Jullie zijn anders als ons - Roanne van Voorst

19-01-2011 | Walter Lotens

Surinamers, ‘Eeuwige allochtonen’. Antillianen, ‘Losse heupen en gouden tanden’

Hoe komt het dat Afrikaanse jeugdgroepen zich niet lijken te mengen in de samenleving? Waarom doen jonge Molukkers uit families die al drie generaties in Nederland wonen het relatief nog zo slecht op school, en trouwen Turkse jongeren amper met autochtone Nederlanders? En wat maakt dat Antilliaanse en Marokkaanse jongeren zo sterk oververtegenwoordigd zijn in de Nederlandse criminaliteitscijfers, terwijl de Chinese jeugd daar juist amper te vinden is? Kan een allochtoon een autochtoon worden, en zo ja, hoe moet dat dan?

De jonge Nederlandse antropologe en journaliste Roanne van Voorst gaat in op die vragen die betrekking hebben op de niet eenvoudige jeugd- en integratieproblematiek. In plaats van over allochtone jongeren te praten, zoals in de meeste wetenschappelijke studies rond integratie, gaat de auteur in gesprek met tientallen jongeren. Samen met experts, wetenschappers en jongerenwerkers, geven ze in dit boek een kritische en vaak ook verrassende kijk op de multiculturele jeugdproblematiek van Nederland.

Zes verklarende theorieën

In haar inleiding schetst de auteur zes verklarende benaderingen die meestal worden gehanteerd om de falende integratie van sommige allochtone jongeren te verklaren. In het boek worden ze getoetst aan de huidige situatie van jongeren. De eerste verklarende theorie wijst op het falende Nederlandse educatieve systeem en, in samenhang daarmee, de taalachterstand van migrantenjongeren.

Een andere theorie wijst in de eerste plaats op de culturele en religieuze verschillen tussen etnische groeperingen. Een derde gangbare theorie draait die denkwijze zo ongeveer om. Allochtone jongeren in Nederland gedragen zich niet negatief door de cultuur waarin ze oorspronkelijk opgroeiden, maar juist door de situatie waarin ze zich hier en nu bevinden. De oplossing ligt volgens deze benadering in het opheffen of verminderen van de sociaaleconomische ongelijkheid. Die redenering hangt nauw samen met de zogenoemde contacttheorie.

Volgens deze theorie ontstaan integratieproblemen doordat verschillende culturele groepen in Nederland niet voldoende met elkaar in aanraking komen. Een vijfde theorie vertrekt van heel andere uitgangspunten. Deze theorie ziet de wisseling van tijd en ruimte, het verhuizen van het ‘oude’ land naar het ‘nieuwe’ als traumatiserend. Dat kan een cultuurshock met zich meebrengen die soms wel enkele generaties duurt. De zesde en laatste theorie gaat er van uit dat het ‘transnationalisme’, het onderhouden van sterke banden met het land van herkomst, werkelijke integratie in een nieuw land lastig maakt.

Tien jongerengroepen

Na deze inleiding volgen er tien hoofdstukken waarin telkens een etnische groep aan bod komt en waarin verschillen en overeenkomsten met de overige groepen worden geanalyseerd. Zij opent met de ‘etnische’ groep van jonge Nederlanders (‘Vrijheid, alcohol en hagelslag’) en spreekt dan vervolgens met Marokkanen (‘Hangjongeren, eer en schaamte’), Turken (‘Hoofddoeken en korte rokken in de klas’), Surinamers (‘Eeuwige allochtonen’), Antillianen (‘Losse heupen en gouden tanden’), Chinezen (‘Mythische voorbeeldallochtonen’), Molukkers (‘Stil, boos en afzijdig’), Afrikanen (‘Een onzichtbaar bestaan in de marge’), Vluchtelingen uit het Midden-Oosten (‘Wachten op de terugkeer’), Polen (‘Geleerde aspergestekers als nieuwe landgenoten’).

Interessante conclusies

In een zeer interessant nawoord tracht Van Voorst enkele conclusies te trekken. Zij besluit dat geen enkele van de zes verklarende benaderingen opgaat voor alle besproken jeugdgroepen. Iedere theorie is te statisch om een verklaring te kunnen zijn van persoonlijke belevenissen, successen en frustraties. Daarom pleit zij voor het inzoomen op individuele verhalen en om daaruit algemene lessen te trekken.

Zij constateert ook dat veel problemen waar allochtone jongeren mee kampen, niet voortkomen uit de cultuur van hun moederland, maar in veel gevallen in Nederland zijn ontstaan en dus Nederlandse problemen zijn in plaats van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse of Antilliaanse. Zij wijst ook zeer terecht op de nefaste invloeden van de huidige ‘culturalisering’ van het debat in Nederland. “Die culturalisering zorgt er ervoor dat stereotypen in stand worden gehouden, dat er negatieve imago’s ontstaan en dat de verwijdering tussen etnische groepen sterker wordt”. (p. 268) Het derde inzicht dat dit boek biedt, is dat de meest succesvolle allochtone jeugd bestaat uit doorbijters.

Hoe verschillend hun etnische achtergrond ook is, ze hebben allemaal doorzettingsvermogen, talenten en ambitie gemeen, en vaak ook een familie die achter hen staat. Een vierde belangrijke conclusie is dat het geenszins te verwachten is dat er ‘vanzelf’ een succesvolle integratie zal plaatsvinden van de grote groep minder ambitieuze of minder capabele allochtone jeugd, zoals sommige experts voorspellen. De belemmeringen waar de huidige derde generatie Molukkers mee te maken heeft, vormen daarvan een voorbeeld. Dat Chinezen en Polen ‘modelallochtonen’ zouden zijn wordt ook betwijfeld.

Het is niet omdat ze minder last verkopen dat ze ook beter geïntegreerd zouden zijn. Van Voorst besluit dan ook: “De ergernissen van allochtonen over allochtonen hebben dus feitelijk niet zozeer te maken met eventueel falende integratie, maar met gedragingen die ons in de weg zitten. Crimineel gedrag bijvoorbeeld, of leunen op het socialezekerheidsstelsel, of je kleden op een manier die wij vreemd vinden, of te luidruchtig feestvieren.” (p. 280) Volgens haar lijkt de angst van sommige wetenschappers dat het ‘transnationalisme’ in de huidige globaliserende wereld belemmerend zou werken voor een succesvolle integratie ongegrond, want juist ‘thuis’, in de geboortelanden van henzelf en hun ouders, voelen vele jongeren zich Nederlandser dan waar ook.

Heel veel van die conclusies lijken mij ook op te gaan voor de situatie in België. In die zin is Jullie zijn anders als ons een inspirerend en goed geschreven boek van een auteur die bewijst dat zij als journaliste meerwaarde weet te geven aan een antropologisch onderzoek.  

http://www.kifkif.be/actua/jullie-zijn-anders-als-ons-roanne-van-voorst