Sociaal kapitaal en extreem rechts in Vlaanderen

11-09-2009 | Achtee Al Yussef

In dit onderzoek wordt de hyporthese dat de graad van sociaal kapitaal een negatieve weerslag heeft op de resultaten van extreem rechtse partijen getoetst. Deze hypothese wordt aan de hand van de resultaten van het Vlaams Belang, in de gemeenteraadsverkiezingen in Vlaanderen voor 2000 en 2006, gedaan.

Abstract

In dit onderzoek wordt de hyporthese dat de graad van sociaal kapitaal een negatieve weerslag heeft op de resultaten van extreem rechtse partijen getoetst. Deze hypothese wordt aan de hand van de resultaten van het Vlaams Belang, in de gemeenteraadsverkiezingen in Vlaanderen voor 2000 en 2006, gedaan. De bevindingen uit het empirisch onderzoek bevestingen deze stelling. Zo bleek dat in gemeenten met hogere sociale netwerken de gemiddelde Vlaamse kiezer minder geneigd is om te stemmen op het Vlaams Belang. Anderzijds heeft het Vlaams Belang in gemeenten met een hogere graad van criminaliteit meer kans om stemmen te winnen. Werkloosheid zou volgens de theorie van sociaal kapitaal een teken van sociale desintegratie zijn. Iemand zonder werk zou meer geneigd zijn om te stemmen op de extreme partijen. Mijn bevindingen  bevestigen deze stelling.  Er werd ook een onderzoek gedaan of de kiezers van Vlaams Belang alleen maar loosers of modernity zijn. Uit de resultaten van dit onderzoek bleek dat het Vlaams Belang ook hogere sociale lagen van de maatschappij kon bereiken. Deze bevinding voldoet aan de stelling van “welvaartschauvinisme”. 

   1. Inleiding

Putnams (1993) theorie van sociaal kapitaal benadrukt het (eenrichting) causaal verband tussen politieke cultuur en democratische performantie. In landen of regio's waar gemeenschappen actief zijn en intensief deelnemen aan het politieke gebeuren, worden de (lokale) regeringen (besturen) verplicht om aan de verwachtingen van de burgers te voldoen. Putnam hiervoor gebruikt de term sociaal kapitaal om te verwijzen naar de aanwezigheid van normen en sociale netwerken binnen een gemeenschap. Hij zag dat er verschillen optraden in de performantie tussen de verschillende locale besturen in Noord en Zuid Italië - ondanks het feit dat deze verschillende locale overheden dezelfde bevoegdheden hadden. Het feit dat hetzelfde politieke structuur bestaat doch verschillende politieke culturen, komt Putnam tot de conclusie dat de politieke cultuur vooral doorslaggevend is in het bepalen van de manier waarop het bestuur functioneert en niet omgekeerde. Aldus concludeert Putnam dat sociaal kapitaal een positieve invloed heeft op de wijze waarop de openbare instellingen werken. Andere studies in het veld van het sociaal kapitaal, bijvoorbeeld Boix & Posner (1998), tonen aan hoe sociaal kapitaal de gemiddelde burger politiek bewust maakt; van hem/haar 'sophisticated consumer of politics' maakt. Samengevat, kunnen wija hier ervan uit gaan dat sociaal kapitaal de democratie bevordert.
Het doel van deze paper is de invloed van sociaal kapitaal op de resultaten van de extreem rechtse partijen na te gaan, in het bijzonder de invloed van sociaal kapitaal op de resultaten van het Vlaams Belang in Vlaanderen. Het Vlaams Belang is natuurlijk niet te onderscheiden van het algemene fenomeen van extreem rechts populisme in Europa, die vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw opnieuw terrein begonnen te winnen in verschillende Europese landen zoals Noorwegen, Italië, Oostenrijk en Frankrijk. De stijgende populariteit van deze partijen is een bron van zorg geworden voor verschillende Europese democratieën. Deze partijen worden beschouwd als een tegenpool van democratie, ecologisme, globalisering, en multiculturele samenleving. Deze partijen laten zich leiden door het extreem etnisch nationalisme, waarbij het bewaren van de eigen identiteit tegen vreemde invloeden centraal staat. Dit etnocentrische karakter van extreem rechts – die hand in hand gaat tegen de nieuwkomers en de allochtonen- samen met de antisysteem en autoritaristische houdingen, maakt deze partijen als bedreiging voor het democratische proces.

Electorale onderzoeken naar de kiezers van die rechtse partijen tonen dat er gemeenschappelijke noemer bestaat dat die kiezers bindt. De kiezers van de extreem rechtse partijen blijken etnocentrisch, autoritaire en sociaal uitgesloten te zijn; en alsook cynische houdingen na te houden  jegens de politiek. Andere studies in dit domein (Billiet, 1998; Billiet & de Witte, 2001) tonen aan dat mensen die actief deelnemen aan het gebeuren van sociale organisaties (hetzij religieus of pluralistisch), minder geneigd zijn om voor extreem rechtse partijen te stemmen. Deze resultaten komen overeen met de hypotheses van de theorie van sociaal kapitaal: de politieke cultuur in gemeenschappen, rijk aan sociaal kapitaal bevordert het democratische proces, en mensen die sociaal geïsoleerd zijn, blijken meer geneigd te zijn om voor extreme partijen te stemmen.
Bestaat er een negatieve correlatie tussen de graad van het sociaal kapitaal en de resultaten van extreem rechts? De correlatie tussen sociaal kapitaal en de de resultaten van het Vlaams Belang in de regionale verkiezingen van 2000 en 2006 in Vlaanderen, zullen aan deze vraag onderworpen worden. De volgende sectie, sectie II een samenvatting van enkele theoretische argumenten wordt gegeven. Sectie III, een empirische toets wordt gedaan aan de hand van de bestaande data over de resultaten van regionale verkiezingen in 2000 en 2006 in België. In sectie IV, samenvattende bespreking van de ondervindingen.

2. Sociaal kapitaal en extreem rechts van een theoretische invalshoek

In de discussie rond de factoren achter een stabiele democratie bestaat er onenigheid over de vraag of de politieke cultuur de beslissende oorzaak is achter een stabiele democratie.  De vraag luidde of al dan niet het omgekeerde het geval was: namelijk of   een stabiele democratie niet de oorzaak is achter een bepaalde politieke cultuur. De doorbraak kwam van Robert Putnam met zijn theorie van sociaal kapitaal. Putmans (1993) theorie van sociaal kapitaal kon verklaren dat de politieke cultuur wel doorslaggevend is voor een stabiele democratie. Aan de hand van sociaal kapitaal, kon Putnam de verschillen in de performantie van de verschillende regionale regeringen in Italië verklaren. Hij stelt vast dat er degelijk wel een sterk eenrichtings causaal verband bestaat tussen de burgercultuur en de performantie van de overheden als hoeksteen voor een gezonde democratie. Sociaal kapitaal wordt dan door Putnam gedefiniëerd als de aanwezigheid van normen van wederkerigheid, een sterke mate van het veralgemeend vertrouwen, en de aanwezigheid van netwerken van maatschappelijk engagement. De notie van veralgemeend vertrouwen verwijst naar het bestaan van het algemene vertrouwen tussen de burgers, wat de samenwerking tussen de burgers gemakkelijk maakt en het probleem van de collectieve actie vermijdt (Deschouwer & Hooghe, 2005)

Als de leden van een groep of de burgers van een gemeenschap eenmaal een degelijk sociaal kapitaal hebben opgebouwd, zal dit leiden tot een betere samenwerking tussen de burgers om de conflicten op een vreedzame manier op te lossen en de criminaliteit te reduceren. De aanwezigheid van sociaal kapitaal binnen een gemeenschap kan door de burgers aangewend worden om collectieve handelingen te bekomen – zoals de verwachtingen van de burgers vertalen in politieke eisen, en de lokale besturen ertoe te dwingen om aan die eisen te voldoen (Hooghe, 2000). Een uitdaging voor het democratische proces is dan de voorkeuren van de burgers te vertalen in beleidsuitkomsten. Burgers dienen hier instrumenteel te stemmen i.e. politici belonen en straffen d.m.v. hun stem. Een slecht beleid door de regering wordt beoordeeld door de burgers door niet meer op die partijen te stemmen in de volgende verkiezingen. De politieke partijen zullen hiermee rekening houden om te voldoen aan de verwachtingen van de mensen.

Hier treedt het probleem van de asymmetrische informatie. Wanneer de burgers niet genoeg op de hoogte zijn van het politieke gebeuren, wat maakt de burgers expressief stemmen, dan stemmen ze op een partij onafhankelijk van het gevoerde beleid. Hiervoor zijn de netwerken van het sociale engagement een goede remedie, omdat de burgers aan de juiste informatie kunnen komen. In worden van Boix en Posner maken netwerken de burgers een ‘sophisticated consumer of politics’ (Boix and Posner, 1998). Jottier & Heyndels (2009) tonen aan in wat Vlaanderen betreft sociaal kapitaal de informatiekosten vermindert en de burgers helpt om instrumenteel te stemmen.

Anderzijds wordt in gemeenschappen en regio’s waar wantrouwen heerst, het probleem van de collectieve actie verergerd. Dit zou dan zijn negatieve weerslag hebben op de economische performantie van de regio en het verspreiden van criminaliteit. Putnam (1993) benadrukt hier het belang van netwerken van engagement die worden belichaamd door politieke partijen en verenigingen in de versterking van de normen van wederkerigheid en samenwerking tussen de burgers. Daarnaast, is er nog een mate van interdependentie tussen de drie determinanten van het sociaal kapitaal. Wederzijds vertrouwen ontstaat uit veralgemeende wederkerigheid en uit het functioneren in de sociale netwerken. Op zijn beurt wederzijdse vertrouwen bevordert de samenwerking, (als er geen vertrouwen is tussen de burgers dan is samenwerking moeilijker en aldus spint er minder netwerken) (Billiet, 1998). Zo zal bijvoorbeeld het wederzijdse vertrouwen tussen de burgers verminderen door criminaliteit, dit werkt contraproductief in het genereren van een sociaal kapitaal in de gemeenschap.
 
Sommige critici pleiten voor een netwerkgeoriënteerde benadering van het concept sociaal kapitaal, waarbij sociaal kapitaal hoofdzakelijk gedefiniëerd wordt als de aanwezigheid van allerlei kanalen van interactie en netwerken tussen de burgers, wat op zijn beurt een positieve weerslag heeft op het mogelijk maken van het realiseren van de collectieve actie. Hierbij wordt het begrip ‘netwerk’ nog breder gedefiniëerd en verwijst naar een hele waaier van formele en informele relaties tussen de burgers, zoals familierelaties, vriendenkringen enzovoort (Hagan, Merksen & Boekhne, 1995). Verder, tonen Hagan et al (1995) aan hoe de afwezigheid van dergelijke sociaal kapitaal een oorzaak is voor jeugdcriminaliteit en wijd verspreide extreem rechtse sentimenten tussen de jongeren in Oost Duitsland. Volgens hen, vormen families en scholen een belangrijke bron van informele sociale controle dat een soort sociaal kapitaal produceert die jeugdcriminaliteit en de extreem rechtse sentimenten bij de jongeren tegenhoudt.

Uit hierboven besproken redenering, kan men ervan uit gaan dat sociaal kapitaal een garantie vormt voor een gezond democratisch proces. Het is nu een kwestie van logisch redeneren; als sociaal kapitaal de democratie bevordert dan kan men ervan afleiden dat de aanwezigheid van sociaal kapitaal de kansen beperkt voor de antidemocratische partijen in casu extreem rechtse partijen. Ik hanteer de term antidemocratisch voor de volgende redenen. Het etnocentrische karakter van extreem rechts als de beschermer van de eigen identiteit tegen de vreemde invloeden, wat hand in hand gaat tegen migranten, manifesteer zich tegen de integratie van de allochtonen  in een pluralistische democratie waaraan alle burgers actief deelnemen ongeacht hun etnische achtergrond (Billiet, 1998). Andere karakters van deze partijen is het autoritarisme, het zich blind werpen aan het gezag, wat lijnrecht strookt tegen de liberale democratie. Terwijl hierboven de nadruk was gelegd op het belang van sociaal kapitaal voor de democratie waardoor de burgers ‘sophisticated consumer of politics’ door hun stem instrumenteel te gebruiken, hebben deze extreem rechtse partijen geen duidelijkheid in hun programma buiten de antithese (Deschouwer & Hooghe, 2005). De eigen identiteit beschermen tegen vreemde invloeden, zonder een duidelijke definiëring van deze identiteit. anderzijds, het zich profileren als anti-establishment, rijst de vraag wat gaat met deze partijen gebeuren als zij aan de regering deelnemen?  (Deschouwe & Hooghe, 2005)

Putnam (1993) suggereert dat sociaal uitgesloten mensen, mensen zonder werk, degenen die geen deelnemen aan verenigingsleven, meer geneigd zijn sympathieën te koesteren voor extreme partijen. Een gemeenschap die rijk is aan sociaal kapitaal, waar de burgers actief deelnemen aan verenigingsleven, worden de democratische normen meer gerespecteerd en verkleint de succes van dergelijke extreme partijen (Coffè, Heyndels, Vermeir, 2007). Sociaal engagement is volgens Putnam een buffer tegen atomizatie en sociale desintegratie. Inderdaad uit studies, bijvoorbeeld (Billiet, 1998) zou er blijken de resultaten in lijn te staan met de voorspelling van Putnam in het geval van Vlaanderen. Billiet (1998) toont aan hoe de deelname aan de levensbeschouwelijke of waardebetrokken organisaties gunstig is voor de ontwikkeling van houdingen die bevorderend zijn voor het democratische proces. Het is niet zo dat Billiet er zonder meer van uitgaat dat de religieuze waarden bevorderend zijn voor het democratische proces, zo’n stelling wordt zelfs verworpen. Waar het hem om te doen is, is de relevantie van die organisaties op maatschappelijk vlak. Deze organisaties blijken een positieve rol te spelen in het bevorderen van de maatschappelijke integratie. In een andere studie tonen Billiet & De Witte (2001) aan dat de maatschappelijke desintegratie de kans verhoogt om te stemmen voor de extreem rechtse partijen. Zij tonen aan hoe de actieve deelname aan verenigingsleven, zowel religieus of pluralistisch, de kans verkleint om te stemmen voor Vlaams Belang. Lager geschoolde arbeiders blijken meer geneigd te zijn te stemmen voor extreem rechtse partijen maar lid zijn van een vakbond verkleint deze kans.

Er zijn andere theorieën rond het publiek van zulke extreem rechtse partijen. Economische situaties kunnen hun invloed hebben op de stemgedrag van de kiezers. Werkloosheid zou zijn positieve invloed blijken te hebben om te stemmen voor extreem rechtse partijen. De theorie van de bedreigende economische belangen (Falter, 1991) suggereert dat de vooral laaggeschoolde arbeiders stemmen op de extreem rechtse partijen. De motieven achter dit kiesgedrag bij laaggeschoolde arbeiders, is het geloof dat de aanwezigheid van de migranten een bedreiging voor hun tewerkstellingkansen vormt. Sinds extreem rechtse partijen zich profileren als antiglobalisering, kunnen deze motiven van laaggeschoolden arbeiders misschien ook verduidelijkt worden aan de hand van Heckscher-Ohlin theorie of ook factor proportion theorie. Dit model toont aan dat in een open economie vooral de laaggeschoolde arbeiders tegen de vrijhandel zijn (tegen globalisering) in kapitaalrijke landen, omdat ze de verliezers van de globalisering zijn, terwijl de hooggeschoolde mensen zijn voor de globalisering. In een open economie, specialiseren de rijke landen zich in kapitaalintensieve industrieën terwijl armere landen zich specialiseren in arbeidsintensieve industrieën. Vrijhandel creëert een situatie van conflict tussen arbeid en kapitaal. In capital-abundant landen, zijn mensen met hogere opleidingen —high skilled labor— bevoordeeld door de globalisering, want zij beschikken over de skills om te werken met hoog technologisch en kapitaal intensieve industrieën waarin de vooruitgaande landen comparatieve voordeel hebben. De handarbeiders in arbeidsintensieve industrieën in ontwikkelde landen zijn benadeeld door de globalisering, want zij zien hun tewerkstellingskans vermindert als gevolg van de concurrentie door de import van arbeidsintensieve goederen van armere landen (Oatley, 2007).

Pelinka (2008) stelt dat de aanhangers van extreem rechts populisme meestal laaggeschoolde arbeiders zijn, terwijl deze partijen in West Europa zich als de stem van ‘proletarische klasse’ profileren, die benadeeld is door de globalisering. Hooggeschoolde Europeanen, zien in tegendeel tot de laaggeschoolden, meer hun kans in een geglobaliseerde wereld. De populariteit van extreem rechts populisme zou een uiting van de kloof tussen winners en losers van de moderniteit zijn volgens (Pelinka, 2008). Volgens Mayer (2000), verhogen de werkloosheid en slechte economische situaties de xenofobische sentimenten bij de laaggeschoolde mensen zoals het antisemitisme in 1930 maar in Oostenrijke van vandaag met 4% werkloosheid, kan extreem rechts toch succes hebben onder de bevolking. Dit fenomeen zien wij ook in andere rijke landen zoals Denemarken en Belgie, dit zou volgens Mayer liggen in ‘welvaart chauvinisme’. Er is geen gevaar van werkloosheid of slechte economische tijden, maar de mensen hebben het gevoel dat het welvaartsysteem  in gevaar is. In het geval Vlaanderen wordt dit stelling bevestigd door Coffé et al (2007). Een van de belangrijkste thema’s in de agenda van de extreem rechtse partijen is hun autoritaire aanpak van de criminaliteit. Extreem rechtse partijen beweren de criminaliteit hard aan te pakken. De aanwezigheid van de criminaliteit in een gemeenschap is al een teken van obstakel voor de vorming van een gezond sociaal kapitaal (Andrews, 2007). De aanwezigheid van criminaliteit in een gemeenschap veroorzaakt minder wederzijdse vertrouwen in die gemeenschap en aldus minder samenwerking. Naast het thema van criminaliteit is het antimigratiethema een van de factoren achter het succes van extreem rechtse partijen. Andere auteurs zoals chapin (1997) benadrukken vooral de criminaliteit onder de allochtonen de populariteit van de extreem rechts verhoogt. Chapin (1997) toont aan dat in gebieden in Duitsland waar grotere allochtone gemeenschap is, haalt extreem rechts weinig stemmen. Terwijl in gebieden waar de aanwezigheid van allochtone gemeenschap gepaard gaat met een hogere criminaliteit, de extreem rechtse partijen meer stemmen wint. Hij beweert aldus dat de populariteit van extreem rechts niet als een gevolg van xenofobie gevoelens bij de Duitsers te beschouwen. Billiet & De Witte (2001) verwijzen in tegendeel naar de autoritaire denkbeelden van die kiezers en deze denkbeelden  zouden meer een teken van atomizatie en sociaal desintegratie i.e. wantrouw jegens de samenleving en vrees voor de toekomst. Hier kunnen de netwerken van sociaal engagement een remedie zijn voor.
3. Empirisch onderzoek naar factors achter de resultaten van Vlaams Belang

Het doel van deze paper is de invloed van sociaal kapitaal op de resultaten van extreem rechtse partijen te onderzoeken. De theorie van sociaal kapitaal voorspelt het bestaan van een negatieve correlatie tussen de beide variabelen. Met andere woorden, in gemeenschappen waar sociaal kapitaal hoog is, zijn de burgers minder geneigd om te stemmen op de extreme partijen. Deze hypothese wordt getoetst aan de hand van de behaalde resultaten door het Vlaams Belang in de verschillende Vlaamse gemeenten voor de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 en 2006.

In sectie 3.1 wordt een korte beschrijving van de data gegeven.

In sectie 3.2 wordt de gehanteerde empirische methode togelicht en in sectie 3.3 worden de resultaten besproken.

3.1 Data beschrijving

De gehanteerde data bevatten informatie over de behaalde resultaten door de verschillende deelnemende partijen aan de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 en 2006. Aangezien het doel van deze paper eruit bestaat de invloed van sociaal kapitaal op de resultaten van het Vlaams Belang na te gaan, beperk ik me hier uiteraard alleen tot de resultaten van verkiezingen voor de Vlaamse gemeenten.  Er zijn in Vlaanderen 308 gemeenten en de verkiezingen worden elk zes jaar gehouden. Door het feit dat het Vlaams belang niet aanwezig was in alle gemeenten, worden alleen de data gebruikt waar de partij wel aanwezig was. Zo was het Vlaams Belang in 183 gemeenten aanwezig in 2000 en in 2006 was dat aantal gestegen naar 227. Daarom gebruik ik twee regressierechen – één voor elk verkiezingsjaar. In 2000 behaalde het Vlaams Belang gemiddeld 10,8% van de stemmen in de 183 gemeenten waar ze deel hebben genomen aan de verkiezingen. In 2006 is dit percentage met 3,88% gestegen naar 14,6%. De afhankelijke variabele in de regressierechte is “aandeel Vlaams Belang in de stemmen”. De waarde van deze variabele ligt tussen 0 en 1 (percentage). De onafhankelijke variabele, “associatie”, is het aantal socioculturele organisaties in bepaalde gemeenten per 100 inwoners in 2001. De onafhankelijke variabele “inkomen per capita” is het gemiddelde inkomen per capita in een bepaalde gemeente. Voor de eerste regressierechte voor 2000, is dat het inkomen per capita voor hetzelfde jaar. Voor 2006 is het op basis van het gemiddelde inkomen per capita in 2005. De variabele “werkloosheid” is het percentage van werkloosheid per actieve bevolking in de desbetreffende gemeente. De laatste “criminaliteit” verwijst naar het aantal delicten per 1000 inwoners in de gemeente.
3.2 Empirische methode

De gehanteerde regressierechten zien er als volgt uit.


Aandeel Vlaams Belang in de stemmen   

De afhankelijke variabele hier is het aandeel van Vlaams Belang in de stemmen, en de onafhankelijke variabelen zijn factoren besproken in de theorie.

De coëfficiënten van  β0 tot β4 meten de invloed van elke onafhankelijke variabele op de resultaten van Vlaams Belang.
De variabele “associatie” die naar het aantal socioculterele organisatie vewijst, kan een goede indicator naar de graad van sociaal kapitaal zijn in desbetreffende gemeente. Volgens de theorie van sociaal kapitaal zal zijn coëfficiënt  B1 een negatief teken aannemen. Dat wil zeggen dat in gemeenten rijk aan sociale netwerken,  de burgers minder geneigd zijn om op de extreme partijen te stemmen.

De onafhankelijke variabele “Inkomen per capita” (gemiddeld inkomen per capita in bepaalde gemeente) geeft  weer - zoals behandeld in het literatuuroverzicht, of een verandering in het inkomen van de kiezer invloed heeft op de resultaten van Vlaams Belang. Indien  β2negatief is betekent dit dat met stijgende inkomens de kiezer minder geneigd is om te stemmen voor Vlaams Belang. We hebben gezien dat volgens de theoretische voorspellingen de kiezers van extreem rechtse partijen vooral loosers of modernity zouden zijn maar volgens de hypothese van ‘welvaart chauvinisme’, zal  β2 het omgekeerde teken moeten geven.  Samen met de variabele ‘Inkomen per capita’, meet de variabele ‘Werkloosheid’ de weerslag van de economische situaties op de resultaten van Vlaams belang. De kiezers van extreem rechtse partijen zouden vooral mensen zijn die sociaal geïsoleerd. Op de arbeidsmarkt, zullen wij naar werklozen verwijzen.

De coëfficiënt β4 meet de invloed van de variabele “criminaliteit” (aantal delicten in de desbetreffende gemeente) op de resultaten van Vlaams Belang. Zoals eerder besproken in het literatuuroverzicht, heeft deze variabele een positieve weerslag op de resultaten van Vlaams Belang. De aanwezigheid van criminaliteit is al een teken van een fragiel sociaal kapitaal, omwille van het feit dat criminaliteit het vertrouwen tussen de burgers vermindert en vervolgens zal er minder samenwerking zijn.

3.3. Bevindingen

De resultaten van OLS-schatter voor beide periodes zijn in tabel 1 weergegeven. De waarde van elke coëfficiënt  is weergegeven voor de desbetreffende periode. De teken van elke coëfficiënt is een goede indicatie van hoe de desbetreffende variable correleert met de afhankelijke variabele “aandeel Vlaams Belang in de stemmen. De empirische bevindingen bevatten geen elementen die vreemd zijn aan de theoretische voorspellingen. De coëfficiënt van sociaal kapitaal heeft een negatief teken en verandert niet veel in beide periodes. De P-waarde is gelijk aan 0 voor meer dan twee decimalen achter de nul wat een heel sterke significantie van de variabele sociaal kapitaal betekent. Met andere woorden, de mensen in gemeenten met meer socioculturele organisaties zijn minder geneigd om te stemmen voor Vlaams Belang. Deze bevinding voldoet inderdaad aan de theoretische voorspelling van sociaal kapitaal. Mensen in gemeenschappen rijk aan sociale netwerken zijn minder geneigd om te stemmen voor de extreme partijen.


         Tabel 1: Bevindingen regressie voor gemeenteraadverkiezingen in 2000/2006: De afhankelijke variabele is aandeel Vlaams Belang in de stemmen.

 

 

Sterrentekens verwijzen naar de graad van significantie, *** significant aan %1, ** significant aan 5%, * niet significant.


Vergelijking 1: De regressierechte voor 2000.

Aandeel Vlaams Belang in de stemmen = - 0,04* – 0.142 associaties per capita + 0.908 inkomen in 2000 + 0.932 werkloosheid in 2000 + 0.155 crime + ε

• De constante term is gelijk aan -0,04 met een P-waarde van 0,14 is hoog insignificant.
 

Vergelijking 2: regressierechte voor 2006.

Aandeel Vlaams Belang in de stemmen =  -0152* associaties per capita + 0.583 werkloosheid in 2006 + 0.47 inkomen in 2005 + 0.021 criminaliteit + ε

• De constante term is gelijk aan - 0,04 met een P-waarde gelijk aan 0,14 is hoog insignificant.
 

De tweede coëfficiënt voor het inkomen per capita geeft de verhouding van deze variabele met de resultaten van het Vlaams Belang weer. De waarde en de significantie van deze variabele verschillen van elkaar in beide periodes. Deze variabele blijft evenwel significant voor de beide periodes. Het negatieve teken van de coëfficiënt van deze variabele voldoet aan de voorspelling van “welvaart chavinism” i.e. mensen in rijkere gemeenschappen zijn geneigd om op de anti-migranten partijen te stemmen. Er is geen sprake van verslechterende economische situaties, maar toch zien de mensen in deze gemeenschappen dat de aanwezigheid van de migranten een bedreiging vormt voor het welvaartsysteem.
De derde coëfficiënt voor de variabele “werkloosheid” verandert in de verschillende periodes maar blijft altijd significant met een P-waarde gelijk aan 0 met twee decimalen achter de nul, wat een teken is van hoge significantie aan een fout van minder dan 0,01. Deze coëfficiënt heeft een positief teken, wat betekent dat werkloosheid een positieve weerslag heeft op de resultaten van Vlaams Belang. Deze beviniding voldoet aan de voorspelling van de bedreigde economische belangen en ook de stelling van sociaal kapitaal dat de arebeiders die uit de boot vallen meer geneigd zijn om te stemmen voor de extreme partijen.

De laatste variabele die de weerslag van criminaliteit op de resultaten van Vlaams Belang meet, blijkt positief gecorreleerd te zijn met de resultaten van het Vlaams belang. Deze variabele blijft statistisch significant doorheen de tijd met een P-waarde gelijk aan 0 voor meer dan twee decimalen achter de nul. Dit betekent dat criminaliteit een positieve weerslag heeft op de resultaten van het Vlaams Belang.
Er blijft een vraag om te beantwoorden namelijk, betekent dat een hogere graad van criminaliteit het vertrouwen tussen de burgers schadt en bijgevolg zijn de mensen minder geneigd om samen te werken?  Om deze vraag te toetsen wordt er een extra regressierechte gedaan. De afhankelijke variabele hier is “associatie” en de onafhankelijke variabele is “crime”.

associatie= β0 + β1 crime + €

Om het probleem van de outlier te vermijden, werd er een 183ste    waarneming weggedaan.  Dit is een gemeente met een hoge graad van criminaliteit en een hoog aantal socioculturele organisaties wat maakt van dit gemeente als een uitzondering. De regressierechte ziet er als volgt uit :

associatie = 0,29 - 0,02** crime + 
N = 182.  R-kwadraat = 0,05. P-waarde = 0,01
 

• significant aan 5% De resultaten uit de laatste regressierechte zijn inderdaad in lijn met de theoretische stelling. Namelijk, criminaliteit vermindert het vertrouwen tussen de burgers en bijgevolg zijn zij minder geneigd om samen te werken. Dit is een reden dat de mensen sympathiën koesteren voor de extreme partijn. Dit kan een verklaring zijn voor de populariteit van Vlaams Belang in die gemeenten.  

4. Conclusie

In deze paper, werd er een onderzoek gedaan naar de correlatie tussen sociaal kapitaal en de resultaten van extreem rechts in België, met name de invloed van sociaal kapitaal op de reusltaten van Vlaams Belang. Putnam (1993) suggereert dat in gemeenschappen rijk aan sociaal kapitaal, de mensen minder geneigd zijn om te stemmen op de extreme partijen. Sociaal kapitaal zou ook bevorderend zijn voor het maatschappelijke integratie. Zo zouden sociaal geïsoleerde mensen meer geneigd zijn sympathiën te koesteren voor de extreme partijen. Alzo vallen de werklozen ook onder deze noemer. De bevindingen uit het empirisch onderzoek zijn niet vreemd aan de theorethische voorspellingen. Er blijkt inderdaad dat in de Vlaamse gemeenten met een hogere graad van sociale netwerken de mensen minder geneigd om te stemmen op het Vlaams belang. Anderzijds blijkt de criminaliteit een positieve invloed te hebben op de resultaten van het Vlaams Belang. Zo kan men ook afleiden uit dit onderzoek dat sociaal kapitaal niet de enige factor is in het verklaren van de resultaten van het Vlaams Belang. Volgens de verschillende theoretische invalshoeken zouden de kiezers van extreem rechtse partijen vooral de loosers of modernity zijn, werklozen, en sociaal uitgesloten zijn.  Maar uit dit onderzoek blijkt dat Vlaams Belang kon ook mensen van de hogere sociaal klasse – in termen van het economisch kapitaal –  bereiken. Deze bevinding is in lijn met de hypothese van “welvaartschauvinisme”.
 

Referenties

Andrews, R. 2007. Civic culture and public service failure: An empirical exploration. Urban studies 44: 845-863
Billiet, J (1998). Social kapitaal, levensbeschouwlijke betrokkenheid en maatschappelijke integratie integratie in België. Tijdschrift voor sociologie 19, No. 1
Billiet, J & De Witte, H (2001). Wie stemde in juni 1999 voor het Vlaams Blok en waarom?. Tijdschrift voor sociologie 22, No. 1
Boix, C. and D.N. Posner. 1998. Social capital: Explaining its origins and effects on government performance. British journal of political science 28: 686-693
Chapin, D. W (1997). Explaining the electoral success of the new right: the German case. West European politics 20: 53-72
Coffé, H. Heyndels, B. Vermeir, J (2007). Fertile grounds for extreme right-wing parties: explaining the Vlaams Blok’s electoral success. Electoral studies 26: 142-155
Deschouwer, K & Hooghe, M (2005). Een inleiding in de politieke weteschappen. Amsterdam: Boom onderwijs
Jotteir, J & Heyndels (). Does social capital increase political accountability? An empirical test for the Flemish municipalities.
Falter, J. W (1991). Hitler’s waehler. Münichen: Verlag C.H Beck.
Hagan, J. Merkens, H. Boekhle, K (1995). Delinquency and disdain: social capital and the control of right-wing extremism among East and West Berlin youth. American journal of sociology 100: 1028-1052
Hooghe, M (2000). Social kapitaal en democratie: verenigingsleven, sociaal kapitaal en politieke cultuur. Leuven: Acco
Mayer, N (2000). Culture – a cover – up for xenophobia. Kvinfo, september
Oatley, T (2007). Internaional political economy: interests and institutions in the global economy. London: Pearson
Pelinka, A (2008). Democracy, populism and minority rights. Renner institute
Putnam, R. (1993). Making democracy work. Civic democracy in modern Italy. Princeton: Princeton university press

http://www.kifkif.be/actua/sociaal-kapitaal-en-extreem-rechts-in-vlaanderen