[Dossier Armoede] Beeldvorming rond armoede- Interview met Danny Wildemeersch

23-12-2010 | Joke Clijsters

"Er zijn te weinig kritische stemmen in de media. Ik zie een belangrijke rol voor de openbare omroep hierin, maar de overheid moet de ruimte creëren zodat de openbare omroep kan functioneren zonder volledig afhankelijk te zijn van de markt.”

Beeldvorming rond armoede
Over reponsabilisering, culturalisering en aandachttrekkerij in de spektakelmaatschappij

Leuven - Naar aanleiding van zijn recente artikel ‘Beelden van armoede’ op de nieuwswebsite Apache , trekken we naar Leuven voor een gesprek met Prof. Danny Wildemeersch.

Hij is als gewoon hoogleraar verbonden aan de faculteit psychologie en pedagogie van de KULeuven en maakt deel uit van de onderzoeksgroep educatie, cultuur en samenleving. In zijn opiniestuk over beeldvorming rond armoede trok hij van leer tegen het responsalibiseringsdiscours dat opgang maakt in het publieke debat. Ook hekelde hij het feit dat anekdotische verhalen in de media veeleer medelijden dan solidariteit opwekken. Alvast twee krachtige stellingen die om meer uitleg vragen. We laten de spraakwaterval meteen aan het woord:

“Op radio en tv worden heel veel armen gevraagd om hun verhaal te vertellen. Dan is er toch iets aan de hand? Die subjectieve verhalen van armoede worden in de media breed uitgesmeerd. Heeft dat te maken met de media die een breed publiek willen bereiken? Men presenteert geen moeilijke analyses van oorzaken of achtergronden, maar komt in de plaats met concrete verhalen van mensen in armoede, die hopelijk een groot publiek aanspreken.

De media hopen dat dit een soort identificatie met de mediagebruiker voortbrengt. Men gaat er immers vanuit dat armoede verborgen of verdoken is – wat vaak ook klopt. Wanneer deze verhalen verteld worden, wordt het voor de doorsnee mediagebruiker concreter. Men kan zich dan misschien makkelijker verplaatsen in de positie van mensen in armoede. Ik denk dat dat de redenering is waarom concrete verhalen van armen zoveel aandacht krijgen. Deze anekdotiek is echter problematisch als het daarbij blijft.”

U schrijft in uw artikel op Apache dat er in de beeldvorming rond armoede vooral een gebrek aan structurele analyse van oorzaken en achtergronden is. Anekdotische verhalen wekken wel medelijden op bij het publiek, maar er wordt geen groter kader geschetst. Hoe heeft u de beeldvorming rond armoede door de jaren heen zien veranderen? Welke rol spelen de media hierin volgens u? Was het vroeger anders of beter?

“Ik denk dat de beeldvorming de laatste twintig à dertig jaar grondig verschoven is, en dat heeft te maken met veranderingen in het globale maatschappelijke klimaat.

Tony Judt spreekt in zijn boek over het politieke discours van de sociale democratie: solidariteit en herverdeling tussen mensen die het goed hebben, en mensen die het door omstandigheden (werkloosheid, ziekte enzovoort) moeilijk hebben.

Onze samenleving heeft systemen ontwikkeld om deze mensen als vanzelfsprekend te steunen. In de voorbije decennia echter zijn deze principes van solidariteit ideologisch sterk ter discussie gesteld door liberale en neo-liberale opvattingen. Gaandeweg zijn neo-liberale opvattingen dominanter geworden: individuele verantwoordelijkheid voor het organiseren van je eigen leven heeft opgang gemaakt.

De redenering die daarachter schuilt, is dat de systemen van herverdeling te bureaucratisch en niet meer te financieren zijn. Dit is een politieke verschuiving in het discours in de richting van het neo-liberale. Hieruit volgt het responsabiliseringsdiscours: de redenering dat je in de eerste plaats zélf verantwoordelijk bent als je het niet goed hebt. Als je bijvoorbeeld werkloos bent, moet je zelf actief op zoek gaan naar werk.”

Dit ‘responsabiliseringsdiscours’ komt ook sterk op in andere domeinen van de samenleving, zoals bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt of in het onderwijs. Er zijn echter ook tegenstemmen, bijvoorbeeld Jean Ziegler met zijn ‘kannibalistisch wereldsysteem’ in zijn boek ‘De haat tegen het westen’. Hij poneert dat het westers kapitalisme armoede, uitsluiting en vernedering genereert en in stand houdt. In welke zin ziet u armoede eerder als een structureel, globaal probleem, dan een individueel probleem? Kunt u daar een voorbeeld van geven?

“Om een concreet voorbeeld te geven: een paar weken geleden toonde het tv-programma Panorama hoe een Indische ondernemer in Ethopië in overleg met de regering daar voor een habbekrats enorme lappen landbouwgrond had toegewezen gekregen. Hij verbouwde onder andere rozen en rijst, niet bedoeld voor de lokale markt maar voor de markt in Europa en Amerika.

Buitenlandse investeerders zoals deze palmen eigenlijk landbouwgronden in die lokale bewoners gebruiken om hun kuddes te laten grazen. Men probeert op deze manier een nieuwe buitenlandse markt maximaal te exploiteren, waarbij men geen oog heeft voor de ontwikkeling van de lokale mensen. Integendeel, zij spelen hun gronden kwijt en worden afhankelijk gemaakt van buitenlandse investeerders. In het beste geval worden ze tewerkgesteld in een soort van loondienst. Dit soort structurele, globale processen genereert uitsluiting.”

Wildemeersch illustreert zijn punt met nog andere voorbeelden: Roemenen die onteigend werden ten gunste van buitenlandse landbouwontwikkelaars, of dichterbij, de sluiting van de Opel fabriek in Antwerpen.

Hij stelt dat ook van deze mensen wordt verwacht dat ze hun verantwoordelijkheid opnemen, terwijl het in feite structurele, wereldwijde processen zijn die ten grondslag liggen aan zeer lokale fenomenen die mensen in de armoede drijven. Hiermee wil hij echter niet gezegd hebben dat mensen in armoede helemaal geen verantwoordelijkheid dragen: burgerschap in de samenleving houdt ook inzet in op vlak van arbeid en onderwijs.

We kunnen besluiten dat hoewel mensen in armoede voor een stukje zelf inspanningen moeten leveren, het vooral globale processen zijn die armoede genereren. Dat is echter geen reden om bij de pakken te blijven neerzitten: mensen in armoede hebben nood aan extra ondersteuning. Dat brengt ons bij de volgende vraag:

Kent u concrete voorbeelden van succesvolle activeringspraktijken om mensen uit armoede te helpen?

“Mensen in armoede geraken door schaamte en een gebrek aan materiële middelen gemarginaliseerd in de samenleving. Dit soort afzondering is gevaarlijk: mensen moeten in de eerste plaats uit hun isolatie geraken.

Inspanningen om participatie aan de samenleving te bevorderen zijn heel belangrijk. Bijvoorbeeld Samenlevingsopbouw of organisaties die allochtonen verenigen kunnen deze mensen helpen deel uitmaken van ruimere sociale verbanden.

Wat me hierin echter benauwt, is dat bepaalde beleidsdiscoursen dit soort praktijken instrumentaliseert om een bepaalde visie op bijvoorbeeld de activering van werklozen te sturen.

Initiatieven die bedoeld zijn om werkzoekenden en armen kansen te geven, worden snel opgenomen in overheidsbeleid met de daarmee samenhangende vooropgestelde doelen en eisen. Dit is een moeilijkheid omdat het ten eerste voor sommige van deze mensen veel belangrijker is om te participeren aan dit soort initiatieven dan een cijfer te halen.

Ten tweede is er op de arbeidsmarkt dikwijls geen plaats voor hen. Je zit hen dan wel een schuldgevoel aan te praten, maar er is voor hen geen werk.”

U schrijft in uw artikel over ‘aandachttrekkerij in de spektakelmaatschappij’. Sensationele en/of anekdotische verhalen wekken eerder medelijden dan solidariteit op. De media worden ook steeds commerciëler: het moet almaar sneller gaan, de jacht op quotes en slogans primeert. Genuanceerde verhalen komen daarentegen almaar minder aan bod. Hoe ziet u een verandering in deze mentaliteit tot stand komen?

“Kijk- en luistercijfers zijn meer en meer de drijfveer voor de bepaling van de inhoud van programma’s en de manier waarop thema’s aan bod komen. Om een voorbeeld te geven, vanmorgen hoorde ik op een seminarie dat de directeur van het Franse tv-station TF1 de programmatie zo organiseerde dat hij advertenties van Coca Cola aantrok. In feite is dit een omgekeerde logica: men organiseert programma’s louter in functie van het aantrekken van adverteerders.

Deze commerciële redening is zo wijdverbreid en sterk dat het moeilijk wordt om hier verandering in te brengen. En dit geldt ook voor de openbare omroepen. Er zijn wel kritische stemmen in de media – zie het voorbeeld van Panorama van daarnet – maar toch. Ik zie een belangrijke rol voor de openbare omroep hierin, maar de overheid moet de ruimte creëren zodat de openbare omroep kan functioneren zonder volledig afhankelijk te zijn van de markt.

Publieke financiering kan zo de ruimte creëren om programma’s te maken die niet de nood voelen om naadloos aan te sluiten op wat men denkt dat de smaak van de publieke opinie is.”

Wat vindt u ervan dat etnisch-culturele minderheden veel meer in armoede leven dan ‘autochtonen’ terwijl er toch zeer weinig aandacht aan wordt geschonken in zowel beleid als berichtgeving?

“Het is inderdaad confronterend. De media, beleid en ook onderzoek richten zich vooral op ‘witte’ populaties. In verband met allochtonen maakt men steeds weer een ‘culturele’ analyse: men focust vooral op verschillen in religie, traditie, afkomst, cultuur enzovoort. Ook het discours van ‘bedreiging’ en islamofobie maakt opgang.

De hele problematiek van ‘vreemden’ of ‘allochtonen’ in onze samenleving wordt gereduceerd tot een culturele kwestie. Bovendien wordt dit op een zeer moraliserende manier ingevuld: onze samenleving verbrokkelt en dat heeft dan te maken met de aanwezigheid van deze ‘vreemdelingen’ die zich dan niet willen integreren. Eigenlijk komt dit neer op een assimilatiediscours.

Ook in het onderwijs wordt hier sterk op gefocust. Net zoals in het debat over armoede, wordt ook hier geen structurele maar een culturele analyse gemaakt. Als dit de insteek is, zullen de beleidsinstrumenten ook navenant zijn natuurlijk. Sociaal-economische analyses worden zelden gemaakt.

In Brussel bijvoorbeeld groeien 35 à 40 procent van de kinderen op in gezinnen waarvan beide ouders werkloos zijn. Welke kansen hebben deze kinderen dan om via onderwijs in reguliere jobs terecht te komen? De kans is zeer groot dat deze situatie van armoede gereproduceerd wordt, door economische omstandigheden en uitsluiting op de arbeidsmarkt, eerder dan door culturele factoren.

Als de overheid ouders dan aanmaant om hun verantwoordelijkheid op te nemen zodat hun kinderen slagen in het onderwijs, is dat een zeer beperkt instrument. Ten dele heeft dit wel zin, maar tegen de achtergrond van de ruimere economische processen is dit water dragen naar de zee.”

Om af te sluiten met een klassieker, vragen we hem wat hij aan armoede zou doen als hij bevoegd minister was:

“Beperk de armoedeproblematiek niet tot culturele mechanismen, maar maak er een breder beleid van. Zorg dat mensen toegang hebben tot convenabele huisvesting en arbeid zodat ze niet in armoede moeten blijven hangen. Uiteraard gaat het dan ook over onderwijs.

De samenhang tussen al deze elementen is van cruciaal belang. Minister Lieten is coördinerend minister van armoede, dus zij is bevoegd om deze domeinen met elkaar te verbinden. Het discours gaat echter meer en meer in de richting van responsabilisering en culturele factoren. Ik denk dat de beleidsmakers zich relatief onmachtig voelen om de structurele oorzaken aan te pakken, en ze daardoor zich richten op ‘gemakkelijke’ oplossingen: de schuld bij individuele mensen leggen.

Ik begrijp wel dat ze voelen dat ze geen hefbomen hebben om structurele maatregelen te treffen. Ook op Europees niveau worden culturele analyses gemaakt, dus ik begrijp wel dat federale of Vlaamse overheden zich onmachtig voelen. Het is dus zaak om op internationaal en Europees niveau ook andere beleidsmaatregelen te ontwikkelen, maar ik besef dat dat titanenwerk is.

Ik stel bijvoorbeeld vast dat de Europese commissie immers ook sterk gericht is op commerciële marktprincipes, die ze wil toepassen op domeinen die vroeger tot de publieke voorzieningen behoorden: vermarkting en privatisering van bijvoorbeeld telefonie, communicatie, media, openbaar vervoer worden gestimuleerd om ze commercieel rendabel te maken. Dit gaat ten koste van andere principes zoals zorg dragen voor elkaar en de samenleving.

Het is een heel andere filosofie. Het is dus belangrijk dat het beleid uit het eenzijdige neo-liberale vaarwater geraakt, wat een heel andere mentaliteit vraagt van zowel het beleid als de bevolking. Vandaar het belang van de media die kritische vragen blijven oproepen.”
Teru

http://www.kifkif.be/actua/dossier-armoede-beeldvorming-rond-armoede-interview-met-danny-wildemeersch