Een Europese geschiedenis van beeldvorming en racisme

09-09-2008 | Maly, Fraihi, Neudt & Zemni

 21/03/2006 -  “There is nothing new about the ‘other’ as an object of discourse.” Blommaert &Verschueren –Debating Diversity     

Naar aanleiding van de dag tegen racisme, is het belangrijk om stil te staan bij de mechanismen van dit maatschappelijk fenomeen. Racisme en beeldvorming zijn woorden die om de haverklap gebruikt worden in het maatschappelijk debat. Hoewel deze concepten door iedereen gekend zijn, valt op dat in het gebruik van deze concepten vaak verschillende betekenissen schuilen. Racisme wordt vaak herleid tot expliciet racisme, gewelddadige uitingen van racisme of racisme als een eigenschap van één individu, iemand is racistisch of is het niet. De link tussen beeldvorming, macht en racisme wordt vaak niet gelegd. Het ideologisch karakter van racisme wordt vaak niet of onvoldoende erkend. In het kader van dit artikel spitsen we ons toe op racisme in de Europese traditie, dit betekent echter geenszins dat racisme beperkt blijft tot Europa, het is een fenomeen dat we wereldwijd kunnen terugvinden.  

De geschiedenis van het concept racisme[i].

Het concept racisme is zeer nieuw: “The word did not exist during the eighteenth and nineteenth centuries, the period during which the ideology that we call racism was systematised in European thougth. (…) it is first used in the English language in the 1930’s” [ii].

Het concept was vertaald uit het Duits waar het iets eerder verscheen, parallel met publicaties in het Frans. In de Van Dale van 1954 (laatste herziene druk 1948) komt het concept “ras” wel voor maar racisme wordt nog niet vermeld. In deze vormen van racisme, zoals het woord zelf al doet vermoeden, wordt vanuit biologische theorieën een hiërarchisch verschil gemaakt tussen mensen op basis van ‘raciale kenmerken’. Het ene ras is superieur aan het andere door het poneren van criteria die als essentiële kenmerken van de eigen groep worden afgeschilderd.  

Het concept krijgt zijn eerste betekenis gedurende de late jaren dertig en veertig van vorige eeuw. De evolutie in Duitsland, waar de rassentheorie in volle opgang is, lokt intellectueel protest uit en het concept racisme krijgt zijn eerste betekenis. Verschillende Europese wetenschappers en intellectuelen ontkennen de wetenschappelijke validiteit van het concept en bevechten het. In deze context definieert Ruth Beenedict racisme in 1942 als “the dogma that one ethnic group is condemned by nature to cengenital inferiority and another group is destined to congenital superiority’’[iii] Het eerste slachtoffer van deze rassentheorie is de joodse bevolking. Banton accentueert het idee van racisme als een ideologie die postuleert dat rassen bestaan als aparte en permanente biologische scheidingen in de mensheid die gerankt kunnen worden in een bepaalde hiërarchie.

  Deze definiëring is een kind van zijn tijd, het concept focust zich op de ontwikkelingen van destijds, maar schiet tekort om gelijkaardige fenomenen te duiden die zich lang voor 1940 hebben afgespeeld. Er is immers een lange traditie van de constructie en de reproductie van een negatief beeld van moslims, Afrikanen en joden.

Deze constructies voorzien telkens in het plaatsen van groepen op een hiërarchische trap. Van primitief naar geëvolueerd, van achterlijk naar superieur, deze bevolkingen worden initieel niet gelabeld met het concept ‘ras’ maar vaak op basis van religie. De bijbel geldt destijds als maatstaf om bevolkingen te ordenen, het resultaat blijft gelijk. We labelen de ‘ander’ als fundamenteel anders volgens duidelijke dichotomieën als superieur/achterlijk, beschaafd/barbaars, dierlijk/gecultiveerd, … net zoals in het antisemitische racisme.  

De UNESCO verandert in de tweede helft van de twintigste eeuw de definiëring van racisme op basis van de resultaten van vele comités van wetenschappers die onderzoek voeren naar het concept racisme. Een van de belangrijkste leden van deze comité‘s definieert racisme op basis van de gelijkenissen tussen verschillende vormen van racismen die hij bestudeert heeft en stelt vast dat “the common element in all these theories is that they see the connection between membership of a particular group an of the genetically related sub-groups (i.e. families and lineages) of which that group is compounded and the possession of evaluated qualities as completely deterministic.” [iv] Racisme is met andere woorden een ideologie, die plastisch is en evolueert.  

De verschuiving van ras naar cultuur [v]

Het ‘oude’ racisme, dat zich baseert op biologische verschillen, ruimt steeds meer plaats voor een ‘nieuw’ racisme dat gebruikmaakt van kernbegrippen als cultuur of beschaving. Het ‘nieuwe’ racisme vervangt een indeling van mensen volgens een rassenhiërarchie door een culturele rangorde. Mensen met specifieke uiterlijke kenmerken als huidskleur, haarkleur of haartype, behoren niet langer tot een bepaald ‘ras’, maar worden teruggebracht tot een cultuur of beschaving. Zeker na de langdurige antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika zijn raciale classificaties sterk in diskrediet geraakt

Toch zien we nog heel vaak overblijfselen van het ‘oude’ of ‘klassieke’ racisme wanneer bijvoorbeeld mensen op basis van hun uiterlijk de toegang wordt geweigerd tot scholen of dancings. Sommige toeschouwers gaan zelfs apengeluiden na-apen of gooien bananen naar donker gekleurde sportmensen. Het ‘klassieke’ racisme is niet verdwenen, integendeel het is alomtegenwoordig. Het ‘nieuwe’ racisme echter is niet zo grof. Het is veel subtieler, minder cru en daarom juist veel efficiënter. Het ‘nieuwe’ of culturele racisme zoekt zijn ideologische verantwoording voor onrechtvaardigheden en ongelijkheden niet in het biologisch determinisme, maar in het cultureel determinisme.  

In de zeventiende en achttiende eeuw werden raciale categorieën gebruikt om de slavernij te rechtvaardigen, in de negentiende en twintigste eeuw om het kolonialisme te verdedigen. Hedendaagse racistische theorieën hanteren culturele categorieën om de uitsluiting van specifieke groepen goed te praten. Ze gebruiken culturele verschillen om discriminatie te verantwoorden. Zo wordt de ongelijke situatie van allochtonen op de arbeidsmarkt, het onderwijs en allerlei andere terreinen toegeschreven aan de culturele achtergrond of de culturele identiteit van allochtonen. Hun cultuur is de oorzaak van hun maatschappelijke achterstelling.

Armoede, werkloosheid en taalachterstand worden een gevolg van hun culturele eigenheid. Zelfs zaken als criminaliteit en intelligentie zijn volgens deze visie cultuurgebonden. Culturele verschillen worden als onverzoenbaar of onoverbrugbaar voorgesteld. ‘De migrantencultuur staat elke integratie in de weg’, een uitspraak van de Vlaamse socialistische voorman Robert Voorhamme, is hiervan een voorbeeld. Er ligt ongetwijfeld een opvatting over cultuur als statisch, onveranderlijk gegeven aan ten grondslag. Terwijl culturen door de jaren heen heel wat metamorfoses ondergaan, en dus dynamischen veranderlijk zijn. Cultureel racisme is niet alleen een gevolg van uitsluiting en onderdrukking, maar ook een middel om de uitsluiting, onderdrukking en overheersing in de hand te werken en te rechtvaardigen. Via het culturele racisme zoekt de overheersende groep een bevestiging van zijn eigen superioriteit door de andere cultuur te onderwerpen aan eigen interpretatieschema’s. De dominante cultuurgroep stelt de norm, de eigen denktradities worden maatgevend.

Meer nog, het denken van de overheersende groep krijgt een universeel karakter, het wordt gepresenteerd als goed voor de hele wereld.   Robert Miles concludeert dan ook na uitvoerig onderzoek naar de geschiedenis van racisme dat “(…) racism is a form of ideological signification which constructs a social collectivity as a discrete and distinct, self-reproducing population by reference to certain (real or imagined) biological characteristics which are purported to be inherent, and which additionally attributes the collectivity with other negatively evaluated (biological and/or cultural) characteristics.”[vi]Dit impliceert dat het bestaan van rassen of het gebruik van het concept ras helemaal niet noodzakelijk is om een gedachtegoed als racistisch te identificeren, ook cultuur of andere concepten kunnen gebruikt worden als  kapstokken om racisme te prediken .  

Racisme is een ideologie van maatschappelijke ongelijkheid gestoeld op een gepercipieerde afwijkende groepsidentiteit. Racisme gaat steeds gepaard met een scheiding tussen twee groepen en vervolgens het afwijzen van die andere groep. De kapstok van deze afwijzing kan verschillen naargelang het slachtoffer, de tijd en de context. In die zin spreken we dan ook beter over racismen. Dergelijke racismen gaan steeds gepaard met gelijkaardig opgebouwde beelden en constructies van de betrokken partijen. De definiëring van de ‘ander’ staat steeds in nauwe relatie met de zelfdefiniëring.

De ‘ander’ wordt meestal omschreven in wat wij niet (meer) hebben of niet meer zijn. In die zin vertelt de beeldvorming over de ‘ander’ waarschijnlijk meer over de eigen identiteit dan over die ‘ander’. Hoe het ook zij de ‘ander’ neemt doorheen de geschiedenis een belangrijke plaats in.  

Racisme en beeldvorming

De beeldvorming over de ‘ander’ kent een lange traditie. De huidige beelden zijn dan ook niet  het resultaat van het toeval of een speling van het lot, maar verraden onderliggende hardnekkige structuren en ongelijkheden. De parallellen tussen de huidige beeldvorming en deze over vb. de joden in de jaren dertig, de indianen bij Columbus, de Arabieren bij de kruisvaarders of de beeldvorming over Afrika ten tijde van de koloniale veroveringen, zijn opmerkelijk.

Ten grondslag van deze beelden ligt telkens een lineair cultureel –evolutionisme, waarin men volkeren, rassen of wat dan ook hiërarchisch rangschikt volgens de stand op de evolutionaire ladder. Dit denken wordt soms ondersteund door ‘wetenschap’ dan eens door religie. De mechanismen en de gevolgen zijn echter snel duidelijk en opmerkelijk gelijkaardig doorheen de geschiedenis.  

De ‘Indiaan’ Met de ‘ontdekking’ van Amerika ontstaat een dominant beschavingsdiscours, dat de Indiaan verplicht om zich in te passen in de behoeften van de overheerser. In ruil hiervoor ontvangen zij de zegeningen van de Westerse (Christelijke) beschaving. Het beeld van de Indiaan is er één van een natuurmens die geen wet, geen bestuur bezit of tempel heeft. Dit verandert natuurlijk met de ontdekking van de imperia van de Azteken en de Inca’s, het beeld van de onbeschaafde wilde blijkt hier niet te kloppen. Dit veroorzaakt een lichte verschuiving in de beeldvorming: ze blijken de rede te kennen, maar dit gaat tevens gepaard met fenomenen als menselijke offers en kannibalisme.


  “Ze zijn dus geen echte barbaren, maar evenmin zijn zij in het volledige bezit van de redelijkheid. Aldus verklaart Vitoria hun rationele vermogens onrijp: ze zijn net als kinderen, en moeten daarom –in hun eigen belang- door de Europeanen bevrijdt worden uit hun slechte gewoonten en tot een juiste kennis van de natuurlijke orde van het universum gebracht worden.”[vii]   Ook bij ‘de indiaan’ zien we opnieuw de continuïteit van het beeld van de ‘ander’, ook nu worden de beelden van de bekende ‘ander’ geprojecteerd op de ‘indiaan’.

Ton Lemaire stelt in zijn boek “De indiaan in ons bewustzijn” dat dit beeld voornamelijk geënt is op het beeld van de ‘heks’ in Europa. Dergelijke beelden blijven nazinderen in Europa tot in de 20ste eeuw, denken we vb. aan de programmaboekjes van de Wild West Show waarmee Buffalo Bill van april 1883 tot november 1916 in Europa rondtrekt. De aandacht gaat in deze boekjes voornamelijk naar de ‘opmerkelijke’ prestaties van Buffalo Bill, de indiaan werd omschreven als ‘les indiens hostiles’, ‘les habitants primitifs’, ‘les Peaux rouges cruels of ‘les ennemis irréconciliables’.[viii]     De Arabier Met de kruistochten ontwaken Europese landen uit de Middeleeuwen en worden zij geconfronteerd met een hoogontwikkelde Arabische cultuur. Veel zaken worden overgenomen, denken we maar aan ‘onze’ universiteiten, de Griekse filosofen, de geneeskunde, de algebra, maar ook aan de cheque, de pyjama, lingerie, papier, …

Er ontstaat een paradoxaal beeld over ‘de’ islam, en de Arabische culturen. “De Europeanen beschouwden de Moren en Saracenen als vreemden, vaak als vijanden, maar ze keken er ook naar op en gingen cultureel bij hen in de leer.”[ix]  ‘De’ islam is eeuwenlang de bedreigende en tegelijkertijd ook de fascinerende ‘ander’.

Het beeld over de islam wordt voornamelijk gekleurd door exotische beelden, zoals de harem, polygamie, buikdanseressen … De Oriëntaalse schilders maken vooral werken van dingen die ze niet konden zien. De harem is ook voor hen verboden; de beelden die zij ons presenteren, komen rechtstreeks uit hun verbeelding. Deze mythen fascineren tot op vandaag.     Vanaf de kruistochten gaat de kennis van de islam gestaag vooruit en ook de beeldvorming over de islam is relatief positief en zal tot de Romantiek in deze vorm blijven bestaan. Later met de kolonisatie ontstaat ook een nieuw wetenschappelijk vakgebied namelijk het oriëntalisme en komt er ook een kentering in de beeldvorming over de islam.

Dit vakgebied bestudeert de moslimbeschaving als een vreemd studieobject, een voorwerp dat niets te zeggen heeft. Dit leidde tot een enorme opstapeling van ‘kennis’ met als doel de ‘ander’ te kennen, te beheersen en zo efficiënt mogelijk te koloniseren. E. Said stelt in zijn beroemde studie naar het oriëntalisme vast dat “Orientalism can thus be regarded as a manner of regularized (or Orientalized) writing, vision, and study dominated by imperatives, perspectives, and ideological biases ostensibly suited the Orient.”[x]Deze nieuwe tak is een feitelijke voorstelling van het machtsoverwicht van het Westen op de Oriënt, het is een cultureel apparaat van agressie, activiteit, beoordeling en kennis, maar het is ook een politieke operatie. Het apparaat diende de imperiale dromen te legitimeren, te normaliseren en efficiënter uit te voeren.  

Deze houding is zeer sterk terug te vinden bij de pioniers van de menswetenschappen: “in de 19de eeuw – de eeuw van het Europese kolonialisme, maar niet toevallig ook de periode waarin de Europese mens-, geestes- of cultuurwetenschappen (filologie, vergelijkende taalkunde, geschiedenis, vergelijkende godsdienstwetenschap, enz.) tot ontwikkeling kwamen – , werd dit anti-islamisme door leidinggevende academici en intellectuelen gerationaliseerd en geradicaliseerd tot een ideologische justificatie voor de Europese koloniale oorlogen.”[xi]De Duitse historicus Theodor Mommsen omschrijft de islam als de “Beul van het Griekendom” [xii]. Ook vooraanstaande intellectuelen als Renan moeten hier niet voor onder doen: “ L’islam est le dédain de la science, la suppression de la sociéte civile, c’est lépouvantable simplicité de l’esprit sémitique, rététcissant la cerveau humain, le ferment à tout idee délicate, à tout sentiment fin, à toute recherche rationnelle, pur le mettre au service d’une éternelle tautologie: dieu est dieu.”[xiii]  

De Afrikaan

n de loop van de 16 tot de 19de eeuw evolueert de beeldvorming over Afrika naar uiterst negatief. Dit fenomeen heeft niet zozeer te maken met het veranderen van de Afrikaanse bevolking, maar veeleer met intern Europese ontwikkelingen. In het zog van de ontwikkeling van het kapitalisme, de wetenschappen en de joods –christelijke traditie ontstond het beeld van de goddeloze wilden, de dierlijkheid van de Afrikanen, de ongebreidelde seksualiteit van de Afrikaan, het kannibalisme enz.

  Corbey heeft in zijn boek “Wildheid en beschaving” de Europese verbeelding van Afrika” een collectie koloniale prentkaarten geanalyseerd in hun historische context. De prentkaarten geven ons een niet mis te verstaan beeld van een vrouwelijk, donker dierlijk, seksueel en wild Afrika. Afrika wordt het tegengestelde van hoe Europa zichzelf ziet, wild ten opzichte van beschaafd, impulsief tegenover beheerst, vrouwelijk tegenover mannelijk, dierlijk tegenover menselijk, heidens tegenover christelijk, natuur tegenover cultuur, …   

Dit beeld past perfect in het beschavingsdiscours: de Europeaan is de vertegenwoordiger van een hogere cultuur. Het beeld van de Afrikaanse ‘ander’ is een gevolg van het zelfbeeld van de Europeaan: de ander is hoe wij niet (willen) zijn of niet meer zijn. De constructie van de ‘ander’ is dus nauw verweven met de eigen identiteit en met economische en politiek-strategische doelstellingen, namelijk de kolonisering van Afrika: “Deze Europese verbeelding van Afrika leverde een aantal Europese volken een ideologische rechtvaardiging voor de inbezitneming en exploitatie van grote gebiedsdelen in Afrika. ‘De’ Afrikaan werd gezien als kinderlijk en irrationeel, waardoor het voor de hand lag dat de volwassen, rationeel denkende Europeaan hem de helpende hand reikte.”[xiv] Het 19de -eeuwse Europa ziet zichzelf als de drager van de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap die gebruikt worden om de eigen superioriteit te verklaren.

  We zien dus dat er een lange continuïteit is in de voorstellingen van de ‘ander’. De ‘ander’ wordt steeds gedefinieerd als een tegengestelde aan ons. Zij zijn wat wij niet (meer, willen) zijn. Daarnaast zien we ook de link tussen de invulling van het beeld en de uitbouw van Europa, als (verzameling) economisch projecten. We zien met andere woorden een directe link tussen ideologie en economie. Beelden ontstaan niet per toeval maar verraden een structuur achter de toevalligheden. Door het beschavingsdiscours definieert Europa niet alleen zichzelf en de ander maar verwerft zij ook macht over de ‘ander’, normaliseert zij de kruistochten en de verovering en kolonisering van Amerika, Afrika en het Midden -Oosten. In naam van de beschaving zijn tal van gruwelijke schendingen van de mensenrechten gebeurd en wordt het koloniaal streven gelegitimeerd.   De jood De opgang van het herderiaans nationalisme aan het einde van de negentiende eeuw gaat in Europa gepaard met een opleving van antisemitisch geweld. Dit antisemitisme is vanaf het einde van de 19de eeuw tot 1945 zeer populair in de Europese landen en in het bijzonder Frankrijk en Duitsland. De Dreyfusaffaire, is een bekend voorbeeld van het Franse antisemitisme. De kapitein Dreyfus wordt er onterecht van beschuldigd informatie doorgegeven te hebben aan het Duitse opperbevel, hij wordt niet verdacht door de bewijzen, maar door het feit dat hij joods is. Het antisemitisme is de dominante ideologie die joden definieert als één groep en op basis van de gepercipieerde groepsidentiteit afwijst en discrimineert.

  De opgang van het raciale denken versterkt dit antisemitisme verder en geeft er een nieuwe raciale dimensie aan. “Rond 1854 schrijft de Franse schrijver en diplomaat Graaf de Gobineau zijn Essai sur l’inégalité des races humaines. Volgens hem zijn slechts bij het blanke of arische ras, dat hij als schepper van de beschaving ziet, de hoogste menselijke deugden te vinden.”[xv] De ganse rassentheorie is erop gericht om van de jood de laagste ‘ander’ te maken. De jood wordt geprojecteerd op de laagste trap van de ‘culturele en raciale evolutie’. Joden worden gezien als een soort pest: zij zouden alle macht in handen hebben en de wereld hun wil opleggen, de rassentheorie definieert de joden als een minderwaardig ras... kortom de joden waren de schuldigen van alle kwaad. Dit denken wordt weerspiegeld in de kranten, cartoons en instellingen.  

Het essay van De Gobineau heeft een grote invloed gehad op de antisemitische nazi –ideologie in Duitsland. Hitler gebruikt de aanwezigheid en de aanvaarding van het antisemitisme in Duitsland in zijn politiek propaganda. Door een goed geoliede propagandamachine circuleert het antisemitisme vrij en dominant. Na de machtsovername van Hilter in 1933 wordt de rassentheorie en het antisemitisme in het bijzonder in zijn uiterste vorm toegepast. De Duitse joden worden door de Neurenbergse rassenwetten tot rechteloze burgers gemaakt, het racisme ten aanzien van joden groeit gestaag en leidt tot de moord op ongeveer zes miljoen Europese joden in concentratiekampen.  

Racisme en beeldvorming Is racisme vandaag verdwenen of verbannen uit onze maatschappij? Uiteraard niet. Vandaag verschuilt het racisme zich en neemt het andere vormen aan. Het is duidelijk doorheen de geschiedenis dat racisme zich niet beperkt tot het concept van het ‘biologisch ras’ als enige criterium voor racistische discriminatie. Dergelijk beelden vernauwen het concept en maken dat een hele pak gevolgen van racisme onzichtbaar blijven in onze maatschappij en dus blijven voortbestaan. De nauwe relatie tussen racisme en beeldvorming blijft onderbelicht Er wordt vaak vergeten dat racismen ideologieën zijn, ideologieën van maatschappelijke ongelijkheid.   Dergelijke ideologieën legitimeren ongelijkheid, ze maken ze normaal. Dit artikel heeft racisme benaderd als een ideologie, als een reeks denkbeelden die verstrengeld zijn in instellingen, instituten en evenementen. Het nieuwe racisme recupereert alle oude en gekende praktijken van demonisering en uitsluiting van de Andere zoals in het oude racisme. Racistische ideologieën zijn lang niet uitgeroeid en oude demonen zoals het antisemitisme steken terug de kop op, maar ook nieuwe vormen zoals antimoslim racisme zijn dominant aanwezig.  

Hardnekkige beelden

De oude beelden blijven bestaan, racismen, net zoals ideologieën fluctueren, soms zijn ze dominant in andere perioden eerder marginaal, ze verdwijnen echter zelden volledig.

  Zo blijft het idee van de domme indiaan overeind in Hollywoodfilms en bijvoorbeeld in kinderstrips zoals Suske en Wiske (het zoemende ei: uitgave 1980). Ook in de hollywoodfilms zijn nog altijd talloze voorbeelden te vinden van de tweedeling: de indiaan is de slechte, de blanke cowboy is de held. Dit is ook het geval in blokbusters zoals “Dances with Wolves”. Kevin Costner toont dan wel veel respect voor de indianen, tegelijkertijd bevestigt de film nagenoeg alle clichés en blijft de blanke man de zegevierende held. Danny Wyffels vat de voorstellingswijze van indianen in humoristische stripverhalen als volgt samen: ‘Ze zijn dom en wreed, praten koeterwaals, cirkelen graag met wilde kreten rond huifkarren en staan altijd klaar om zonder reden de onschuldige blanke striphelden te scalperen of aan de martelpaal te binden.’[xvi]  


  Suske en Wiske reproduceert systematisch beelden van primitieve culturen en telkens worden zij afgebeeld als onbeschaafd, vaak dom en irrationeel vol verwondering. Denken we maar aan de beelden die populaire strips ons geven van het Afrikaanse Continent. In de Suske en Wiske–strip “De vliegende aap“ komt dit zeer nadrukkelijk naar boven.


  De ‘ander’ wordt doorheen de strip afgebeeld als kinderlijk, naïef en wereldvreemd. Suske en Wiske en hun club worden afgebeeld als voorbeelden van het Westen: zij kennen de wet, de mensenrechten en beschaving. Dit beeld staat diametraal ten opzichte van het beeld van de ‘ander’: zij bezondigen zich nog aan kannibalisme. De ander wordt ingevuld in relatie met onze eigen verklaarde superioriteit. Wij hebben beschaving, zij zijn wilden, primitieven. De ander wordt gedefinieerd met wat zij niet hebben ten opzichte van ons. De Afrikanen worden omschreven en gemeten met onze normen. Ze dragen geen of te weinig kleding, hebben geen geschiedenis, geen schrift geen zelfdiscipline geen industrie. Ze zijn seksueel losbandig. We krijgen dus een beeld van een clichématig Wij ten opzichte van een Zij.    

Het onverholen exotisme waarbij het koloniale wereldbeeld overeind blijft scoort ook vandaag nog altijd goed. Het rolmodel was hier Josephine Baker, het banana-meisje: zij ziet haar acts als een kritiek op het denken van de Westerse man: ze geeft wat ze denken te zien. Zo belandt ze echter ook in legitimering van exotisme: zij wordt de verbeelding van de Afrikaan en heeft zo enorm succes: ze wordt ingepast in het Westerse denken. Haar voorstellingen worden verkocht als kunst, maar het publiek blijft haar als primitief beschouwen. Ook al danst Baker met verfijnde (Westerse) danstechnieken ze blijft gezien worden als toonbeeld van de Afrikaanse dans, als primitief, als een seksueel object, … Chiquita heeft dit beeld met succes overgenomen voor reclamedoeleinden.  

Ook het multiculturele festival Couleur Café ontsnapte enkele jaren terug niet aan het exotisme en reproduceerde het icoon voor de zoveelste maal. Net zoals de indiaan opgevoerd werd in de Wild West Show van Buffalo Bill, de tentoonstelling van ‘de Afrikaan’ op talloze wereldtentoonstellingen, vormt Afrika, “het wilde en donkere continent”, vandaag terug het decor en levert het de figuranten voor talloze dubieuze reality-shows. In deze shows wordt kost wat  kost opnieuw een duidelijk beeld geschapen van ‘de primitieve Arikaan’ de goedlachse, onbeschaafde sukkelaar’.    

De islam terug

Na het begraven van de hamer en de sikkel eind jaren tachtig van de vorige eeuw in het voormalige Oostblok, kenden we in Europa een sterke opkomst van extreem-rechts. Uit vrees voor een onzekere toekomst en vanuit een conservatieve reflex stemden mensen op rechtse partijen. Deze partijen richtten hun pijlen op wat zij de ‘vreemdelingen’ noemden. ‘Vreemdelingen’ die in hun ogen de incarnatie zijn van de achterstelling van het ‘eigen volk’ en verantwoordelijk zijn voor de aantasting van de eigen welvaart en de eigen culturele identiteit. Het was een opmerkelijke verschuiving. De angst voor de goddeloze bolsjewieken evolueerde naar een vrees overspoeld te worden door een eindeloze massa migranten. Met de aanslag op het symbolisch hart van de commerciële wereld in New York op 11 september 2001 zagen we een tweede verschuiving van het vijandsbeeld. Niet langer de migranten in het algemeen, maar de moslims in het bijzonder namen de rol van de vijand over. Een algemene angst voor het vreemde maakte plaats voor een specifieke afkeer van moslims. Van xenofobie naar islamofobie.

Nu lijkt het soms wel of we te maken hebben met een vijfde colonne, een horde aspirant-terroristen bereid om hun kromzwaarden in te ruilen voor geavanceerde bommen. Klaar om de Europese beschaving onder de voet te lopen. Zeker na de dramatische gebeurtenissen in New York, Bali en Madrid zijn moslims voor islamofoben de belichaming van het kwaad. Spookvoorstellingen waarbij de westerse levenswijze en verworvenheden worden bedreigd gaan er in als zoete koek.   De huidige ‘andere’ bij uitstek is vandaag ‘de moslim of de islam’. De discussie over de islam is zowel nationaal als internationaal een heet hangijzer geworden sinds de val van de Berlijnse Muur, de aanslagen van 11 september, Madrid en Londen en ook de cartoonhetze zorgde voor een katalysator. De tegenstellingen worden steeds meer belicht. Ook hier zien we terug continuïteit van het beeld van de ‘ander’: de laatste ander was het communistische blok. Toen werden de ‘superieure’ waarden van het Westen: vrijheid, vrije markt en democratie bedreigd door het communisme.  

Wie herinnert zich niet de slagzinnen: ‘de goddeloze rode horden’, ‘de angst voor de rode vloedgolf’. Deze rol wordt nu de Islam, vaak in één zin genoemd met fundamentalisme en terrorisme, opgedrongen. Net zoals met alle beelden van de ‘ander’ wordt ook de islam (men bedoelt moslims) geconstrueerd als ons tegengestelde: ondemocratisch tegenover democratisch, vrouwonderdrukkend tegenover emancipatorisch, fundamentalistisch tegenover vrij, gevaarlijk tegenover veilig, achterlijk tegenover beschaafd, …

De dualiteit en het exotisme zijn vandaag verdwenen: de islam lijkt opeens vijand nummer één geworden. Onze premier stelt in 1993 dat “De vraag is of de Islam wel in overeenstemming te brengen is met de liberale democratie en de vrijheid, de verdraagzaamheid, de verscheidenheid en het tegensprekelijk debat zonder dewelke geen open samenleving mogelijk is.”[xvii]    Ook onze premier herleidt de islam tot het tegengestelde van onze samenleving: is het niet opmerkelijk dat hij de islam en moslims niet erkent als een onderdeel van onze samenleving. Paula D’Hondt verwoordt het subtieler, maar de onderliggende premissen blijven overeind: “Ik weet niet of het een fout was de Islam te erkennen. Ik weet wel dat het een fout was het op zo’n ondoordachte manier te doen, zonder de gevolgen voor dit kleine landje in te schatten.”[xviii]Ook Paula D’Hondt ziet voornamelijk gevaar in de ‘islam’, met de islam moet je voorzichtig omgaan en oppassen met de rechten die je het geeft.  

Het Vlaams Blok surft behendig mee op de golven van het antimoslim -racisme en de algemene groeiende xenofobie. Deze blokspraak is in het laatste decennium opgeschoven van de marge naar de kern van de politieke macht. De globalisering versterkt het anti–islamitisch discours en onze moslims wordt gewantrouwd, gezien als een bedreiging. Dit discours wordt wijdverspreid in onze geglobaliseerde samenleving en gedragen door een grote groep van de intellectuele en politieke elite en vele opiniemakers in de media. De formatlogica en de sensatiezucht van deze media versterkt op haar beurt nogmaals de verspreiding van dergelijke beelden.  

Racisme en beeldvorming, een blijvend kwaad

De mechanismen die Bauman de antropo-fasie en de antropo-emy noemt worden steeds duidelijker. Met de antropo-fasie verwijst Bauman letterlijk naar het kannibalisme, namelijk de tendens om de vreemdeling/moslim te negeren in zijn vreemd zijn en hem tot een “wij” te maken door middel van assimilatie. Antropo-emy betekent letterlijk ‘overgeven’ en dus, bij uitbreiding, de tendens om de vreemdeling uit te spuwen of uit te sluiten.   D

e kracht van het hedendaags racisme, stelt Bauman, schuilt in de gelijktijdigheid van de twee strategieën. Het racisme is vandaag zo efficiënt omdat het, enerzijds, de ‘vreemdeling’/ ‘moslim’ voorstelt als iemand die ‘ons’ kan worden maar dan enkel doordat hij zijn eigenheid en zijn andersheid negeert in het beste geval, ridiculiseert in het slechtste. Anderzijds wordt de vreemdeling uiteraard ook gediscrimineerd, uitgebuit en uitgesloten. Het paradoxale in deze vorm van racisme is dat de slachtoffers ervan omgetoverd worden tot agressors. Het is opeens de racist die zichzelf ziet als het slachtoffer van de ‘kwade bedoelingen’ van de vreemdeling; die er op uit is om ‘onze’ natie, ‘onze’ maatschappij te ondermijnen. Of, anders gezegd, de vreemdeling steelt ‘onze’ jobs maar tegelijkertijd zuigt hij ‘onze’ sociale zekerheid als werkloze leeg.  

We zien dus dat er een lange continuïteit is te bespeuren is in de voorstellingen van de ‘ander’. De ‘ander’ wordt steeds gedefinieerd als een tegengestelde aan ons; zij zijn wat wij niet (meer, willen) zijn. Daarnaast zien we ook de link tussen de invulling van het beeld en de uitbouw van Europa, als (verzameling) economisch projecten. We zien met andere woorden een directe link tussen ideologie en economie. Beelden ontstaan niet per toeval maar verraden een structuur achter de toevalligheden en resulteren in racisme. De gevolgen van deze ideeën blijven niet beperkt tot een onschuldige grap maar monden uit in ongelijke posities in onze samenleving, in het behandelen van mensen als tweederangsburgers. Het produceren en reproduceren van racistische theorieën spreekt hierbij boekdelen. De strijd tegen het racisme is nog lang niet uit gestreden, integendeel racisme dringt terug door tot de kern van de macht.  

Noten

[i] Gebaseerd op het onderzoek van Miles R., 1993: Racism after ‘Race relations’, Routledge, London/New York [ii] Miles R., 1993: Racism after ‘Race relations’, Routledge, London/New York [iii] Miles R., 1993: Racism after ‘Race relations’, Routledge, London/New York [iv] Miles R., 1993: Racism after ‘Race relations’, Routledge, London/New York [v] Fraihi, T, 2004: De smaak van ongelijkheid, Meulenhof [vi] Miles R., 1993: Racism after ‘Race relations’, Routledge, London/New York [vii] Neudt D., 2002: Wij hebben een taak in Kongo. De verbeelding van Afrika bij Jef Van Bilsen. Thesis: http://cas1.elis.rug.ac.be/avrug/thesis04.htm [viii]Vanden Berghe, M., 2002: De invloed van Buffalo Bill op de beeldvorming van de indianen, thesis: http://home.planetinternet.be/~sl002226/buffalo_bill/buffalo_bill_inhoud.htm [ix] Catherine L., 1993: Vuile Arabieren, Bedlectuur voor Vlaams Blokkers, Hadewijch Antwerpen-Baarn. [x] Said, E. 1978: Orientalism. Western conceptions of the orient. Penguin. [xi] Deley, H., 1998: Islam en Europa: deel 1: De grondslagen: Islam en Hellenisme, Centrum voor Islam in Europa. [xii] Deley, H. 1998: Islam en Europa, Deel 1: De grondslagen: Islam en Hellenisme, Universiteit Gent [xiii] Deley, H. 1998: Islam en Europa, Deel 1: De grondslagen: Islam en Hellenisme, Universiteit Gent [xiv] Corbey, R;, 19 : Wildheid en beschaving. De Europese verbeelding van Afrika: Ambo [xv] Anne Frank.org: antisemitisme: http://www.annefrank.org/content.asp?PID=507&LID=1 [xvi] Vanden Berghe, M., 2002: De invloed van Buffalo Bill op de beeldvorming van de indianen, thesis: http://home.planetinternet.be/~sl002226/buffalo_bill/buffalo_bill_inhoud.htm [xvii] Verhofstadt, 1993: De weg naar vernieuwing, tweede burgermanifest. [xviii] Geciteerd uit Blommaert en Verschueren, 1998: Debating Diversity, Routledge, London/New York.

http://www.kifkif.be/actua/een-europese-geschiedenis-van-beeldvorming-en-racisme