Religieuze dimensies aan de afkeuring van slachtofferloze delicten

19-10-2008 | C.A. van der Schans (Universiteit Leiden)

Een internationaal vergelijkend onderzoek

Bron: Internet 07/02/2008 - C.A. van der Schans (Universiteit Leiden)

  Een internationaal vergelijkend onderzoek

  C.A. van der Schans Begeleiders: Johan van Wilsem (UL), Heike Goudriaan (UL) & Ferry Koster (UvA) Tweede lezer: Andrea Donker (UL)

Datum: 20 - 04 - 2007   Afstudeerscriptie Criminologie Universiteit Leiden  

Individuen hebben bepaalde opvattingen over delicten. De criminologische studies die hierover zijn uitgevoerd zijn gericht op een groot scala aan delicten, variërend van lichte overtredingen tot zware misdrijven. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat deze opvattingen verschillen per delict. Er blijkt meer consensus te bestaan over de ernst van delicten zoals moord en geweldpleging dan over de ernst van delicten zoals te hard rijden en het ontduiken van belasting, waar individuen soms heel verschillend over oordelen ((Herzog, 2003; Evans & Scott, 1984; Al-Thakeb & Scott, 1981). Deze laatste delicten vallen onder de noemer slachtofferloze delicten. Slachtofferloze delicten zijn individuele gedragingen die bij de wet verboden zijn maar die geen rechten van andere individuen schenden of significant bedreigen (Wikipedia, 2007). In deze studie staat de gepercipieerde rechtvaardigheid van dat soort delicten centraal. In analogie met de resultaten van onderzoek naar de gepercipieerde ernst van delicten wordt verwacht dat individuele percepties omtrent slachtofferloze delicten de meeste verschillen vertonen. Het doel van deze studie is om te onderzoeken of  individuen verschillen in de mate waarin ze dat type delicten als rechtvaardigbaar achten en hoe deze verschillen verklaard kunnen worden. Waarom heeft de één bijvoorbeeld veel moeite met het ontduiken van de belasting en een ander in het geheel niet?

Deze studie besteedt specifieke aandacht aan de rol van religieuze denominatie en de mate van religiositeit van individuen. Onderzocht wordt of deze twee aspecten de percepties omtrent slachtofferloze delicten beïnvloeden. Na de aanslagen op het WTC in New York in 2001 is er in de populaire media veel aandacht besteed aan de verschillen die zouden bestaan tussen aanhangers van diverse religieuze denominaties. Een theorie die daarbij vaak genoemd wordt, is de ‘clash of civilizations’ theorie. Deze theorie stelt dat de culturele en religieuze identiteit van individuen met elkaar verbonden zijn en dat verschillen tussen deze identiteiten tevens de primaire bron voor conflicten zijn in de huidige wereld. Vooral het verschil tussen islamieten en niet-islamieten wordt hierbij benadrukt (Lewis, 1990 & Huntington, 1996). Dit wordt verklaard door de stelling dat aanhangers van beide religieuze denominaties ervan overtuigd zijn dat hun waarden en opvattingen de doelen van het menselijke bestaan het beste vertegenwoordigen en overgenomen zouden moeten worden door de rest van de wereld.

  De stelling dat religieuze denominaties invloed hebben op de sociale moraliteit van hele samenlevingen is grondig uitgewerkt door de socioloog Max Weber. Hij beargumenteerde dat de sociale inrichting van een samenleving een bepaalde religieuze ethos als grondslag heeft (Weber, 1930). Deze religieuze ethos wordt genoemd als de ‘grondslag’ van bepaalde maatschappelijke veranderingen. Met het gebruik van de term grondslag wordt erkend dat andere sociale invloeden uit de politieke en de economische sfeer in combinatie met deze religieuze ethos de uiteindelijke diversiteit in sociale moraliteit veroorzaken (Weber, 1946). Aan de hand van percepties omtrent delinquente gedragingen wordt in de huidige studie vastgesteld of aanhangers van verschillende religieuze denominaties hier andere opvattingen over bezitten dan individuen die niet een bepaald geloof aanhangen. Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat er inderdaad verschillen bestaan tussen aanhangers van verscheidene religieuze denominaties, aangaande hun percepties over criminaliteit (Herzog, 2003; Evans & Scott, 1984; Al-Thakeb & Scott, 1981). Deze onderzoeken toonden aan dat islamieten delinquente gedragingen als ernstiger beoordelen dan joden en christenen. Bovendien waren de verschillen het grootste bij slachtofferloze delicten.   Een ander, voor dit onderzoek belangrijk, verschil tussen aanhangers van religieuze denominaties is de mate van religiositeit. Vooral binnen de Christelijke populatieconcentraties in bijvoorbeeld Europa is de mate van religiositeit sinds 1960 sterk gedaald (Jenkins, 2006) terwijl er indicaties zijn dat deze stijgt onder Islamitische populaties (Evans & Scott, 1984; Al-Thakeb & Scott, 1981). Binnen de ‘clash of civilizations’ theorie word deze zogenoemde Islamic resurgence in combinatie met de snelle bevolkingstoename van de islamieten als recente factoren aangeduid die bijdragen aan een botsing tussen het voornamelijk christelijke Westen en de islam (Huntington, 1996). Het is aannemelijk dat individuen die niet tot een bepaalde religieuze denominatie behoren zichzelf als niet religieus definiëren. Wanneer individuen aangeven dat ze wel tot een bepaalde religieuze denominatie behoren zegt dit nog weinig over de mate waarin die religie van belang is in het dagelijkse leven van dit individu. Aangezien deze studie onderzoekt of religieuze denominatie van invloed is op de percepties omtrent delicten is het van belang om tevens na te gaan of religiositeit een afzonderlijke bijdrage levert aan de verklaring van criminaliteitspercepties. Dit onderzoek zal zich daarom niet alleen richten op de invloed van wat iemand gelooft maar ook op de invloed van de mate waarin iemand gelooft.  

De relatie tussen religiositeit en criminaliteit is al decennia onderwerp van discussie. Wetenschappers als Durkheim en Weber beweerden dat religiositeit, als een agent of social control, conformiteit bevordert en delinquentie reduceert door het internaliseren van morele waarden en sociale normen (Durkheim, 1912; Weber, 1968). In tegenstelling tot hen waren latere onderzoekers (Bonger 1916; Ellis, 1910; Lombroso, 1911) sceptisch over het bestaan van een dergelijke relatie en suggereerden zelfs een positieve relatie tussen religiositeit en criminaliteit. Zelfs de grondlegger van de sociale controle theorie, Travis Hirschi, concludeerde na de toonaangevende Hellfire and delinquency studie (Hirschi & Stark, 1969) dat religiositeit zelf-gerapporteerde delinquentie niet beïnvloedde. Sinds dit Hellfire onderzoek zijn er desondanks talloze onderzoeken gedaan naar de invloed van religiositeit op crimineel gedrag, waarbij wel degelijk een negatief verband werd gevonden (Burkett & White, 1974; Albrecht, Chadwick & Alcorn, 1977; Elifson, Petersen & Hadaway, 1983; Sloane & Potvin, 1986; Cochran; Wood & Arneklev, 1994; Pettersson, 1991; Junger & Polder, 1993). Deze onderzoeken naar religiositeit zijn voornamelijk gebaseerd op zelfgerapporteerde criminele en regelovertredende handelingen of op officiële data afkomstig van nationale (statistische) instellingen. De onderhavige studie richt zich daarentegen op de invloed van religiositeit op percepties ten opzichte van crimineel gedrag. Dit vormt een onderbelicht terrein in de criminologie, gezien het schaarse onderzoek hierover.  

Uit de onderzoeken naar de invloed van religieuze denominatie en religiositeit op percepties ten aanzien van crimineel gedrag, is gebleken dat religieuze denominatie en religiositeit vooral van invloed zijn op percepties omtrent slachtofferloze delicten ((Herzog, 2003; Evans & Scott, 1984; Al-Thakeb & Scott, 1981). Een belangrijk verschil tussen onderhavige studie en de voorgaande studies is dat er nu gebruik gemaakt wordt van een mondiale steekproef. De voorgaande studies maakten gebruik van steekproeven afkomstig uit één land of maakten gebruik van een steekproef getrokken uit twee landen om interculturele verschillen te bepalen. Deze studie is daarentegen gebaseerd op data afkomstig van de geïntegreerde European Value Survey en de World Value Survey. Deze surveys zijn uitgevoerd in de periode tussen 1981 en 2004 en hierin zijn mensen uit 81 verschillende landen vertegenwoordigd.

  Zoals reeds vermeld stellen onderzoekers als Weber en Huntington dat religieuze denominaties invloed hebben op de (morele) opvattingen van alle aanhangers. Verder zijn religieuze denominaties geconcentreerd in bepaalde landen en stelt Jenkins dat er in sommige, van oorsprong christelijke, landen sprake is van een afname van religiositeit. Tenslotte is het aannemelijk dat landen vaak een dominante cultuur creëren en vertegenwoordigen waarin de inhoud van morele waarden worden vormgegeven door bijvoorbeeld de specifieke strafbaarheid van de onderzochte gedragingen. Om deze redenen is het bij deze studie van belang om aan te nemen dat het land waar men woonachtig is, tevens van invloed is op de percepties omtrent slachtofferloze delicten.   Uit het voorgaande is de volgende onderzoeksvraag afleidbaar: In hoeverre hebben religieuze denominatie en religiositeit invloed op de percepties omtrent slachtofferloze delicten?

 

http://www.kifkif.be/actua/religieuze-dimensies-aan-de-afkeuring-van-slachtofferloze-delicten