Praktijktesten, een stand van zaken

12-04-2017 | Margot Van Rompay

In 2015 voerde het Minderhedenforum een onderzoek uit naar de dienstenchequesector. Het Forum wilde nagaan of bedrijven bereid zouden zijn een discriminerende vraag in te willigen. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een uitspraak als: ‘Wij willen liever geen allochtone poetshulp’. De resultaten waren frappant: slechts één op de drie bedrijven weigerde op zulke vraag in te gaan. Naar aanleiding van dit onderzoek ontstond er in de federale en in de Vlaamse regering een fel debat rond discriminatie en racisme. Onze anti-discriminatiewetten, zo bleek, faalden en falen nog steeds.

Op Vlaams niveau

Op 25 februari 2015 vond een actualiteitsdebat plaats naar aanleiding van het onderzoek van het Minderhedenforum. Philippe Muyters (N-VA) stelde toen dat er krachtdadig moest worden opgetreden tegen discriminatie. Bart Somers (Open VLD) zei een hevig voorstander te zijn van het gebruik van praktijktesten, mits grondig onderzoek en binnen een wettelijk kader. In 2007 was wel al het Actieplan Bestrijding Arbeidsgerelateerde Discriminatie opgestart, dat in 2013 herzien werd. Hierbij werd voornamelijk ingezet op sensibilisering, communicatie en dialoog met de mensen op het terrein. Maar uit het recente debat bleek ook dat dit niet voldoende is. Daarbij werd onder meer een artikel uit 2007 van Bart De Wever aangehaald, waarin gepleit werd voor het gebruik van praktijktesten. Hij ging er wel van uit dat de omkering van de bewijslast gevaarlijk kan zijn omdat men op die manier racist, xenofoob of seksist zou zijn tot bewijs van het tegendeel.

Hierop volgde een voorstel van decreet ingediend door Yasmine Kherbache (sp.a). Aan de hand hiervan wou men er voornamelijk voor zorgen dat het discriminatieverbod geen dode letter bleef. Daarbij werd een effectieve aanpak van discriminatie noodzakelijk geacht met behulp van een praktijktest. Kherbache stelde terecht dat er nog steeds voor de zachte aanpak van discriminatie werd geopteerd. Sensibilisering en zelfregulering zijn lovenswaardig, maar zijn zij ook niet te vrijblijvend?

Op 8 juli 2015 volgde een voorstel van resolutie, opgesteld door Björn Rzoska en Imade Annouri (Groen). Daarin stellen zij dat het decreet over het verbod op discriminatie binnen het domein ‘werk’ dode letter is gebleven. Er is volgens hen een nijpend tekort aan uitvoeringsbesluiten die kunnen bijdragen tot een efficiënt antidiscriminatiebeleid. Beiden kaartten aan dat de zwakke schakel binnen de antidiscriminatiewetgeving voornamelijk het gebrek aan een repressieve en proactieve handhaving is. Praktijktesten, waarbij een sanctioneringsmiddel voorhanden is, zouden dan een hulpmiddel kunnen zijn. Dit voorstel van resolutie werd echter door de commissie verworpen.

Tenslotte werd op 28 oktober 2015 een resolutie goedgekeurd betreffende de sensibilisering, preventie en handhaving inzake discriminatie op de arbeidsmarkt van personen met een migratieachtergrond. Daarbij ging men ervan uit dat er nog meer kan ondernomen worden op het vlak van sensibilisering en zelfregulering. Er werd gesteld dat er krachtdadig dient te worden opgetreden tegen discriminatie en dat er nood is aan een grondige mentaliteitswijziging bij werkgevers (wat men al langer wist). De sociale partners zouden bijvoorbeeld informatiecampagnes op poten kunnen zetten die slachtoffers informeren over hun rechten en uitnodigen om klachten van discriminatie te melden. Nochtans werden er op 30 april en 28 mei 2015 wel hoorzittingen gehouden waarbij onder meer de raad van Eubelius (een advocatenkantoor dat advies verleent voor Belgisch en Europees recht, nvdr) werd bevraagd. Zij stelden vast dat de overheid praktijktesten zou kunnen organiseren onder voorbehoud van een wettelijk of reglementair kader. Dit werd blijkbaar niet mee in rekening genomen.

Op 28 februari 2017 echter heeft de Socio-economische raad van Vlaanderen, op vraag van minister Liesbeth Homans, een advies uitgebracht. Daarin drong de SERV er bij de Vlaamse regering op aan dat zij zelf praktijktesten zou uitvoeren, waardoor ze meteen ook een voorbeeldfunctie kon vervullen. Dit advies bracht echter weinig zoden aan de dijk.

Op federaal niveau

Op 4 maart 2015 boog de Commissie van Sociale Zaken zich over de shockerende cijfers die het Minderhedenforum had bezorgd. Zowel Wouter Van Bellingen, toenmalig directeur van het Minderhedenforum, als Mohamed Lahlali, stafmedewerker bij het Minderhedenforum, kwamen aan het woord. Zij stelden onomwonden dat praktijktesten geen nieuw gegeven zijn. De economische inspectie heeft volgens hen reeds de bevoegdheid om aan mystery shopping te doen.

Op 25 maart 2015 verklaarde minister van Werk, Kris Peeters (CD&V), dat mystery calls, op voorwaarde dat ze aan strikte randvoorwaarden voldoen, uitermate geschikt zijn om discriminatie op de arbeidsmarkt op te sporen. In de eerste plaats, stelde hij, dient discriminatie aangepakt te worden met preventie, sensibilisering en zelfregulering. Mocht dit onverhoopt niet werken dan kan men overstappen naar het gebruik van mystery calls. Dit voorstel werd niet onderschreven door de andere regeringspartijen (N-VA en Open VLD), die meer daadkracht zien in zelfregulering en dit eerst een kans willen geven vooraleer men een besluit vormt rond praktijktesten.

Op 22 mei 2015 dienden Vincent Van Quickenborne (Open VLD), Zuhal Demir (N-VA), Nahima Lanjri (CD&V) en David Clarinval (MR) een voorstel van resolutie in voor gerichte controles inzake discriminatie op de arbeidsmarkt. Opnieuw werd zelfregulering als eerste stap gedefinieerd. Men bepleitte bijkomende wettelijke instrumenten die het mogelijk moeten maken om discriminatie effectief vast te stellen en aan te pakken, al werd de methode van de praktijktesten niet daartoe gerekend. Ten slotte werd gesteld dat de overheid in deze materie een voorbeeldfunctie heeft en dat er onmiddellijk gewerkt moest worden met gerichte controles. Het begrip ‘gerichte controles’ werd echter niet afdoende gedefinieerd en is nog steeds voor discussie vatbaar. Dit voorstel werd op 2 juli 2015 goedgekeurd.

Ondertussen hadden Evita Willaert (Groen) en Georges Gilkinet (Ecolo) op 3 juni 2015 een voorstel van resolutie ingediend over de uitbreiding van de wettelijke instrumenten ter bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt. Hierin pleitten ze specifiek voor het gebruik van praktijktesten. Sociale inspecteurs moesten, zo werd voorgesteld, de bevoegdheid krijgen om proactief op te treden en in staat te worden gesteld om mogelijke discriminaties op de arbeidsmarkt te controleren. Er werd wel nadrukkelijk gesteld dat de voorkeur moet uitgaan naar niet-gerechtelijke oplossingen. Daarbij werd onder meer gedacht aan een verzoeningsprocedure, zodat de onderneming in staat wordt gesteld om de discriminerende gedragingen aan te passen en de kans krijgen om zich naar de wet toe te leven. Dit voorstel werd niet behandeld omdat het voorstel Van Quickenborne, Demir, Lanjri en Clarinval was aangenomen in de kamer en mits een aantal amendementen ook werd ondertekend door Willaert en Gilkinet.

Vervolgens heeft Meryame Kitir (sp.a) een wetsvoorstel ingediende betreffende de praktijktesten. Ze haalt aan dat de dat er erg weinig veroordelingen wegens discriminerende handelingen plaatsvinden. Het federaal antidiscriminatie wordt niet ernstig genoeg gehandhaafd. Dit komt, volgens mevrouw Kitir, meestal omdat de discriminerende handelingen zo goed als altijd plaatsvinden in een private situatie (zoals een telefoongesprek tussen werkgever en de kandidaat). Dit is zeer moeilijk om aan te tonen in de rechtbank, omdat er vaak weinig sporen zijn terug te vinden. Hierin worden duidelijk regels opgesteld die verband houden met het concrete gebruik van praktijktesten. Zo moeten alle testpersonen een opleiding hebben genoten bij het Interfederaal Gelijkekansencentrum, mogen ze geen familiale band hebben met het vermeende slachtoffer of de vermeende dader, enz… Echter, dit voorstel staat nog steeds vermeld als een hangend wetsontwerp.

Op 22 juni 2016 werd er in de Kamer van Volksvertegenwoordigers gepeild naar de stand van zaken in verband met de gerichte controles. Onder andere Evita Willaert, Nahima Lanjri en Raoul Hedebouw stelden zich sceptisch op en wilden dat er meer schot in de zaak kwam. Opmerkelijk was wel dat mevrouw Lanjri de gerichte controles hier gelijkstelde aan mystery calls (want ze stelde hier dat iedereen het kan noemen zoals hij of zij dat wil).

Kris Peeters reageerde op 21 maart 2017 met een concreet wetsvoorstel dat de sociale inspectie zou toelaten om mystery calls uit te voeren. Men kan dan onder een fictief profiel solliciteren op een vacature en aan de hand hiervan kan er worden gecontroleerd of er sprake is van discriminatie op basis van afkomst, geslacht, leeftijd of handicap. Dit werd opnieuw slecht onthaald door de andere regeringspartijen N-VA en Open VLD.

  

Illustratie: Noa-Mae Gerits

Conclusie

Twee jaar na het onderzoek van het Minderhedenforum is de discussie nog steeds niet voorbij het concept van zelfregulering gekomen en zijn praktijktesten nog steeds niet bij wet geregeld. Het begrip gerichte controles lijkt hier wel een aanzet toe, maar het kan evengoed dienen als dekmantel voor het zogezegd aanbieden van middelen om discriminatie na te gaan op de arbeidsmarkt. Concreet is er tot op heden nog steeds geen bruikbaar instrument voorhanden, zoals een gereguleerde praktijktest, om klachten van discriminatie in een rechtszaak te versterken en de bewijslast daadkrachtig te maken.

http://www.kifkif.be/actua/praktijktesten-een-stand-van-zaken