dragen na de aanslag op hun redactie in 2015. Velen begrepen niet dat je iets niet kan ‘zijn’ dat jou systematisch beledigt, ook niet uit solidariteit. Ook niet wanneer je het gebruik van geweld als antwoord op gebrek aan respect sterk afkeurt. Neen, niet alles is toegelaten in humor, omdat niet alles grappig is.

Naast kennis is een bepaald niveau van vertrouwen nodig. De lezer, het publiek zeg maar, moet een zekere graad van vertrouwen hebben in de comedian. Vertrouwen dat wat er verteld wordt een grap is en niet een mening, bijvoorbeeld. Dat een uitspraak ironisch is bedoeld, dat wie voor u staat niet de mens is, maar een personage. Daarom lachen we met schokkende grappen, omdat we de comedian vertrouwen en hem een licentie geven om voorbij de grenzen van de burgerschap te gaan. We zijn in staat om een anders beledigende verklaring als sarcasme of zelfkritiek te begrijpen. We kunnen zelfs stilte begrijpen als een scherpe parodie. Op een of andere manier wordt het duidelijk, na een obligate aarzeling, dat lachen het doel is, naast de eventuele neveneffecten van reflectie of mobilisering.

Onder andere daarom zijn politici zo zelden grappig. Omdat het doel van een politicus niet is ons te doen lachen en omdat vertrouwen in politici schaars is geworden. Daarom moeten politici zo vaak grapjes rechtzetten en duidelijk maken dat ze dit of dat niet bedoelden. Sommige politici kunnen zelfs met moeite glimlachen. Omdat we, mensen, heel goed onderscheid kunnen maken tussen een eerlijke en een valse glimlach.

De meeste politici blijven dus binnen de grenzen van debat en bestuur, wat hen uiteraard niet bevrijdt van andere vereisten. Maar in een almaar verbonden wereld, beschikt elke burger over en mening en een bepaalde graad van invloed op het leven van anderen. Betekent dit niet dat we allemaal aan een aantal voorwaarden moeten voldoen elke keer we een grap willen maken, of debatteren, bekritiseren, aanklagen, bevel geven of zeg maar samen leven?

De nood aan zulke voorwaarden blijkt voor velen duidelijk als er over asielzoekers wordt gesproken. Dat is de logica achter de voorgestelde nieuwkomersverklaring, bijvoorbeeld. Een instrument om asielzoekers onze ‘normen en waarden’ te doen ‘aanvaarden’, in het licht van gebeurtenissen zoals de massale aanranding van jonge vrouwen in Keulen. Nu, dat veronderstelt om te beginnen dat wat in Keulen gebeurde een uitdrukking was van een ‘cultuur’ met andere ‘normen en waarden’. Het insinueert ook dat asielzoekers op een of andere manier voorbestemd zijn tot dergelijke praktijken, tot het punt hen te doen beloven dat ze zoiets niet zullen doen. Tenslotte, gezien Europese burgers zich niet verplicht zien om dergelijke verklaring te ondertekenen, wordt ermee gesuggereerd dat Europeanen zoiets niet doen. Drie stellingen die vanzelfsprekend verkeerd zijn: Keulen was een georganiseerde vorm van diefstal, gebruikt door een criminele bende om vrouwen te bestelen, waar de deelname van asielzoekers uitzonderlijk was, en seksuele aanranding is eigenlijk een vrij vaak voorkomend fenomeen in massa-evenementen, ook bij Westerlingen.

En toch vinden we dat we vereisten mogen opleggen aan anderen om deel te nemen aan de samenleving. Zelfs wanneer de nood aan zulke vereisten zich baseert op valse stellingen. Zelfs wanneer zulke vereisten vanzelfsprekend stigmatiserend werken voor asielzoekers.

Maar is een dergelijke verklaring - een lijst van idealen, van gendergelijkheid tot afwijzing van criminaliteit - de blueprint van de voorwaarden van onze samenleving? Slimme mensen hebben al opgemerkt dat een nieuwkomersverklaring onnodig is omdat iedereen op Belgische grond onderworpen wordt aan een document dat de spelregels van onze samenleving dicteert: de grondwet. En het zou zinvol zijn om de grondwet te presenteren aan iedere nieuwkomer om duidelijk te maken wat de samenleving van hen verwacht, naast de rechten waar ze beroep op moeten doen. Ze zouden snel merken dat ze het recht hebben om een boerkini te dragen, bijvoorbeeld.

Nog interessanter: dat zou betekenen dat iedereen op de zelfde manier mag worden gevraagd om de grondwet te respecteren. En dat zou niet zo absurd zijn, gezien de recente pogingen om burgers hun rechten te ontzeggen, onder het mom van veiligheidsmaatregelen, en om internationale verdragen te negeren. Het zou geen slecht idee zijn om iedereen te herinneren dat die richtlijnen van onze civiele co-existentie al bestaan. Maar dat zou alleszins onvolledig zijn.

Een van de argumenten voor een nieuwkomersverklaring, is dat het onderschrijven van de grondwet de aanvaarding van normen en waarden niet impliceert, want zulke aanvaarding hoort bij de gewetensvrijheid. Dus nogmaals, net zoals het niet garandeert dat een persoon de gelijkheid tussen man en vrouw aanvaardt, garandeert het ook niet dat iemand moslims en niet-moslims als gelijken beschouwt. En zulke mensen zijn er, met velen, vandaag, die openlijk stellen dat moslims inferieur zijn. De argumenten voor een nieuwkomersverklaring zouden perfect kunnen gelden voor een oudkomersverklaring. Nu, er zijn al eens voorstellen geweest voor een burgerschapsverklaring voor iedereen, en die zijn niet populair gebleken. En dat is ook niet de bedoeling van dit essay. Dit is eerder, vertrokken vanuit het idee dat er voorwaarden zijn voor humor, een reflectie over de attitudes die essentieel zijn om samen te leven.

Naast onze grondwettelijke rechten en plichten, zouden we een erkenning van gelijkheid snel moeten toevoegen. Een gelijkheid die onder vuur staat, onder andere door wie zegt dat Westerse samenlevingen superieur zijn. Kennis, zou ook onmiddellijk op de lijst moeten staan. Kennis over elkaar, in een te vaak door onwetendheid gedreven context, waarin beslissingen genomen worden gebaseerd op stereotypen en vooroordelen, eerder dan kennis. Respect, wanneer de identiteit van mensen respectloos wordt behandeld. Zelfkritiek, in tijden van blinde, eenzijdige discussies, enkel bedoeld om gelijk te krijgen. Zelfkennis, als noodzakelijke voorwaarde van zelfkritiek. Erkenning van elkaar, van de problemen van elkaar en van de rol die we spelen in elkaars woede en angst. Bereidheid om naar elkaar te luisteren, een eerlijke inspanning om elkaar te begrijpen. Een kritische houding, want dat is de enige weg om elkaar te helpen groeien. Nogmaals, gebaseerd op respect voor elkander. Beleefdheid, hoe groot de weerstand ook is tegenover deze elementair voorwaarde om samen te leven. Eerlijkheid, hoe groot de bekoring ook is om oneerlijke argumenten te gebruiken. Nederigheid, in tegenstelling tot de arrogantie die de meeste debatten typeert, maar ook genoeg assertiviteit om wat we waardevol achten te verdedigen, want ja, daar ligt de rijkdom van een diverse samenleving. Er moet een wil zijn om te veranderen, want onze maatschappij verandert voortdurend en zal voortdurend veranderen. En het heeft geen zin om regels te maken voor een samenleving die niet meer bestaat: we moeten allemaal samen een nieuwe plek creëren. In tegenstelling tot diegene die geen verandering wil, die alleen veranderingen verwacht van de andere, en geen nood ziet om erover te spreken, omdat de ander een ‘gast’ is, een ‘bezoeker’, geen volwaardige burger.

Er zijn, zeker en vast, voorwaarden om samen te leven en dat we daar vandaag niet aan voldoen is vanzelfsprekend. Het belangrijkste is dat die voorwaarden samen een geheel vormen. Dat er geen verdienste te rapen valt in assertiviteit zonder zelfkritiek, bijvoorbeeld. We moeten veranderen. We voldoen niet aan de voorwaarden om samen te leven en we moeten meer moeite doen. We weten niet genoeg. We weten niet meer waar de grenzen liggen.

Als we het over humor hadden, zou dat betekenen dat we niet zo grappig zijn als we zelf denken.

De Engelstalige versie van dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in The Critique.

http://www.kifkif.be/actua/de-voorwaarden-van-de-samenleving