Onderzoek OASeS 'De Kleur van Armoede'

01-12-2010 | Joke Clijsters

Belgisch armoedeonderzoek besteedde geen of zeer weinig aandacht aan personen van buitenlandse herkomst.

De studie ‘De kleur van armoede. Armoede bij personen van buitenlandse herkomst ’ kwam in 2007 tot stand in opdracht van de Koning Boudewijnstichting en werd uitgevoerd door OASeS (Universiteit Antwerpen) en Centre d’Etudes de l’Ethnicité et des Migrations (Université de Liège). De onderzoekers waren Bea Van Robaeys, Jan Vranken, Nathalie Perrin en Marco Martiniello. Dit toonaangevend onderzoek is één van de eerste en enige in België dat de specifieke situatie van etnisch-culturele minderheden in armoede onder de loep neemt. Om de spits af te bijten in het nieuwe Kif Kif dossier over armoede, is een samenvatting van de resultaten dan ook een ideale manier om u op weg te helpen. Wat hieronder volgt is een extract uit bovenvermeld boek. We laten de onderzoekers zelf aan het woord:

In de voorbije jaren werden ‘allochtonen’ of ‘migranten’ vrijwel voortdurend op één hoop met de armen gegooid. De relatie tussen migratie en armoede werd tot nu toe niet bestudeerd; Belgisch armoedeonderzoek besteedde geen of zeer weinig aandacht aan personen van buitenlandse herkomst. Dit onderzoek, in opdracht van de Koning Boudewijnstichting, wil hierop een eerste antwoord bieden.

Op basis van twee grootschalige surveys die representatief zijn voor de mensen die op het Belgische grondgebied wonen, gingen we na of en in welke mate een verschillende regio van herkomst samenhangt met een verhoogd risico om in inkomensarmoede te leven. Hoewel het om eerste en dus verkennende analyses gaat, kunnen we toch een aantal vaststellingen doen. Zo werd duidelijk dat personen van Marokkaanse of Turkse herkomst een zeer groot armoederisico kennen: ongeveer de helft van hen is inkomensarm. Opvallend is dat ook alle andere groepen van niet-Belgische herkomst een hoger risico lopen om in inkomensarmoede te moeten leven.
Onze resultaten wijzen op een etnostratificatie van personen van vreemde herkomst die legaal in België verblijven. Het beeld van de kwetsbaarheid van deze groep werd aangescherpt aan de hand van de statistische analyses van verschillende onderzoekers op verschillende maatschappelijke domeinen: de arbeidsmarkt, het onderwijs, de woonmarkt en de gezondheidssituatie.

Een beter zicht op en inzicht in de specificiteit én gemeenschappelijkheid van armoedeprocessen en -situaties bij personen van Belgische en van buitenlandse herkomst leek ons noodzakelijk. We concentreerden ons op de spanningsvolle verhouding tussen de leefomstandigheden van mensen in armoede, hun waarden en normen en de gedragspatronen die ze ontwikkelen.

Uit ons verkennend kwalitatief onderzoek bleek dat de ‘gemeenschappelijkheid van armoedeprocessen en -situaties bij personen van Belgische en van vreemde herkomst’ zeer groot is. De armen van buitenlandse herkomst streven in grote mate dezelfde waarden na als autochtone armen en dat geldt ook voor cultureel waardevolle goederen. Evenwel is hun leefwereld aangetast door de armoede en wordt de kloof tussen doelen en middelen als zeer groot, ja onoverbrugbaar, ervaren. Armen van buitenlandse herkomst worden, net als de autochtone armen, gedwongen om te gaan met beperkte middelen (gering inkomen, lage of onaangepaste scholing, geen of precaire arbeid) en de frustraties die daaruit voortvloeien onder controle te krijgen.

Naast deze gemeenschappelijke noemer, stelden we ook specifieke kenmerken van de armoede vast bij personen van buitenlandse herkomst. Ten eerste verschilt het behoeftepatroon van personen van vreemde herkomst op een aantal punten van dat van personen van Belgische herkomst. Migranten met nauwe verwanten in het land van herkomst voelen heel sterk de morele verplichting om deze personen in het land van herkomst te ondersteunen.

Het onderzoek had ook een dynamische dimensie. De gestelde onderzoeksvragen wilden we vanuit generationeel perspectief bestuderen. Hier troffen we een tweede specificiteit aan. Het referentiekader van armen van vreemde herkomst verschilt naargelang van de generatie. De eerste generatie hanteert vaak nog de sociaaleconomische omstandigheden van het land van herkomst als belangrijkste referentiekader voor de eigen situatie. De tweede en derde generaties daarentegen zijn al veel meer gericht op de ‘autochtone’ samenleving en hanteren het heersende normen- en waardenkader als referentiepunt voor de evaluatie van de eigen inkomens-, arbeids- en onderwijspositie. Het is dan ook bij deze generaties dat de frustraties over de sociaaleconomische leefomstandigheden het grootst zijn. De discriminatie die personen van buitenlandse herkomst ervaren – een discriminatie op basis van hun sociaaleconomische situatie én hun etnische origine – versterkt ontegensprekelijk deze frustraties.

Voor personen van vreemde herkomst die in armoede leven, ligt een belangrijke overlevingsstrategie in het aanspreken van de mogelijkheden van het netwerk binnen hun gemeenschap. Algemeen wordt immers aangenomen dat het sociale weefsel binnen migrantenbevolkingen sterker is dan bij de (arme) autochtone bevolking. Deze hypothese moet echter worden genuanceerd. Er zijn tekenen dat de solidariteit lijkt af te nemen. Ook geldt de solidariteit niet voor iedereen, sommigen worden ervan uitgesloten. Bijzonder zorgwekkend lijkt de situatie van gescheiden vrouwen. We willen dan ook het graduele karakter van de inbedding in de gemeenschap benadrukken. Hoe armer de personen, hoe minder zij in hun eigen en de Belgische gemeenschap zijn ingebed, hoe geïsoleerder zij leven en hoe minder zij de overlevingsstrategieën, die werden ontwikkeld binnen de migrantengemeenschap, kunnen gebruiken. De geroemde solidariteit binnen de migrantengemeenschappen moet dan ook meer binnen het kader van theorieën over sociale ruil worden geïnterpreteerd: hoe minder middelen men in een ruilrelatie kan inzetten, hoe minder ruilrelaties zich zullen aandienen. Hoewel er wel degelijk sprake is van occasionele hulp aan personen die in armoede leven, voldoet deze hulp zeker niet als een effectief armoedebestrijdend element.

Het onderzoek heeft het belang van deze problematiek voor de cohesie van onze maatschappij getoond, evenals de mogelijke dreiging van een nieuwe groep ‘generatiearmen'.


i. Van Robaeys, B., Vranken, J., Perrin, N. & M. Martiniello. De kleur van armoede. Armoede bij personen van buitenlandse herkomst. Acco 2007.

http://www.kifkif.be/actua/onderzoek-oases-de-kleur-van-armoede