Het Eiland Armoede - Interview met Jan Vranken

09-12-2010 | Joke Clijsters

Mensen in armoede zijn sowieso al achtergesteld, en voor etnisch-culturele minderheden komen hier nog discriminatie en racisme bij. Vlaanderen is bovendien het meest racistische landsdeel van Europa

Antwerpen - Voor het eerste van een reeks interviews voor ons dossier interculturele armoede, was onze keuze snel gemaakt. Em. Prof. Dr. Jan Vranken van Universiteit Antwerpen voert al jaren onderzoek naar armoede in België en is een zwaargewicht in zijn vakgebied. Zijn jongste worp heet 'Armoede in België' , een uitgave van het Antwerpse instituut Oases (centrum voor Ongelijkheid, Armoede, Sociale uitsluiting en de Stad).Het boek kadert in het Europees jaar van de bestrijding van armoede en uitsluiting, gecombineerd met het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie. Vranken en co bespreken in hun boek recente cijfers, beleidsmaatregelen en wetenschappelijk onderzoek over armoede en sociale uitsluiting. Naar aanleiding hiervan hadden we een uitgebreid gesprek met hem over het hoe en waarom van armoede.

Kif Kif: Volgens uw onderzoek leeft 15% van de Belgen onder de armoederisicogrens, tegenover 17% op Europees niveau. Dat is een stijging  ten opzichte van 2001, toen gold respectievelijk 10% en 15%. Armoede blijft dus stijgen, ondanks jaren van armoedebeleid en –bestrijding. Kunt u voor ons de grote tendensen of opvallende evoluties schetsen door de jaren heen?
“Op lange termijn kan je inderdaad van een algemene stijging van armoede spreken. Of zachter geformuleerd: armoede wordt niet teruggedrongen in onze samenleving. De redenen daarvoor zie ik in een de dualisering of polarisering van de samenleving op twee vlakken . Ten eerste neemt de inkomensongelijkheid toe sinds het begin van de jaren negentig: de kloof tussen de hoogste en de laagste inkomens neemt stelselmatig toe. Ten tweede is er op de arbeidsmarkt ook sprake van polarisering: de midden geschoolden verliezen relatief gezien aan belang vergeleken met de lager geschoolden aan de ene kant en de hooggeschoolden aan de andere kant. Een volgende factor is de ontwikkeling naar tweeverdienersgezinnen. Vroeger was één inkomen per huishouden voldoende; nu niet meer. Eenverdieners vallen uit de boot en komen in armoede terecht. Alleenstaande ouders, waaronder voornamelijk moeders, scoren bijvoorbeeld heel hoog op de armoedeschaal. Ook 65-plussers lijden onder deze tendens. Eerst deden ze het beter, vooral omdat vrouwen betere pensioenen begonnen te krijgen, maar nu doen ze het weer slechter. De pensioenen in België gaan immers achteruit in vergelijking met de rest van Europa. Verder zien we ook een stijging van de werkende armen: mensen die ondanks het feit dat ze een job hebben, toch in armoede terechtkomen. En nu spreken we alleen nog maar van de officiële statistieken. De reële cijfers liggen nog een pak hoger als we kijken naar zwartwerkers of mensen zonder papieren. Dat zijn er al gauw een paar 100.000 meer.”

Armoede en zijn gevolgen

Hoe mensen in armoede terechtkomen en wat voor langetermijngevolgen dat kan hebben, is een allesbehalve rooskleurig plaatje. Vranken licht toe: “als mensen in langdurige armoede terechtkomen, moeten ze al hun spaargeld opsouperen en kunnen ze geen duurzame goederen meer vervangen. Of als ze te lang met een te klein inkomen zitten, gaan ze misschien besparen op dokterskosten, waardoor hun gezondheid ondermijnd wordt. Ook zien we langdurig werklozen die met veel moeite (bijscholingen enzovoort) toch weer werk vinden, maar vaak terechtkomen in kwetsbare, flexibele job zonder zekerheid of toekomst. Ook hebben zij naar het principe van Last In First Out het meeste kans om ontslagen te worden. Wie gaat hen overtuigen om nogmaals het hele traject te doorlopen naar een nieuwe job? Ook de langetermijngevolgen van kinderarmoede zijn niet te onderschatten. Kinderen die in armoede opgroeien ervaren vaak minder geborgenheid en stimulansen in hun eerste levensjaren, en hebben na verloop van tijd minder herseninhoud dan kinderen die in een stimulerende omgeving  opgroeien. Ook de negatieve effecten van slechte voeding dragen deze kinderen voor de rest van hun leven mee. Het zijn de langetermijneffecten van dit soort factoren die me zorgen baren. Het is dus niet enkel het inkomen, maar vaak de indirecte gevolgen van een langdurig laag inkomen die belangrijk zijn en die in de gaten gehouden moeten worden.”
 

Kif Kif: Armoede is dus veel breder en complexer dan louter een inkomenskwestie. Zoals u armoede omschreef in uw boek, is het een netwerk dat zich uitstrekt over verschillende domeinen: onderwijskansen, huisvesting, kansen op de arbeidsmarkt, gezondheid, sport, cultuur enzovoort. Armoede wordt dan ervaren als een kloof tussen wat mensen zouden willen bereiken op al deze gebieden, en de ontoereikende middelen die ze daartoe hebben.
“Dat klopt, maar deze kloof heeft ook te maken met een kloof in de samenleving tussen verschillende bevolkingsgroepen. Mensen die in armoede leven zitten op een soort eiland dat gescheiden is van het vasteland, de rest van de samenleving. Dit eiland van armoede is meer dan een toevallige verzameling van mensen: het gaat over een maatschappelijke toestand. Het fenomeen armoede is een onderdeel van hoe de samenleving georganiseerd is: ze is gebaseerd op winststreven en competitie tussen mensen. Dit soort samenleving kan je je niet indenken zonder armoede. Het centrale mechanisme van armoede is namelijk dat je wordt uitgesloten als je economisch niet meekan. Als je een laag of onzeker inkomen hebt of werkloos bent, dan komen spontaan ook andere kenmerken van armoede hieruit voort, zoals slechte huisvesting of slechte gezondheid. Dat is dus de kern van het verhaal: mensen die niet over een nuttige productiefactor beschikken of over iets wat financieel gewaardeerd wordt – arbeid of kapitaal - vallen uit de boot.”

Blaming the victim
 

Kif Kif: U ziet armoede als een maatschappelijk fenomeen. Toch gaat het discours in België meer en meer in de richting van individuele verantwoordelijkheid. Dit ‘responsabiliseringsdiscours’ zegt grofweg dat mensen in armoede zelf verantwoordelijk zijn voor hun situatie. Wat vindt u daarvan?
“Dat is een gevaarlijk discours, net zoals de doorgedreven en onechte vorm van het liberale denken: iedereen is gelijk geboren, iedereen krijgt dezelfde kansen in het leven, dus je moet maar zorgen dat je die kansen waarmaakt. Maar het is een feit dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt. Niet iedereen heeft dezelfde sterke benen aan de startpositie van het leven. Veel hangt ook af van het milieu waarin je grootgebracht bent. Het is een illusie die de laatste jaren veel opgang maakt bij mensen die succes hebben in het leven: wat ik bereikt heb, heb ik bereikt omdat ik zo inventief en zo goed ben. De tegenhanger van deze logica is dat degenen die niet meekunnen, hier zelf de schuld van dragen. Blaming the victim, als het ware.
Dat is het kwalijke aan het responsabiliseringsdiscours. Daarmee wil ik echter niet zeggen dat mensen helemaal geen verantwoordelijkheid dragen. Eerder dan responsabilisering, wil ik het hebben over een discours van emancipatie of empowerment: ‘er zit meer in je dan je er zelf uit kan halen, en wij gaan je daarbij helpen.’ Dat is een positieve interpretatie die vaak aan de kant wordt geschoven. De negatieve interpretatie ervan overheerst: je bent verantwoordelijk voor je eigen lot. Als je je kansen niet benut, heb je het aan jezelf.” Waar is de solidariteit naartoe?
 Vranken ziet deze tendens in een breder maatschappelijk kader: het afnemen van solidariteit in de samenleving. Met solidariteit bedoelt hij niet een bedelaar wat geld toestoppen, maar structurele solidariteit in de samenleving die verdwijnt: “de polarisering in onze samenleving waar ik het daarnet al over had, geldt ook op het vlak van perceptie: aan de ene kant staan dan de mensen die bijdragen omdat ze werken. Aan de andere kant staan zij die zogezegd profiteren van de sociale uitkeringen, omdat ze ‘niet willen werken’. De kloof tussen deze twee groepen groeit in de perceptie. Maar hier wordt vergeten dat ons type samenleving net gebaseerd is op solidariteit tussen werkenden en niet werkenden, tussen gezonden en zieken, tussen actieven enerzijds en bejaarden en jongeren anderzijds.” Kif

Kif: Naar aanleiding van het  jaar van armoede en onlangs de jaarlijkse dag van de armoede is er veel aandacht geweest in de media voor armoede. Dit is ongetwijfeld een goede zaak, maar het valt op dat er weinig of geen aandacht voor etnisch-culturele minderheden is. Zeker gezien het feit dat zij gemiddeld vier tot vijf keer meer risico lopen dan ‘autochtone’ Belgen om in armoede terecht te komen. Ik moet het u niet vertellen, deze cijfers komen uit uw eigen onderzoek ‘De Kleur van Armoede ’, een studie die inzoomt op de specifieke problemen van etnisch-culturele minderheden in armoede. Hoe komt het volgens u dat deze groepen zo weinig aandacht krijgen in berichtgeving, beeldvorming, onderzoek en politiek?
“Spijtig genoeg is er geen opvolging van dit onderzoek gekomen, terwijl we vinden dat dit heel hard nodig is en we hebben hier ook voor gepleit. Mensen in armoede zijn sowieso al achtergesteld, en voor etnisch-culturele minderheden komen hier nog discriminatie en racisme bij. Dat wordt dikwijls uit het oog verloren. Bovendien is Vlaanderen het meest racistische land van Europa. We hebben in het onderzoek proberen aan te halen dat deze etnisch-culturele minderheden de kinderen en kleinkinderen zijn van ongeschoolde arbeiders. Als Belgisch kind of kleinkind van een ongeschoolde arbeider zit je al in een achtergestelde situatie, dus voor etnisch-culturele minderheden is de situatie des te moeilijker. Er zijn dus twee problemen waarmee ze geconfronteerd worden: sociaal-economische achterstelling en uitsluiting op etnisch-cultureel niveau. Ze zitten helemaal vast in deze situatie.
Dit verklaart de veel te hoge vertegenwoordiging van deze groepen in de armoedestatistieken. Als we het hebben over intergenerationele bestendiging van armoede, gaat het voornamelijk over etnisch-culturele minderheden.”
 

Contradictie van jewelste

Kif Kif: Dat is toch een contradictie van jewelste : etnisch-culturele minderheden zijn veel armer dan ‘autochtone’ Belgen. De helft van de ‘allochtone’ bevolking in België leeft onder de armoederisicogrens. Toch worden ze bijna doodgezwegen in berichtgeving en beeldvorming over armoede. Om één van vele voorbeelden te noemen, het recente boek ‘Volk’ van Tom Naegels is ‘wit’: zowel het boekomslag als de inhoud. Dit boek bundelt verhalen van mensen in armoede uit het Kiel, toch niet meteen de witste wijk van Antwerpen. Er komt geen enkele ‘allochtoon’ in voor.  
“Dat meen je niet, is dat echt? Je zou toch denken dat zeker Tom Naegels hier aandacht voor heeft. Maar het is inderdaad nog erger dan indertijd met vrouwen, die vergeten werden in dit soort problematiek. Het is een kwestie van hoe de mensen de samenleving percipiëren: 50 jaar geleden was het een mannenmaatschappij, tegenwoordig is het een witte maatschappij – hoewel het nog altijd voor een stuk een mannenmaatschappij is. Sommigen stellen de samenleving bewust zo voor, maar wat gevaarlijker is, is dat het beeld van een maatschappij vaak onderhuids en vanuit de onderbuik van die maatschappij tot stand komt. Dan is het belangrijk dat je mensen ervan bewust maakt dat ze een belangrijk stuk van de samenleving vergeten. Ook bij kinderarmoede wordt het etnisch-culturele aspect vergeten.  Zeker bij etnisch-culturele minderheden worden potentiële talenten verwaarloosd. Op deze manier zijn er misschien al heel wat Mozarts verloren gegaan.”

Welbegrepen eigenbelang

“De samenleving functioneert vanuit ‘welbegrepen eigenbelang’. Om dit uit te leggen met een voorbeeld: de vloedgolf van pensionering komt op gang. Twee- à driehonderdduizend arbeidsplaatsen zullen op termijn vrijkomen. Tegelijk zullen er tegen die tijd enkele honderdduizenden jongeren zijn die onvoldoende opleiding gehad hebben om die arbeidsplaatsen in te vullen. Dit zijn zowel hooggeschoolden, laag- als midden geschoolden. Er zullen te weinig arbeidskrachten zijn op alle niveaus. Bovendien zullen er veel laaggeschoolden zijn die het talent hadden om een hogere opleiding te volgen, maar daar de kans niet toe hebben gekregen. Dit is een van de grootste uitdagingen die de samenleving heeft.
Wat kunnen we hieraan doen? De grenzen openstellen voor nieuwe gastarbeiders of gastbedienden, terwijl het eigen talent in de kou blijft staan? Dat is een gemakkelijkheidsoplossing en doet me denken aan de Belgische voetbalploegen: ze weigeren het eigen talent op te leiden maar gaan in het buitenland goedkope krachten halen. Dit is dezelfde strategie: het kost de samenleving blijkbaar te veel energie of geld om eigen talent te ontwikkelen.”

Classe dangereuse

“Kortom, rechtvaardigheid, solidariteit of mensenrechten doen de samenleving niet draaien. Pas als je mensen ervan overtuigt dat hun eigenbelang geschaad wordt, schieten ze wakker. In de geschiedenis is deze mechaniek opvallend aanwezig. Als het beleid zich bekommerde om sociale problemen of bepaalde bevolkingsgroepen, was dat omdat deze groepen gezien werden als bedreiging. De overheid begon zich einde 19de eeuw bijvoorbeeld pas om arbeiders te bekommeren toen ze begonnen te staken. Net omdat de samenleving deze arbeiders plots als een bedreiging, als een classe dangereuse ging beschouwen, trok ze zich hun lot aan. Ook kwam er pas verbetering in de  situatie van vrouwen aan het einde van de tweede wereldoorlog toen men besefte dat de fabrieken deze vrouwen nodig had als arbeidskrachten omdat de mannen weg waren.
Nu, met betrekking tot onze vroegere gastarbeiders zien we een gelijkaardig verhaal. De Belgen wilden niet meer in de mijnen werken, dus waren er gastarbeiders nodig om de steenkoolproductie op peil te houden. Het gastarbeidersbeleid haalde hen hierheen en legde hen in de watten. In het begin hadden ze het hier ook goed.  Pas nadat ze niet meer nodig waren in de mijnen, is hun situatie erop achteruit gegaan.
Men analyseert tegenwoordig te weinig in termen van ongelijkheid, macht en conflict. Uiteindelijk zijn dat nog altijd de krachtigste bewegers van onze samenleving. Neem nu de beeldvorming van moslims in de media: ze worden voorgesteld alsof zij geen minderheidsgroep zijn, maar als degenen die de macht hebben, terwijl wij naar hun pijpen moeten dansen. Dit is een oude truc, dat minderheden worden voorgesteld als een bedreiging voor de samenleving en als degenen die de macht hebben. Het is een manier om in te gaan tegen een beleid dat de zwakke positie van deze minderheden probeert te verstevigen. Als je bovendien de verantwoordelijkheid voor de problemen naar deze gemarginaliseerde groepen zelf overdraagt, hoef je je er zelf niets meer van aan te trekken. Op die manier wordt het voorgesteld alsof ‘wij’ wel macht hebben, maar die niet misbruiken. Het zijn de andere groepen die dit wel doen.”
 

Kif Kif: De hamvraag is natuurlijk wat we aan armoede kunnen doen. Als niet mevrouw Lieten minister van armoede was, maar u, wat zou u dan doen om armoede te bestrijden ?  
“Nu ga ik iets zeggen wat ik waarschijnlijk niet mag zeggen: ik zou hetzelfde doen als waar ze nu mee bezig is. We geven al 19 jaar het jaarboek van de armoede uit. Hier staan geen beleidsmaatregelen in, maar wel aanbevelingen over hoe je armoede kan bestrijden. Af en toe maken we ook concrete voorstellen, zoals bijvoorbeeld de coördinatie van armoede niet langer aan een  vakminister toekennen, maar aan de minister-president, of zoals het nu is aan de viceminister-president Lieten. Zo kan de bevoegdheid over armoede aan geen enkele andere bevoegdheid gelinkt worden. Als armoede bijvoorbeeld aan welzijn gelinkt is, dan wordt armoede gereduceerd tot een welzijnsprobleem, en dat is het niet.
Lieten zit dus in een goede positie: vakministers aanspreken om hun prioriteiten kenbaar te maken en opvolgen dat zij hun beloften ook daadwerkelijk waarmaken. Ook heeft Lieten een sterke persoonlijkheid en komt ze als persoon goed over. Daarom verwacht ik dat we de komende jaren behoorlijk wat vooruitgang kunnen maken inzake armoedebeleid. Elk beleid, zeker in deze tijden van economische en maatschappelijke crisis, kan vergeleken worden met een minister die in een klein roeibootje zit en tegen de stroom op  moet roeien. Er kan dus wel iets gedaan worden inzake beleid, maar als de tegenstroom van de crisis te sterk wordt, dan zijn er andere ingrepen nodig.”

Sterke ingrepen

Rest ons nog onze grootste bekommernis in dit armoedeverhaal: de specifieke situatie van etnisch-culturele minderheden. Op de vraag of Vranken nood ziet aan extra maatregelen voor deze groepen, antwoordt hij volmondig ja: “deze groep moet zoals gezegd opboksen tegen sociale uitsluiting en achterstelling, en ook nog eens tegen een discriminerend discours dat hen in de marge wil houden. Ik ben voorstander van sterke ingrepen zoals bijvoorbeeld de invoer van quota, de mogelijkheid om anoniem te solliciteren en de discriminatietoets die men wil invoeren om te kijken of mensen effectief geweigerd worden bij het solliciteren op basis van hun naam of etnische afkomst (praktijktests, red.). Etnisch-culturele minderheden hebben kortom drie soorten beleid nodig: (1) het algemene beleid zoals op het vlak van arbeid en onderwijs moet versterkt worden door (2) armoedebeleid en (3) antidiscriminatiebeleid. Dit is een grote opdracht en het zal niet simpel zijn. Net zoals er een coördinerend minister voor armoedebeleid bestaat, zou er een coördinerend minister voor discriminatiebeleid moeten zijn. Maar dat bestaat helaas niet meer.”

Het interview loopt op zijn eind. Op weg naar buiten keuvelen we nog wat verder. Er is nog één vraag die ik niet kan nalaten te stellen: waarom wordt er ook in zijn boek ‘Armoede in België’ niet gerept over etnisch-culturele minderheden? Hij geeft toe dat dit inderdaad een gemiste kans is. Volgende keer beter, besluiten we samen.  

http://www.kifkif.be/actua/het-eiland-armoede-interview-met-jan-vranken