Het hedendaagse gelaat van de doodstraf: 9 / 11, dood en begraven?

13-04-2012 | Seppe Segers

Wanneer we dezelfde onmenselijke handelingen stellen als onze agressor, dan omhelzen we de barbarij. Als we vuur met vuur bestrijden zal de brand enkel hoger oplaaien.

Wachten op de dood. De dragers van de lichamen die vermoedelijk het aangrijpingspunt waren van de dood van 2998 onschuldige slachtoffers op 9/11, voelen de ijzeren vuist van weerwraak steeds strakker om zich heen sluiten. Het leven van Khalid Sheikh Mohammed, Walid Muhammad Salih Mubarak Bin Attash, Ramzi Binalshibh, Ali Abdul Aziz Ali, en Mustafa Ahmed Adam al Hawsawi ligt in de handen van een militaire commissie. De vijf worden ervan beschuldigd het brein te zijn achter de aanslagen op de Twin Towers op 11 september 2001. Ze worden aangeklaagd voor terrorisme, vliegtuigkaping, samenzwering, moord, aanval op burgers en hun eigendommen, opzettelijke toediening van ernstige lichamelijke verwondingen en beschadiging van eigendommen schendende het humanitair oorlogsrecht. Het Amerikaans ministerie van Defensie verwees het dossier door naar een militaire commissie die zal beslissen over hun lot. Indien de militaire jury hen schuldig bevindt, worden ze ter dood veroordeeld. Voor hen is leven voortaan steeds een beetje meer doodgaan.

Hun veroordeling zou een verdere veruitwendiging zijn van de toorn en de pijn die na 9/11 neerstreek over de Verenigde Staten van Amerika. De vijf verdoemden zijn de ingenieurs achter het instrument waarmee het lijf van de Amerikaanse trots in stukken werd gescheurd. Vanuit een verblindend fundamentalisme en een manicheïstische waarheidsopvatting zaaiden zij zowel leed en rouw als rancune en wrok over honderden gezinnen. Hun handelen veranderde de wereld voorgoed. Tien jaar later zien we immers nog steeds de weerslag van de symbolische neergang van de Amerikaanse Icarus die het hemelgewelf trachtte te kussen, maar van zijn hemelhoge torens geduwd werd. De wonde na de val ettert nog steeds en elke uiting van soevereiniteit en macht brengt zalving. De ter doodveroordeling van deze vijf misdadigers is daarvan één van zovele uitingen. Dat voor elke op 9/11 vermoorde Amerikaan tussen de twintig en de tweehonderd Irakezen het leven lieten in de nasleep van de nog steeds verder razende war on terror, is dat evenzeer.

De performativiteit van bangmakerij

De oorlog tegen het terrorisme woedt, tien jaar na dato, nog steeds. De dood van Osama Bin Laden bracht geenszins een einde aan de war on terror en de veroordeling van deze vijf schurken zal dat ook niet doen. De war on terror installeert een permanente dreiging in de geesten van de 21e eeuwse mens. We leven in een cultuur van de angst. Onder elke motorkap van een schoolbus kan een bom steken, achter elke baard kan een extremist schuilen en sedert de moorddadige raid op Utoya zijn we evenmin veilig voor mannen zonder baarden. De permanente dreiging vraagt om een permanente oorlog. Ongelimiteerd in tijd, schier onbeperkt in middelen en volgens Todorov onbeperkt in de ruimte (de vijand is een abstractie). De mensheid wordt onder vuur genomen door het allesomvattende kwade, maar gelukkig kunnen wij ons angstig doch gewillig wentelen in de moraal van het goede aan wiens kant we staan. Het kwade, hoewel alom aanwezig, is toch altijd ergens anders.

Volgens die logica moet het kwade dat ons te beurt valt vergoed worden. Het kwade dat de samenleving teistert moet vergolden worden indien we nog willen genieten van samen zijn in een samen-leving, zo luidt de logica van de gerechtvaardigde oorlog. Deze ideologie die ons diets maakt dat angst onze culturele habitat geworden is, maakt ons mak, meegaand en conformistisch terwijl het de open samenleving geweld aan doet, hoewel het juist dat is waartegen het strijdt. Het is de paradox van de angstige man die zelf angst inboezemt: “angst is een slechte raadgever en we moeten bang zijn voor diegenen die in angst leven.”[1] Lyotard, de Franse postmodernist, leerde ons ter zake dat het einde van de Grote Verhalen de aankondiging betekent van een legitimatie op basis van performativiteit. Iets is waar omdat het effect heeft. Waarheid wordt aldus een puppet on a string van de macht. Wanneer ons voortdurend gecommuniceerd wordt dat we bang moeten zijn, zullen we het inderdaad wel worden. Dat is nu eenmaal de performativiteit van de 21e eeuwse socialisatie*.

In dergelijk kader van geestelijke verlamming ten gevolge van angst is het inderdaad gerechtvaardigd om de vijf beklaagden te veroordelen tot de dood. Ze hebben onze macht geweld aangedaan door ze te vervangen door een onbestemde monoliete vrees. De onrechtmatige en gruwelijke daad die zij op hun geweten hebben, het verdriet van honderden gezinnen waarvan zij de katalysator zijn, dat moet gepareerd worden door te tonen wie de touwtjes in handen heeft. Door te tonen wie the puppet on a string doet dansen op de machtsaanspraak van de prescriptor van de waarheid. Aldus: ze verdienen de dood. Of niet?

Guantánamo Bay: hedendaagse ceremoniële loutering

Het is weinig humaan om iemand de dood toe te schrijven, ook al heeft men de dood van zovele anderen op diens geweten. Wanneer we dezelfde onmenselijke handelingen stellen als onze agressor, dan omhelzen we de barbarij. Als we vuur met vuur bestrijden zal de brand enkel hoger oplaaien. Primo Levi schreef in zijn essaybundel De verdronkenen en de geredden: “[…] van geweld komt niets anders dan geweld, in een slingerbeweging die mettertijd heviger wordt in plaats van tot rust te komen”. [2] Vanuit utilitaristisch standpunt komt dat neer op: straffen om misdaden te voorkomen, niet vanwege onze haat voor de misdadiger. Zouden de folterpraktijken in het Guantánamo Bay gevangenenkamp behoren tot het straffen ter voorkoming van misdaden, een soort catharsis, een loutering? Of zou het eerder een barbaarse doch menselijke, al te menselijke uiting zijn van weerwraak?

Foucault beschrijft in zijn potige werk ‘Discipline, Toezicht en Straf’ de machtsmechanismen achter lijfstraf, opsluiting, disciplinering en dergelijke meer. Hij omschrijft lijfstraf als een juridische code van de pijn die niet naar willekeur over het lichaam raast, maar wordt berekend aan de hand van gedetailleerde regels. “Ze is niet de toorn van een justitie die haar principes en iedere maat uit het oog verliest. In de ‘onmatigheid’ van de lijfstraffen ligt een strakke economie van de macht besloten.”[3] Waren de seksuele vernederingen, de afranselingen, de slaapdeprivatie en de psychologische mishandeling op Guantánamo Bay uitingen van een onverholen destructiedrift of veeleer van een ‘kunst van het kwantitatieve lijden’? Zijn de foto’s waarop Amerikaanse soldaten poseren bij gefolterde lichamen de hedendaagse variant van – een naar men dacht – tot het verleden behorende schandpaal of ceremonie van lijfstraffen?

Foltering en doodstraf: de cirkel van een lijfstraffelijke dood

In een Human Rights Watch rapport wordt Khalid Sheikh Mohammed, één van de beklaagden, benoemd als vermoedelijk slachtoffer van foltertechnieken op Guantánamo Bay. Het rapport spreekt over het herhaaldelijk toepassen van schijnverdrinking op Mohammed. [4] Ook Ramzi Binalshibh werd bedreigd met schijnverdrinking. Hetzelfde geldt voor Mustafa Ahmed Adam al Hawsawi. Kortom, de vijf mannen die binnenkort de dood ingeleid zullen worden, zullen de cirkel van de tortuur doorgaan tot en met de terechtstelling. Evenals de tortuur zal de terechtstelling plaatsvinden op Guantánamo – kwestie van symboliek? De doodstraf vormt in deze een sluitstuk tot het politiek en strafrechtelijk ritueel: de doodstraf als bekroning van een lijdensweg. “De dood is een lijfstraf, voorzover hij niet enkel het recht om te leven ontneemt, maar juist beweegreden en eindpunt is van een afgewogen opklimming van het lijden”, schrijft Foucault. De lijfstraffelijke dood van deze vijf misdadigers toont de 21e eeuwse “kunst om in het lijden het leven te bewaren door de dood op te delen in ‘duizend doden’” en hun lijden aldus gedoseerd op te voeren.[5]

Noem me cynisch, maar de parallel tussen de middeleeuwse lijfstraffelijke dood en degene die Khalid Sheikh Mohammed en co te wachten staat, vind ik frappant. De ceremoniële inslag van weleer mag dan wel verdwenen zijn en de pijn in de doodstraf mag dan wel tot een minimum beperkt worden, de hedendaagse doodstraf blijft – met de woorden van Foucault – een utopie van gerechtelijk fatsoen. Hoewel we dachten dat de lijfstraf behoorde tot het verleden en niet thuis hoort in onze geheel nieuwe moraal in de strafpraktijk, getuigt deze kwestie van het tegendeel. De lijfstraffelijke processie tot de dood erop volgt, is weliswaar ingeperkt door de moderne noties van ‘mate’ en ‘humaniteit’ en wordt inderdaad onderbroken door een strafrechtelijk proces, toch draagt ze nog een residu van de vroegere barbarij in zich. Zo zal ook de verschijning van de vijf veroordeelden voor de militaire jury niet meer dan een schijnvertoning zijn. Een loutere formaliteit waarmee het leven wordt ingeruild voor de dood.

Het belangrijkste verschil, echter, is misschien wel het meest verontrustende. Vroeger, en ook vandaag is het lichaam van de terdoodveroordeelde de plaats waar de macht zich manifesteert. Echter, waar het lichaam van de veroordeelde vroeger het aangrijpingspunt was van de wraak van de soeverein, heeft de soeverein vandaag geen betekenis meer. Vandaag is het niet de soevereine vorst die de wetten bepaalt. Vandaag bestendigt het lichaam van de veroordeelde de kracht van diegenen die de wetten opstellen. Het zijn diegenen die door het volk tot stuurmannen van de democratie aangeduid worden, degenen die de wil van het volk uitdragen, zij die de vox populi articuleren. Het gaat hier niet om een macht die niet moet verantwoorden waarom ze haar wetten ten uitvoer brengt. Het is de macht die veronachtzaamt dat elke terreurdaad een act van contra-terreur is. Het is de macht die de dood ter bescherming van de groep rechtvaardigt. Zonder te vervallen in een moraliserende spagaat: moeten we ons daar gaan vragen bij stellen?

---

*let wel: deze socialisatie is niet uniek voor de moderniteit, ze bestond ook in eerdere tijdsgewrichten. Het verschil is wel dat we nu menen niet meer gesocialiseerd te zijn. De angst voor – bijvoorbeeld – een god, hoewel ingegeven door de absolute vorst, daarentegen werd beleefd vanuit de socialisatie dat men in de wereld staat vanuit die god.

[1] TODOROV, T. Angst voor de barbaren, Antwerpen, Atlas, 2009, p. 163
[2] LEVI, P., De verdronkenen en de geredden, Amsterdam, Meulenhoff, p. 201
[3] FOUCAULT, M., Discipline, Toezicht en Straf. Degeboorte van de gevangenis, Groningen, Historische Uitgeverij, 2010, p. 51 [4] HUMAN RIGHTS WATCH, Eleven Detainees in Undisclosed Locations, 2004, http://www.hrw.org/legacy/backgrounder/usa/us1004/7.htm
[5] FOUCAULT, op. cit., p. 50

http://www.kifkif.be/actua/het-hedendaagse-gelaat-van-de-doodstraf-9-11-dood-en-begraven