Haatdragende opinies kwetsen geen mensen.

07-12-2009 | David Van Peteghem

 Al een geruime tijd publiceert De Standaard opinies over de rol van de islam in Europa. Op het eerste zicht geeft de krant de voorkeur aan een botsing der meningen. Toch krijgen vooral radicale ‘opinies’ tegen de islam en moslims een forum aangeboden. Die opinies worden met de maand haatdragender en maken nagenoeg elke constructieve discussie onmogelijk. De vraag luidt dan ook welke morele criteria de krant hanteert om dergelijke haatdragende opinies te publiceren.

Afgelopen weekend mocht Patrick De Witte zijn islamofobische gal uitspuwen in de Standaard. Dirk Tuypens heeft hier al de ‘opinie’ van De Witte trefzeker gepareerd. Ik wil daar niet verder op voortborduren. In plaats daarvan wil ik de aandacht vestigen op wat een opinie is. Er bestaat namelijk een hemelsbreed verschil tussen een opiniestuk en een haatdragend opiniestuk. Een opinie is een subjectief statement, een interpretatie van bepaalde feiten, van een maatschappelijke kwestie. De ene opiniemaker kan perfect beweren dat het A is terwijl de andere opiniemaker met evenveel recht kan zeggen dat het niet-A is. Er bestaan geen logische regels om een opinie vorm te geven. Men kan in principe zeggen wat men wil. Elke mening telt. Het is maar een opinie. We leven bovendien in een tijdsgeest waar het recht op vrije meninguiting als iets heilig wordt ervaren. Maar Plato wist al dat je met een opinie of een mening geen aanspraak kan maken op objectiviteit, op de waarheid. Dat neemt echter niet weg dat opinievorming een krachtig en waardig medium blijft om maatschappelijke discussies op gang te trekken.

In maatschappelijke discussies staan doorgaans complexe sociale, economische of culturele kwesties centraal. Aan de hand van een opinie proberen we maatschappelijke kwesties te begrijpen, vanuit het verlangen bepaalde maatschappelijke situaties ten goede te veranderen. Het spreekt voor zich dat we ook daarin naar de waarheid moeten zoeken. Een opinie is echter niet meer dan een verkorte vorm van een essay die in kranten en allerhande internetfora verschijnt. Het is dan ook niet bepaald eenvoudig om in enkele regels een complexe maatschappelijke kwestie tot op de bodem uit te spitten. Je moet een specialist zijn om een complex vraagstuk trefzeker in enkele regels samen te ballen. In maatschappelijke opinievorming gaat het bovendien om gevoelige kwesties waarbij de menselijke waardigheid in het geding kan komen. Tegenwoordig leiden opinies in de massamedia een eigen leven. Er bestaat namelijk een verontrustwekkende tendens om opinies – juist in de naam van vrije meningsuiting – gelijk te stellen met een specifieke vorm van waarheidsaanspraken. Men kan echter – grofweg gezegd - niet zomaar in het wilde weg aanspraak maken op de waarheid.

Sommige apologeten van de vrije meningsuiting slagen deze beperking duidelijk in de wind. De enige regel die je volgens hen moet volgen, is dat je moet kunnen zeggen wat je denkt en dat is volgens hen perfect verenigbaar met aanspraak maken op de waarheid. De waarheid moet maar eens gezegd worden, luidt het dan. De logica van onderbuikgevoelens gelden ook als een criterium om aanspraak te maken op de waarheid. Het is nu net daar dat het schoentje wringt bij de maatschappelijke discussie over ‘De islam’ en ‘De moslims’ in Europa. Wordt het immers niet alsmaar moeilijker om de virulente kritiek tegen de islam op een constructieve manier te pareren? Valt het soms niet op dat elke kritiek op islamkritiek wordt onthaald als politiekcorrect gedoe of weggehoond als dat de linkse kerk (een containerbegrip overigens) ziende blind is, dat ze geen rekening wensen te houden met de naakte feiten, met de werkelijkheid?

De opinies van de zogenaamde linkse kerkgangers worden in die optiek voorgesteld als subjectief. De opinies van allerhande zelfuitgeroepen blanke islamologen zijn objectief, gebaseerd op een correcte, consistente, geldige, valabele interpretatie van een maatschappelijke situatie. Dat hun eigenzinnige interpretaties eenduidig en vulgariserend zijn en hun kritiek een haatdragend karakter hebben, wordt haast niet meer opgemerkt. Opiniemakers als Johan Sanctorum, Benno Barnard en anderen kunnen steevast rekenen op talloze bevestigende reacties van lezers. Het valt zelfs op dat lezers in hun reacties nog een stap verder durven zetten en zelfs aansturen op een ondubbelzinnige oorlogsverklaring (op het forum van Johan Sanctorum kunt u verschillende reacties in combattieve stijl lezen).
 
Deze wending is op zijn zachtst uitgedrukt problematisch. Doordat men het recht op vrije mening als iets heilig ziet en opinievorming verwart met waarheidsuitspraken installeert men een dictatuur van de vrije meningsuiting. Alles wat niet lekker zit ten aanstaande van de islam mag en moet uitgesproken worden. Geen probleem. Clitoridectomie is ronduit verschrikkelijk. Laat de vrouwen die dergelijke mensonterend gebruik moeten ondergaan, maar naar hier vluchten. Ik zie de Taliban of het regime in Saoedi Arabië ook niet zitten (waarom exporteren onze islamofobische criticasters zichzelf niet naar sommige landen in het Midden-Oosten?). Maar Anything goes gaat te ver. Want wat zien we tegenwoordig: intellectualistische ‘interpretaties’ van de in werkelijkheid veelzijdige islam krijgen een forum toebedeeld en worden ernstig genomen. Scheldproza en cultureel racistisch getinte uitspraken zijn daarbij toegelaten. Frustraties en emoties nemen duidelijk de overhand. Merkwaardig genoeg laat de redelijkheid het afweten bij die nieuwe soort van Verlichtingdenkers. Enig moreel of intellectueel bezwaar daartegen wordt onmiddellijk gelijkgesteld met sadomachosistisch verraad aan ‘onze’ Verlichte Europese waarden en het uithollen van ‘ons’ recht op vrije meninguiting. Diegene die daar werkelijk zo over denken, beweren eigenlijk dat dergelijke opiniemakerij absoluut geen menselijke schade kunnen aanrichten of erger kunnen leiden tot een aanvankelijk ‘ongewilde’ voorbereiding op een menselijk inferno.

De logica die zich hier tentoonspreidt kan in Hegeliaanse termen beschreven worden als iets dat ongewild, onbewust op gang wordt getrokken en gaandeweg zichzelf verwerkelijkt tot iets, tot een kolossaal probleem waar we haast niet meer onderuit kunnen, laat staan dat we er nog amper grip op kunnen krijgen. Denk maar aan de ecologische problemen. Hetzelfde geldt ook voor de (op den duur) allesvernietigende logica achter al die islamofobische opinies. Het doet me onwillekeurig denken aan een scene uit de film ‘Sometimes in april’ van Raoul Peck over de genocide in Rwanda. De Amerikaanse commissaris Bushnell probeert van haar superieuren gedaan te krijgen dat de haatzaaiende radio-uitzendingen van radio télévision libre des mille collines moeten stopgezet worden. Het is ondertussen al ruimschoots aangetoond dat via de radio de Tutsihaat op gang werd getrokken en dat via datzelfde medium de genocide in belangrijke mate werd gecoördineerd. Eén van haar superieuren protesteert daarop en zegt dat ze in naam van vrije meninguiting en persvrijheid geen radio-uitzendingen kunnen stopzetten. Enigszins geïrriteerd door het verzoek van Bushnell repliceert één van de gezagdragers koudweg dat: ‘Radio’s don’t kill people.’.

Het is helemaal niet vergezocht om dergelijke uitspraak te vergelijken met de bewering dat haatdragende opinies geen menselijke schade kunnen aanrichten. De opiniemakerij van Barnard, Sanctorum en nu ook De Witte hebben volgens mijn bescheiden mening een haatdragend karakter. Maar wat is nu een haatdragende opinie? We moeten ons die vraag stellen, want sommige gaan zover dat het scheldproza van hierboven genoemde opiniemakers niet in het minst een haatdragend karakter vertonen. Bovendien beweren zij ook dat het recht op de vrije meningsuiting absoluut is. Wat is dus haat? Haat is een negatieve emotie. Het gaat uit van een negatief gevoel over iets dat afschuw opwekt. Kortom er kan niets meer positief over gezegd worden, laat staan dat het op een rustige manier kan gezegd worden. Haat verkondigen beperkt zich dan ook niet meer tot louter het misprijzen of bekritiseren van iets dat afschuw opwekt. Men wil het ook kwetsen of zelfs vernietigen. Kunnen we dan ook niet vaststellen dat Sanctorum, Barnard en consorten niets meer positief kunnen zeggen over de islam? Behendig als ze zijn, gebruiken ze daarbij heel wat moeilijke woorden om de lezer het gevoel te geven dat ze echt wel weten waarover ze spreken. Barnard is bijvoorbeeld kampioen in het cultiveren van moeilijke woorden. Toch missen ze allen enig gevoel voor nuance. Ze gooien alles op één hoop en beginnen te schelden. Stigmatiseren en cultureel racistische uitspraken zijn een vorm van schelden, van het kwetsen van een bepaalde groep. En mensen zijn - hoe men het draait of keert - gevoelige mensen. Als je komt aandraven met ad hominem argumenten of ze ronduit begint uit te schelden kwets je hen (ook al laten ze dat misschien niet meteen blijken).
 
De vraag die zich bij deze maatschappelijke discussie opdringt luidt niet zozeer: waar ligt de grens, maar eerder: is er nog wel een grens? Men kan zich dan ook met de nodige ernst afvragen welke intellectuele en bovenal welke morele criteria zogenaamde kwaliteitskranten als de Standaard hanteren om een forum te geven aan haatdragende opiniemakers. Ik vrees echter dat ze louter commerciële criteria hanteren. Ico Maly heeft in zijn boek ‘de beschavingsmachine’ overtuigend aangetoond dat de islam verkoopt. Waarom dan ook niet haat tegen de islam en moslims? Dat is lekker spannend want daarmee worden niet alleen moslims, maar ook de zogenaamde linkse kerk in het nauw gedreven en worden er aldus reacties uitgelokt. Het zorgt steevast voor heel wat spektakel en controverse en dat verkoopt. Het is zoals in Amerika; daar ziet men schijnbaar heel graag veel geweld op tv of zoals in het Italië van Berlusconi waar men blote borsten op tv wil zien. Het publiek vraagt echter niet per definitie om geweld, blote borsten en haat.

Om ideologische redenen pavloviseren de massamedia als het ware het lezende en tv-kijkend publiek. En wat de verkoop van haat hier betreft, verstevigen de massamedia eigenlijk het draagvlak om haatpropaganda algemeen ingang te laten vinden… en dat is een gevaarlijke straat zonder einde. Het is dan angstig afwachten tot de dag dat de haat tegen de moslims de allesoverheersende opinie wordt, dat machthebbers – om paradoxaal genoeg de publieke opinie tevreden te stellen - er ook naar zullen handelen. ‘Gelukkig genoeg’ zitten we nog in de fase van ‘kwetsen kan’. Maar het wordt wel dringend tijd om te beseffen dat haatdragende opinies een gevaarlijk precedent incarneren. Haatdragende opinies zijn niet onschuldig. Haatdragende opiniemakers zaaien haat. En dat is een proces waar je op den duur geen greep meer op kunt krijgen.

http://www.kifkif.be/actua/haatdragende-opinies-kwetsen-geen-mensen