Iedereen gelijk voor de wet?

23-02-2017 | Jonas Slaats

In realiteit wordt de wet bijzonder vaak opgesteld door bepaalde dominante groepen in de maatschappij die zich om verschillende redenen in machtsposities bevinden. Het gevolg daarvan is dat figuren en groepen in machtsposities hun eigen ethische kaders ook sterker kunnen laten doorwerken dan anderen.

Als reactie op mijn stuk De sharia staat wel boven de wet dat de relatie tussen sharia, ethische principes wetgeving probeerde te verhelderen, schreef Gilles Pittoors een interessante opinie die het debat verder kan openen. Een even open antwoord lijkt daarom op zijn plaats. Al kan ik, net als hij, in dat antwoord aanvatten met: “er zijn veel delen van zijn betoog waar ik mezelf helemaal achter kan zetten.”
 

Semantiek

Wel lijkt een deel van Pittoors’ betoog vooral een kwestie van semantiek. Veel hangt immers af van de manier waarop je het woord ‘boven’ interpreteert. Men kan het gebruiken in de zin van ‘overkoepelend ethisch kader’ maar even goed in de zin van 'meer doorslaggevend in juridische zin'. Die semantische kwestie lijkt me echter wat minder relevant. Het uiteindelijke punt van mijn stuk ging immers over een beter begrip van het woord sharia, over de mate waarop men het principe van ‘de wet respecteren’ zonder problemen vanuit religieuze denkkaders kan beargumenteren en over het feit dat bredere ethische principes eveneens van belang zijn (ook al kan je ze daarom nog niet altijd en overal inroepen als juridisch argument).
 

Machtsposities

Met één specifieke zin had uit het opiniestuk had ik echter meer moeite: “De wet is dus geen collectie persoonlijke overtuigingen van individuen, maar wel een systeem van regels dat op een democratische manier door iedereen is opgesteld en voor iedereen geldt.”

In theorie kan dat misschien zo zijn, maar in praktijk lijkt me dat niet het geval. De wet wordt dikwijls helemaal niet ‘op een democratische manier door iedereen opgesteld’. In realiteit wordt de wet bijzonder vaak opgesteld door bepaalde dominante groepen in de maatschappij die zich om verschillende redenen in machtsposities bevinden. Het gevolg daarvan is dat figuren en groepen in machtsposities hun eigen ethische kaders ook sterker kunnen laten doorwerken dan anderen.

Uiteraard is er ook sprake van een reële democratische dialoog in onze samenleving. Maar net omdat allerhande minderheden door verschillende structurele patronen in de samenleving niet in die dialoog betrokken worden, moeten zij dikwijls op zoek naar mogelijkheden buiten de gevestigde structuren en instellingen om hun stem te laten horen en deze juridisch kracht bij te kunnen zetten.

Het meest evidente voorbeeld daarvan is nog maar enkele dagen oud. Zonder enig voorafgaand maatschappelijk debat beslisten enkele politieke fracties (die vooral de dominante groepen in onze samenleving vertegenwoordigen) om de vreemdelingenwet aan te passen op zo'n manier dat men twee klassen burgers creëert en dat de wet manifest NIET meer “voor iedereen geldt”. Wanneer deze wetswijziging werd doorgevoerd was dat geenszins omdat die op de ‘democratische steun’ kon rekenen van de minderheden en achtergestelde groepen die erdoor geviseerd worden.

Ik blijf het in dat opzicht steeds frappant vinden hoe weinig de bestaande en reële machtsverhoudingen in rekening worden gebracht wanneer men dergelijke discussies voert. Men doet het immers vaak uitschijnen alsof onze wetgeving zomaar en spontaan door één of andere welwillende kracht in het leven werd geroepen. Men doet het uitschijnen alsof die wet altijd de neutrale en voor iedereen goedbedoelende omkadering biedt. Maar de bestaande garanties voor minderheden en achtergestelde groepen zijn er helemaal niet gekomen uit spontane welwillendheid of algemeen respect voor juridische rechtvaardigheid. Zij werden over het algemeen pas deel van ons wettelijk kader na jarenlange sociale strijd en politiek activisme. Daarenboven worden sommige van die garanties op dit moment aan een snel tempo afgebroken.
 

Deelnemen aan het democratisch proces

Dat laatste zat in zekere zin ook in het betoog van dhr. Pittoors vervat, bijvoorbeeld wanneer hij de ironie benoemt van het feit dat uitgerekend de N-VA sterk oproept tot het respecteren van de wet terwijl diezelfde partij zich uitermate kritisch (en soms bijna denigrerend) uitlaat over de rechterlijke macht.

Finaal komen we dan ook tot dezelfde conclusie: Homans’ voorstel rond het verplichten van moskeebesturen om een specifieke visie op ethiek en jurisprudentie te onderschrijven, was problematisch. Laat het echter duidelijk zijn: het was niet problematisch ‘omdat de islam iets anders zegt’. Het is vooral problematisch omdat mevr. Homans' voorstel niet strookt met haar eigen ‘verlichte normen en waarden’ die de ‘neutraliteit van de wet’ en ‘het democratische proces’ zo hoog in het vaandel dragen.

Om het met de afsluitende woorden uit het opiniestuk van Pitoors te zeggen: de oproep om zich in te schrijven in een democratisch proces is “een oproep die niet alleen aan moskeeën gedaan moet worden, maar wel aan elke burger in ons land.” En misschien nog meer specifiek: het is een oproep aan elke persoon die zich in een machtspositie bevindt van waaruit hij/zij de wetgeving mee vorm kan geven.

 

**

Jonas Slaats is inhoudelijk medewerker bij Kif Kif.

http://www.kifkif.be/actua/iedereen-gelijk-voor-de-wet