Ingebeelde Moslims

10-09-2008 | Ico Maly

15/05/2006 - Ico Maly  

Als we wensen te begrijpen wat beeldvorming is en hoe het werkt, kunnen we vandaag niet meer naast de impact van media kijken. Hoewel er nog andere instellingen zijn (zoals scholen, administratie, …) die beeldvorming generen, zijn de media in onze moderne ‘informatiesamenlevingen’ de priotaire plaats waar beeldvorming geproduceerd en verspreid wordt. ‘De islam’ en moslims zijn een populair thema in de berichtgeving, geen dag gaat voorbij of er verschijnt wel één of ander bericht over ‘de moslims’. In dit artikel trachten we te duiden hoe en welke beeldvormingen onze media genereren over moslims.

Beeldvorming
Vooreerst is het belangrijk te duiden wat we nu net bedoelen met beeldvorming. We hebben het over een taalfenomeen dat maatschappelijk en ideologisch bepaald is. Het gaat over beelden die gemeengoed, normaal zijn in onze maatschappij en verspreid worden via media, onderwijs, opvoeding of politiek. Als we het over beeldvorming hebben verwijzen we dus naar “common sense” ideeën die verweven zijn met structuren, instellingen en macht. Beeldvorming is dus gelinkt aan wat we normaal vinden. Net deze ‘normaliteit’ creëert een welbepaalde blik op de realiteit door fenomenen, mensen en groepen in onze maatschappij te benoemen en te definiëren. Het weze duidelijk dat beeldvorming te maken heeft met dominante beelden in een samenleving, wat gezien wordt als ‘common sense’ en niet met de beelden van één individu.

Indien we nu beeldvorming op het spoor willen komen dan dienen we op zoek te gaan naar de verschillende (dominante) beelden die geproduceerd worden in onze maatschappij. Zoals reeds aangehaald zijn media de voornaamste bron van beeldvorming. We richten ons dan ook in eerste instantie op mediabeelden en meerbepaald de taal die hierbij gehanteerd wordt. Belangrijk om in rekening te brengen is dat we hier zowel de gesproken als de beeldtaal bedoelen. Om zicht te krijgen op het impliciete, het normale in de media is het onvermijdelijk om een ganse batterij aan elementen en niveaus in rekening te brengen zoals de context van de berichten, de systematiek in de berichtgeving, de gekozen woordpatronen, de coherentie, de interactie tussen beeld- en gesproken taal en de intertekstualiteit.

Het decor van ‘de moslim’
De contexten waarin er sprake is van moslims lijken alvast niet oneindig te zijn, integendeel. Moslims komen pas aan bod in zeer specifieke en beperkende contexten, daarenboven spreken ze zelden zelf, maar wordt over hen gesproken. In de dagelijkse berichtgeving over ‘de ander’ zien we een hele waslijst aan thema’s de revue passeren die een negatieve invulling geven aan de moslimidentiteit. We denken aan de koppeling tussen de hoofddoek en onderdrukking; de vermeende relatie tussen de islam en terrorisme; de uitlatingen over het ‘achterlijk’ karakter van de islam; de islamitische bedreiging voor onze waarden, de relatie tussen etnische afkomst en criminaliteit, enz. Deze categoriseringen zijn niet toevallig of eenmalig maar passen in een lange (Europese) traditie om de Arabische wereld als een concurrent of als vijand te zien.

Welke zijn nu die contexten waarin ‘de islam’ steevast optreedt: racisme, quota’s, sociale ‘rellen’, de hoofddoekkwestie, het Israëlisch –Palestijnse conflict, Irak en Iran, terrorisme, de cartoonhetze, ... Het is natuurlijk opmerkelijk dat elk van deze contexten ofwel handelt over een probleem (die moslims door hun aanwezigheid vormen) of de gewelddadige bedreiging die inherent eigen aan ‘de islam’ zou zijn. Positieve contexten die gerelateerd worden aan ‘de moslim’ lijken vrijwel onbestaande te zijn. De moslim verwordt zo ‘de ander’ bij uitstek, zelfs het offerfeest (gebaseerd op hetzelfde verhaal als bij Christenen (plechtige communie)) wordt maar zelden afgebeeld als een feest van delen, familie en genegenheid maar steeds als een soort barbaarsheid.

Puur en alleen vanuit de contexten waarin ‘moslims’ figureren hoeven we niet te benadrukken dat het beeld over ‘de moslim’ eerder negatief is. De islam wordt immers steevast (en alleen) in verband gebracht met terrorisme, fundamentalisme, barbaarsheid en zelfs achterlijkheid. Opmerkelijk is dat al deze fenomenen gedefinieerd worden als eigen aan de islam. Het lijkt alsof enkel ‘de islam’ het monopolie heeft op terrorisme en achterlijkheid. Deze contexten definiëren in grote mate het algemeen beeld over moslims en islam, ze scheppen het algemeen kader om ‘de moslim’ te definiëren. De ‘moslim’ wordt zo herleid tot een essentialistisch beeld dat onveranderbaar is. Het etiket van de ander is statisch en laat geen enkele dynamiek toe.

De ontdekking van de ander
Als we het beeld uit de pers mogen geloven is elke moslim een voorbeeld van de moslims. Zelden komen moslims aan het woord vanuit hun functie of burgerschap, geen advocaten, dokters en experts met moslimroots op onze schermen. Op Selahattin Kocak en Mo na spelen ze niet mee in quizzen, soaps en films. De journalistenstiel is tot op heden lang geen afspiegeling van de maatschappij, monoculturaliteit troef. Het is duidelijk dat moslims niet zelf hun beeld scheppen in onze maatschappij, maar dat ‘wij’ dit doen. ‘Wij’ hebben de macht over de perceptie van de ‘ander’, ‘wij’ bepalen en vullen het dominante beeld over de ’moslim’. Onze ogen bepalen uiteindelijk de identiteit van de ‘ander’.

Het onderliggend mechanisme is relatief simpel maar verstrekkend. Vooreerst worden er welomlijnde of (misschien beter ‘slechtomlijnde’) groepen afgebakend op basis van verschillende mogelijke en variërende kapstokken (religie, taal, nationaliteit, ‘ras’, …). Vervolgens worden beide groepen ‘wij’ en ‘zij’ geëvalueerd, gemeten en gecategoriseerd in hun anderszijn en gerangschikt op een lineaire, culturele evolutielijn op basis van criteria die we toeschrijven aan ‘onze cultuur’. Tegenwoordig gelden de criteria die de rechtsfilosoof Paul Cliteur naar voren schuift in zijn boek “Tegen de decadentie”. Deze criteria zijn overal terug te vinden, in kranten, op tv en in beleidsplannen. Ze worden uitgesproken en bevochten door jan met de pet (in hoeverre die bestaat), journalisten, opiniemakers en politici. De vrijheid van meningsuiting, de scheiding van Kerk en Staat en de gelijkheid van man en vrouw vormen de basisargumenten om ons te onderscheiden van de ‘ander’. Dit is vaak een subtiel spel, waarin men enerzijds stelt dat dit universele waarden zijn, maar anderzijds er (vaak impliciet) vanuit gaat dat ‘de ander’ deze niet deelt.

Deze schijnbaar neutrale en manipulatievrije criteria worden niet zozeer toegepast als grote verhalen die moslims ook delen, maar als strategische instrumenten om de ‘ander’ buiten onze groep te plaatsen. Deze criteria worden niet gebruikt om ons te meten en te beoordelen, ze worden voorgesteld als gerealiseerd en geïnternaliseerd door het ‘Westen’. Het lijken wel genetische eigenschappen te zijn die nooit bevraagd mogen worden. Partiële en idealistische, maar volkomen ongerealiseerde dromen worden de norm om de ander te beoordelen.

Een karakterschets van ‘de moslim’
In dit geval wordt de ‘ander’ geconstrueerd rond de kapstok van de religie: de ander is moslim en ‘wij’ worden, in de woorden van Paul Cliteur gedefinieerd door de joods-christelijke en seculiere cultuur. Hier merken we reeds subtiel het fundamentele onevenwicht van dit beeld. De ‘ander’ wordt voorgesteld als één monolithisch blok, terwijl wij blijkbaar een wirwar aan stromingen hebben die onze identiteit definiëren. Deze kerndefinitie toont ons dat we onszelf met nuance behandelen en in zekere mate de diversiteit integreren. Het feit dat de ‘moslimwereld’ ook conservatief en progressief, links en rechts, gelovig en seculier, fascistisch, liberaal en socialistisch is, wordt steevast straal genegeerd.

De moslim wordt enkel en alleen gedefinieerd door zijn religie, en dan nog vaak één zeer nauw beeld van die religie: de religieuze fundamentalisten van het politieke islamisme. Slechts één beeld blijft overeind van ‘de ander’, de rechts-religieuze fundamentalistische en vaak fascistische strekking bepaalt het beeld van ‘de moslim’. De ‘moslim’ steunt dan ook de ‘heilige jihad’ tegen het Westen, is een crimineel, schudt geen handen met vrouwen, wil eigenlijk niet werken, onderdrukt zijn vrouw en is onverdraagzaam. Dit beeld van de ‘ander’ is volledig tegengesteld aan ‘ons beeld’.

De ingebeelde moslim
Wat opvalt is dat het beeld over ‘de moslim’ geconstrueerd wordt als ‘onze’ tegenpool en dit door de ‘ander’ te gaan meten aan de hand van onze ideaal(waan)beelden. De ander wordt herleid tot wat wij verafschuwen. Deze definiëring staat in nauwe relatie met de zelfdefiniëring, de ander wordt omschreven in wat wij niet (meer) hebben of niet zijn. Onze geïdealiseerde identiteit, onze normaliteit wordt gebruikt als norm om de ander te beoordelen. In die zin vertelt de beeldvorming over de ander waarschijnlijk meer over de eigen identiteit dan over die beruchte ander. De moslim is een constructie, het is een door ons gecreëerd beeld met een bijhorende identiteit. Het discours steunt op een tweeledig en contradictorisch mechanisme, enerzijds wordt ‘de ander’ herleidt tot een essentialitisch beeld dat geen verandering toelaat, anderzijds stelt men dat de ander nog moet evolueren tot ons stadium. We pinnen ‘de ander’ vast op een statisch en beperkend beeld en verwijten hen vervolgens niet te evolueren. We zien dan ook vaak niet meer dan ingebeelde moslims.

http://www.kifkif.be/actua/ingebeelde-moslims