Kan de stad de welvaartstaat redden?

15-07-2013 | Stijn Oosterlynck

Er broeit wat in de stad. In de marges van het sociaal beleid ontstaan in steden sinds de late jaren 1970 allerlei kleine, lokale projecten waar organisaties uit het middenveld, sociale ondernemers en lokale overheden experimenteren met nieuwe manieren om armoede en ongelijkheid te bestrijden. Het kan gaan om allerlei vormen van sociale economie, die de langdurige uitsluiting van een steeds meer veeleisende arbeidsmarkt bestrijden, eventueel gekoppeld aan ecologische uitdagingen zoals bij de kringloopwinkels. Of om sociaal-artistiek organisaties die producties opzetten met OCMW-cliënten, brede-schoolwerkingen die de drempel van de school voor gezinnen in armoede verlagen of buurtsportinitiatieven die kansarme jongeren toegang geven tot sportactiviteiten. Nog andere voorbeelden spelen in op het gebrek aan toegang tot (kwaliteitsvol) voedsel, zoals sociale kruideniers of stadslandbouw in achtergestelde buurten. In de woonsector, waar de nationale overheid reeds lang faalt om het grondwettelijk verankerd recht op toegang tot een kwaliteitsvolle woning voor iedereen te realiseren, wordt geëxperimenteerd met huurderscoöperatieven en Community Land Trusts. In de gezondheidszorg ontstond dan weer het succesvolle model van de wijkgezondheidscentra, die de financiële drempels weghalen en veel aandacht hebben voor de bredere sociale context waarin gezondheidsproblemen ontstaan.

Deze vormen van lokale sociale innovatie voeden het optimisme over de stad. Dat optimisme leidt tot boude uitspraken over de rol van de stad in de 21ste eeuw. Voor stadsonderzoeker Eric Corijn heeft de natiestaat afgedaan en zal de stad de wereld moeten redden. De Amerikaanse auteur Benjamin Barber lauwerde onlangs nog burgemeesters van steden overal ter wereld voor de manier waarop zij, en niet langer nationale politici, de grote maatschappelijke problemen zoals de klimaatopwarming pragmatisch weten aan te pakken. Dirk Holemans van de ecologische denktank Oikos ziet Vlaamse steden als creatieve bijenkorven waar we gezamenlijk onze sociaalecologische toekomst uittekenen. De negatieve sfeer die lang rond de stad hing is de voorbije decennia duidelijk omgeslagen. Maar in dit ongebreidelde optimisme over de stad zouden we bijna vergeten dat de stad ook vandaag nog, net zoals dit van oudsher het geval is, armoede aantrekt. In de schaduw van de hippe en creatieve stad leeft een voor de buitenwereld weinig zichtbare stad van uitzichtloze armoede en schrijnende deprivatie, waar mensen een voltijdse dagtaak hebben aan overleven in de hoop dat het hen – of hun kinderen – in de toekomst beter mag vergaan.

Om de armoede en ongelijkheid in de industriële stad aan te pakken, voerde de arbeidersbeweging een harde sociale strijd voor sociale rechten, bescherming en herverdeling. Vandaag heeft de nationale welvaartstaat die uit die strijd ontstond het moeilijk om de armoede die zich de laatste decennia in de postindustriële stad is gaan ophopen adequaat te bestrijden.

Langdurige werkloosheid bij laaggeschoolden, de precaire situatie van één ouder gezinnen, hardnekkige schoolachterstand en gekleurde armoede stellen het sociaal beleid op de proef. Op de koop toe zijn de egalitaire denkbeelden achter dit sociale model onderhevig aan een niet aflatende kritiek van de ideologen van de ongelijkheid die de grenzen van de solidariteit steeds nauwer aansnoeren en de arbeidsmarkt als de ultieme scheidsrechter voor het recht op een waardig inkomen promoten.

Maar als de stad de wereld kan redden, zoals steeds meer auteurs ons voorhouden, kan ze dan niet beginnen met de welvaartstaat? De lokale vormen van sociale innovatie die de voorbije decennia opborrelden in de stad kunnen de welvaartstaat helpen om de sociale bescherming aan te passen aan nieuwe sociale noden, nieuwe middenveldspelers toelaten een rol te spelen in het sociaal beleid en haar instrumenten en interventies effectiever te maken. Er is echter een belangrijke ‘maar’, die nogal wat pleitbezorgers van de stad te dikwijls uit het oog verliezen. De stad kan de staat niet vervangen. Stedelijke vormen van sociale innovatie ontstaan enkel daar waar er initiatief toe genomen wordt en organiseren dus geen gelijke toegang tot diensten en goederen voor wie daar nood aan heeft. Niet iedereen die te weinig inkomen heeft om medische zorg of eigen woning te betalen vindt een wijkgezondheidscentrum of community land trust in de buurt. Wil stedelijke sociale innovatie echt het verschil maken in de strijd tegen ongelijkheid, dan moet die gecombineerd worden met wat onmiskenbaar één van de belangrijkste sociale innovaties aller tijden is, namelijk sociale rechten. Het succes van wijkgezondheidscentra of community land trusts moet de overheid niet op zijn lauweren doen rusten, maar er die net toe aanzetten om een wetgevend kader te voorzien voor de erkenning en (eventuele) financiële ondersteuning van die initiatieven en er de kwaliteit van en gelijke toegang tot te garanderen. Op die manier creëren we nieuwe, meer effectieve instrumenten om sociale rechten te realiseren en aan te scherpen.

De Europese Commissie werpt zich de voorbije jaren op als grote pleitbezorger voor lokale sociale innovatie. Ze lijkt er het perfecte excuus in te zien om haar besparingsagenda mee te legitimeren en de verantwoordelijkheid van overheden voor het welzijn van allen op hun grondgebied af te wentelen op de creativiteit en het engagement van het middenveld, sociale ondernemers en lokale publieke instellingen. Stedelijke sociale innovatie als vrijgeleide voor het afbouwen van de welvaartstaat in budgettair krappe tijden. In Groot-Brittannië vormt het de kern van het door de Conservatieven gepromote ‘Big Society’ programma. Alleen blijkt daar nu al dat een regering die bespaart op sociale dienstverlening tegelijkertijd de veerkracht van het middenveld, sociale ondernemers en lokale publieke instellingen, en dus hun capaciteit tot sociale innovatie, nekt.

Er is nog een goede reden waarom we niet kunnen volstaan met de creativiteit en het engagement van het nieuw stedelijk middenveld. Dat toont de poging van de Antwerpse ex-burgemeester Janssens om op basis van zijn ervaringen met het stedelijk sociaal beleid dat beleid te herdenken en een nieuw sociaal contract voor te stellen. Wat volgt is een verhaal dat dominant overhelt naar voorwaarden en plichten voor wie in de stedelijke samenleving beroep moet doen op sociale dienstverlening. De welvarende klassen ontbreken in Janssens’ verhaal. Dat is geen toeval, want in Vlaanderen bevindt de rijkdom zich vooral buiten de stad. Wie een sociaal contract afsluit op het niveau van de stad, mist dus grotendeels de meer welvarende sociale klassen. Dat is meteen een belangrijke reden waarom een sociale stad niet kan zonder een herverdelende staat.

Die staat hoeft geen natiestaat te zijn. In tijden van superdiversiteit kan het vasthouden aan natiestaten, gebiologeerd als die zijn door onwrikbare culturele identiteiten, alleen maar uitsluitend werken. Het heeft er dan wel alle schijn naar dat die welvaartstaat ook in de nabije toekomst op een eerder ‘nationale’ schaal georganiseerd zal blijven, dat mag ons niet beletten om sociale rechten en herverdeling op het geografische niveau te tillen waarop we onze economie de voorbije decennia zijn gaan organiseren. Het Europese forum voor de uitbouw van sociale rechten en herverdeling op continentaal niveau is er al, nu nog de politieke wil. De Verenigde Steden van Europa waar Europarlementslid Kathleen Van Brempt recent nog voor pleitte is dus slechts een zinvol project als er tegelijkertijd ook aan een Europese sociale staat komt.

Ja dus, de stad kan de welvaartstaat redden, maar alleen als het die koestert.

 

>>> Stijn Oosterlynck is docent stadssociologie aan de UA en woordvoerder van het Centrum OASeS. Hij is co-auteur van het Vlaams Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012 over sociale innovatie en is lid van de Vooruitgroep. Twitter: stoosterlynck.
 

http://www.kifkif.be/actua/kan-de-stad-de-welvaartstaat-redden