Superdiversiteit

27-06-2011 | Prof. Dr. Jan Blommaert

Het voordeel van superdiversiteit als fenomeen is dat het moeilijk te ontkennen valt. Wie rond kijkt merkt meteen dat onze omgeving er nu heel anders uitziet dan twee decennia terug; dat we onze levens op een andere manier organiseren en dat we met andere mensen contacten hebben.

Algemeen

Sinds de vroege jaren 1990 is er een nieuwe wereldorde ontstaan die zeer grondige invloed heeft op de manieren waarop samenlevingen nu georganiseerd zijn en zich organiseren, en op de manieren waarop individuen hun levens, socioculturele trajecten en identiteiten gestalte geven. Twee factoren zijn hierin belangrijk geweest; elk van beide heeft zeer concrete invloeden gehad op deze grote ontwikkeling op wereldschaal. De eerste factor is het optrekken van het IJzeren Gordijn in 1989-1990, dat een immense invloed heeft gehad op de ‘zonering’ van de wereld en daardoor zeer omvangrijke en typologisch verschillende migratiestromen op gang heeft getrokken. De tweede factor is de ontwikkeling en massale verspreiding in precies dezelfde periode van het Internet en van mobiele communicatie- en informatietechnologie – de mobiele telefoon. Het samenspel van beide factoren heeft onze samenlevingen hun huidige vorm gegeven, een veel complexer en diverser vorm die we aanduiden met de term ‘superdiversiteit’, en dit samenspel heeft tevens een hele reeks nieuwe socioculturele en politieke fenomenen geschapen (Vertovec 2007).

Ik bespreek beide factoren eerst apart, waarna ik ze samenbreng en bondig een reeks gevolgtrekkingen aanstip. Ik begin dus met een overzicht van superdiversiteit als fenomeen, en zal eindigen met superdiversiteit als paradigma.


Nieuwe migraties
De Koude Oorlog had diverse eigenschappen en effecten; één daarvan was een bepaalde ‘zonering’ in de wereld, een soort van ruimtelijke opdeling tussen kampen in de wereld – het pro-Communistische kamp en het pro-Westen kamp – die gevolgen had voor de mobiliteit en de reistrajecten van mensen. Vanuit het Communistische Oost-Europa of de Volksrepubliek China was, bijvoorbeeld, mobiliteit naar landen die tot het pro-Westerse kamp behoorden zeer beperkt en moeilijk; beide kampen spanden zich trouwens in om dat soort mobiliteit te bemoeilijken. Ten gevolge daarvan zag men tot 1990 nauwelijks Poolse, Tsjechische of Roemeense wagens op wegen in West-Europa; de ‘Chinezen’ in West-Europa waren in de regel Taiwanezen of leden van een wereldwijde Kantonese diaspora. ‘Chinees eten’ was in realiteit dan ook ‘Kantonees eten’.

Migraties voor 1990
Migratie gedurende de periode van de Koude Oorlog was bijgevolg een relatief eenvoudig proces, waarbij mensen uit een beperkte groep thuislanden migreerden naar een beperkte groep gastlanden, en waarbij ze dit deden met vrij transparante motieven en op vrij transparante manieren.

1. Er waren in een aantal landen de onderdanen van voormalige kolonies, die na de dekolonisatie vaak privileges behielden inzake migratie naar de voormalige koloniale metropool. In België gebeurde dit niet, en de instroom van Congolezen in België was daardoor steeds uiterst klein. In Nederland daarentegen was er een zeer aanzienlijke instroom van Surinamers, Molukkers en mensen uit Indonesië (incluis Chinezen); in Groot-Brittanië van mensen uit het Indische subcontinent, de Caraïben en delen van Afrika; in Frankrijk uit de Antillen, Noord-Afrika (vooral Algerije) en West-Afrika.

2. Er waren twee types arbeidsmigranten, de laaggeschoolde industriële arbeiders en de hooggeschoolde kaders.

-Via het systeem van arbeidsmigratie kregen we in de jaren van industriële opbloei in West-Europa een vaak georganiseerde of gestimuleerde immigratie van laaggeschoolde arbeiders (en later hun gezinnen) uit Meditteraan Europa (Portugal, Spanje, Italië, Griekenland), uit Turkije en Marokko. Deze ‘gastarbeiders’ immigreerden veelal met het ideaal van een terugkeer naar het land van oorsprong; deze optie verdween tijdens de recessie van de jaren 1970 en veranderde de ‘gastarbeiders’ in residente ethnische minderheden die nu diverse generaties oud zijn. Hun residente aanwezigheid schiep de ‘etnische buurten’ die we in iedere West-Europese stad zien; ze schiep tevens de sociaal-economische en politieke vraagstukken die uit hun permanente aanwezigheid voortkwamen. Het is voor deze groepen dat Europese overheden ‘integratiebeleid’ ontwikkelden, en voor deze groepen ontstond een geprofessionaliseerde ‘integratiesector’ die deskundigheid omtrent de relatief beperkte doelgroepen ontwikkelde en bundelde. Het is voor deze vorm van migratie dat het begrip ‘multiculturele samenleving’ ontstond: het begrip stond van bij aanvang voor problematische migraties en hun effecten.
-Elite-migratie werd doorheen de gehele na-oorlogse periode – voor en na de Koude Oorlog – zelden als ‘migratie’ bestempeld. Het ging en gaat hier om relatief kleine groepen hoog opgeleide en zeer goed verdienende kaders van bedrijven, internationale instanties en andere ‘white collar’ organisaties, die steeds zeer snel sociale, culturele en politieke aansluiting vonden bij de lokale begoede en hogere middenklasse. Deze groep schiep geen ‘etnische buurten’ maar wel ‘klasse-ghetto’s’ (zoals Brasschaat, Waterloo), had een duidelijk opwaarts effect op vastgoedprijzen in bepaalde regio’s, en is mede aansprakelijk voor de proliferatie van elite-sites zoals golfclubs. Deze fenomenen vallen niet onder de ‘multiculturele samenleving’.

3. Daarnaast was er een systeem van politiek asiel, en het was via dit systeem dat niet-arbeidsmigranten konden immigreren. Alweer ging het om zeer beperkte aantallen mensen met een zeer duidelijk profiel en met duidelijke achtergronden. Via dit kanaal kwamen handjesvol mensen uit het pro-Communistische kamp (‘dissidenten’) naar het Westen; als demografische groep bleven zij verwaarloosbaar.

4. Vanaf het midden van de jaren 1970 zien we in diverse Europese landen (waaronder België) een al dan niet officiële ‘migratiestop’ die de instroom van laaggeschoolde arbeidsmigranten stillegt. Vanaf dat moment wordt officiële immigratie beperkt tot systemen van gezinshereniging en tot instroom via asielaanvragen. Elite-migratie wordt door de migratiestop niet geraakt.

Migraties na 1990
Door het wegvallen van de Koude-Oorlog beperkingen op mobiliteit onstaan er na 1990 volkomen nieuwe patronen van migratie over de gehele wereld. Het gevolg is dat vanaf 1990 het basispatroon van migratie verandert van ‘mensen uit een klein aantal landen van herkomst naar een klein aantal gastlanden’ naar ‘mensen uit een zeer groot aantal landen van herkomst naar een zeer groot aantal gastlanden’. Iedere crisis in de wereld na 1990 resulteert dan ook in datgene wat men eertijds ‘diaspora’ noemde: het uitzwermen van zeer grote groepen mensen over de hele wereld. Somalisch vluchtelingen vindt men nu zowel in België en Nederland als in Finland, Ierland, Spanje, Rusland, Mexico en Japan. De uitbreiding van de EU naar het Oosten had tot gevolg dat grote groepen mensen die tot 1990 nooit in West-Europa zouden geraakt zijn zich nu vrij kunnen bewegen over het gehele EU-grondgebied. We zien nu bijgevolg zeer veel Poolse, Tsjechische en Roemeense nummerplaten op onze wegen.

Vier grote eigenschappen van deze nieuwe migratiepatronen moeten worden aangestipt.

1. We zien een enorme versnippering in de achtergronden van migranten. Daar waar ze voor 1990 uit een beperkt aantal plaatsen kwamen en men derhalve vrij makkelijk de etnische, taalkundige, culturele en religieuze achtergonden van migranten kon achterhalen en begrijpen, komen migranten nu uit letterlijk alle hoeken van de wereld. Ze brengen een nieuwe dimensie van diversiteit mee – superdiversiteit – die zich op alle vlakken manifesteert: etnisch, taalkundig, cultureel, religieus. Op al deze vlakken merken we extreme versnippering van de achtergronden van migranten. Daar waar de vraag ‘wie zijn de migranten’? relatief eenvoudig te beantwoorden was tot 1990, is deze vraag onmogelijk te beantwoorden op dit moment.

2. Gegeven de migratiestop is het mechanisme van legale immigratie nagenoeg volledig beperkt tot elite-migratie en asielaanvragen. Wat dit laatste betreft zien we sedert de vroege jaren 1990 dat in heel Europa de institutionele systemen van asiel overrompeld worden door duizenden aanvragen, verstopt en in een patroon van chronische crisis raken, en hun efficiëntie volkomen verliezen (Commers & Blommaert 2001). Het gevolg daarvan is dat migratie na 1990 als een hoofdkenmerk clandestiniteit heeft, met allerlei gevolgen. Van de 95% asielaanvragers die worden afgewezen blijven er zeer grote aantallen clandestien in West-Europa, waar ze in zeer kwetsbare en precaire situaties leven. Hun aantal wordt vergroot door de instroom via mensensmokkel, en hun aanwezigheid schept een zeer grote ‘zwarte’ arbeidsmarkt met extreem lage lonen en totale afwezigheid van sociale en veiligheidsbescherming; ze schept tevens nieuwe vormen van bewoning in etnische buurten – ‘matrassenverhuur’ en ‘huisjesmelkerij’, vaak georganiseerd door residente migranten uit de pre-1990 migratie.

3. De aanwezigheid van deze nieuwe migranten, en hun beschikbaarheid als cliënten in een informele arbeids- en huisvestingsmarkt, heeft het uitzicht van Westerse steden grondig veranderd. We zien nu dat

(a) etnische buurten steeds meer ‘gelaagd’ worden, soms zelfs letterlijk: een Turkse winkel op het gelijkvloers, een Russisch echtpaar in de flat op de eerste verdieping, en een Poolse bouwvakker, een Afrikaanse predikant en een nieuwkomer uit Mongolië, werkend in een Chinees restaurant, in kleine studio’s op de tweede verdieping.
(b) Dat de ‘integratiesector’ geconfronteerd wordt met een escalerende diversiteit aan cliënten, wat allerhande nieuwe vragen en verwachtingen oproept inzake taalkennis, kennis van culturele, sociale en religieuze achtergronden, en geheel nieuwe problemen van allerleid aard als te behandelen materie schept. Zo is de vraag naar administratieve ondersteuning – het in orde brengen van complexe ambtelijke dossiers – enorm toegenomen in het zog van de explosie van het systeem van asielaanvragen.
(c) Op een meer algemeen vlak zien we hoe deze etnisch, culturele, sociale en taalkundige superdiversiteit gepaard gaat aan een intense dualisering van de samenleving, waarin een reeds zeer omvangrijke groep mensen leeft buiten het systeem van formele rechten en plichten, met gevolgen voor de structuur van de arbeidsmarkt, voor de toename van armoede in de samenleving, voor veiligheid, huisvesting en gezondheid.

4. De respons vanwege overheden op deze superdiversiteit is als volgt samen te vatten.

(a) Het asielsysteem is overal extreem verstrakt, waardoor de legale instroom van mensen zeer klein blijft en de illegale instroom verder blijft toenemen; bovendien zijn er zeer ernstige vragen m.b.t. de rechtvaardigheid en de procedurele correctheid van het systeem.
(b) Toegang tot andere formele rechten wordt steeds nadrukkelijker beperkt tot de kleiner wordende groep legale immigranten, en wordt zelfs binnen die categorie steeds nauwer gemaakt door de nadruk op landurig verblijf, ‘inburgering’ en inkomsten uit arbeid – het volstaat niet meer legaal migrant te zijn, men moet hier al ettelijke jaren leven, Nederlands spreken, en een salaris uit arbeid ontvangen om, bijvoorbeeld, een huwelijkspartner uit een ander land te mogen aantrekken.
(c) Men kiest resoluut voor ‘smart migration’: het aantrekken van hoog-gekwalificeerde migranten die als elite-arbeidsmigrant worden ingezet, zonder rechten op permanent verblijf.
(d) Om de hieruit voortvloeiende dualisering onder controle te houden wendt men zich tot politioneel en veiligheids-beleid, waarin we een voortdurende uitbreiding zien van de notie ‘overlast’. Het beperken van de migratie-instroom en het bestrijden van overlast behoren sinds een decennium tot de kerntaken van de politie- en veiligheidsdiensten in heel Europa.

De nieuwe complexiteit
We zien doorheen dit alles dat de demografische en sociologische samenstelling van de bevolking in zowat alle grote urbane gebieden in het Westen bijzonder complex geworden is (en daarbuiten, ook in niet-urbane gebieden). Immigratie is nu een proces dat talloze landen van herkomst telt, talloze motieven voor migratie – van asiel tot en met zeer tijdelijke tewerkstelling, zoals bij Oost-Europese bouwvakkers. We zien eveneens talloze trajecten: migranten gaan niet meer van land A naar land B; maar bewegen in complexe trajecten van land A naar land B, dan naar C, terug naar A, dan naar D, B, C, en terug naar A. Ze zijn niet allemaal meer per definitie resident, hebben niet het voornemen hun toekomst op één plaats in de wereld uit te bouwen, en hebben bijgevolg nauwelijks een boodschap aan ‘integratie’ of ‘inburgering’. In dat opzicht is de tijd van de ‘etnische minderheden’ voorbij, en zijn de trajecten van laaggeschoolde en hooggeschoolde migranten nu veel meer gelijkend dan voordien. Ook illegale en laag-gekwalificeerde migranten bewegen zich snel en efficiënt doorheen een ruim gebied, inspelend op mogelijkheden en kansen die zich her en der manifesteren. Migranten zijn dus niet per definitie mensen die ergens blijven, ze zijn per definitie mobiel. Ze leven in netwerken eerder dan traditioneel gedefinieerde gemeenschappen. Ze kunnen dit doen en zijn dank zij die tweede grote kracht achter superdiversiteit: technologie.

Nieuwe technologie
In precies dezelfde periode – de vroege jaren 1990 – ondergaan onze samenlevingen een tweede radicale verandering. Vanaf dat moment worden het Internet en, even later, mobiele communicatietechnologieën een vast deel van onze materiële, sociale en culturele omgeving. Deze technologieën veranderen niet enkel het economische leven – ultrasnelle wereldwijde financiële transacties, de opkomst van de e-commerce, de effectieve constructie van globale netwerken van kennis, handel en macht – maar ook het alledaagse leven van iedereen.

1. Kennis wordt grondig veranderd, en de circulatie van kennis is zowel kwantitatief als kwalitatief van een andere orde dan tevoren. De beschikbare kennis is van een nagenoeg eindeloos volume, kan aan een fenomenale snelheid circuleren en beschikbaar worden gemaakt, en is niet langer gebonden aan bepaalde concentratieplaatsen van kennis – de bibliotheken, universiteiten en studiecentra van weleer. Via Smartphones worden buitengewone hoeveelheden kennis nu beschikbaar op elke plek waar men mobilofoonverbindingen heeft. Dat betekent dat leren nu op heel andere manieren verloopt dan tevoren, en dat informele leeromgevingen steeds belangrijker worden als sites van kennisverwerving en –doorgave. Met informele leeromgevingen bedoelen we niet-gecontroleerde en gereguleerde leeromgevingen, zoals die nu geschapen worden door sociale media, online games, chat- en blogkanalen en dergelijke meer. Mensen leren nu meer buiten de school dan erin, en deze informele leeromgevingen bieden fenomenale mogelijkheden voor onderwijskundige vernieuwingen. Leren in de toekomst wordt een kwestie van een goed gedoseerd samenspel van formeel en informeel leren (Davidson & Goldberg 2010).

2. Ons sociaal leven is veranderd, en dit in minstens twee manieren:
(a) ‘Always on’: via mobiele telefonie zijn we in beginsel steeds beschikbaar voor communicatie en informatie-uitwisseling. We hoeven ons niet meer naar een publieke telefoon of een vaste plaats in de huiskamer te begeven om met anderen in contact te treden. Dat heeft tot gevolg dat de onderlinge ‘monitoring’ van elkaars leven nu veel intenser geworden is (“waar ben je nu?”, “wat ben je nu aan het doen?”), dat via sociale media anderen een permanente (“panoptische”) blik op mijn levenswandel kunnen werpen, en dat iedereen bijgevolg voortdurend in staat moet zijn om anderen meteen informatie te bieden.
(b) We zijn door deze technologie in staat om heel andere sociale relaties te ontwikkelen, niet langer meer gebonden aan fysieke nabijheid of andere ‘organische’ vormen van verbondenheid, maar bepaald door interesses, levensstijl en dergelijke. We leven nu even intens in virtuele netwerken als in ouderwetse reële sociale gemeenschappen; we hebben daarbij ook een zeer grote flexibiliteit ontwikkeld in het scheppen van netwerken, lidmaatschap van nieuwe groepen en dergelijke. We bewegen onszelf zeer snel in en uit allerhande groepen en netwerken, en we ‘migreren’ moeiteloos van het ene naar het andere netwerk. Bovendien kunnen we in die virtuele omgeving onszelf aanpassen en veranderen, zelfs onzichtbaar maken via een alias of nickname. Heel veel mensen hebben naast hun ‘echte’ leven nog een ‘Second Life’ ontwikkeld.

Migranten hebben door deze nieuwe technologie nu de mogelijkheid om intensieve relaties te onderhouden zowel met mensen in het land van herkomst als met anderen elders in de wereld. Dat betekent dat zij voor hun sociaal bestaan veel minder dan eertijds zijn aangewezen op etnische gemeenschappen of etnische buurten; een groot deel van hun sociale leven speelt zich af in de virtuele wereld. Dit verklaart de densiteit en het belang van internet-cafés in migratiebuurten en de opkomst van goedkope ‘pay-as-you-go’ formules voor mobiele telefonie. Nieuwe migranten en hun kinderen kunnen daardoor de moedertaal blijven spreken, men kan de eigen religie in volle toewijding blijven beleven, men kan als politiek opposant actief blijven in de verzetsbeweging in het land van herkomst, enzovoort. Men kan, samenvattend, volwaardig lid blijven van de gemeenschap ook al leeft men duizenden kilometers verder. De nieuwe technologie versterkt en vergemakkelijkt zo de nieuwe migraties, ze is een cruciale infrastructuur voor superdiversiteit.

3. Dit laatste is ook een culturele verandering, en de nieuwe technologie heeft een hele reeks nieuwe mogelijkheden geschapen voor cultuurproductie en cultuurbeleving. Men kan via het Internet zowat elke cultuurvorm produceren, circuleren, aanleren en consumeren. Via de intensiteit van het in- en uittreden in groepen en netwerken herschept men om de haverklap de eigen cultuur – men verwerft nieuwe talen, nieuwe jargons, nieuwe symbolen, nieuwe handelingswijzen die eigen zijn aan elke groep. En wat migranten betreft: via nieuwe technologie kunnen zij volop blijven deelnemen aan de cultuurbeleving in het land van herkomst of elders in de diaspora; jongeren kunnen op de hoogte blijven van wat ‘cool’ is bij hun leeftijdsgenoten elders; ze kunnen zichzelf cultureel ‘heruitvinden’ via de nieuwe media, en zo voort. Bepaalde cultuur-innovaties voltrekken zich nagenoeg volledig via het internet (denk aan bepaalde vormen van subculturele hiphop of grafische kunst, of denk aan de vele ‘fooling around’ vormen zoals Buffalax); nieuwe vormen van populaire cultuur worden op het internet gelanceerd (beginnende bands werken via Facebook en Youtube); fans en tegenstrevers van cultuurvormen of -producenten kunnen zich snel en in oneindige variaties organiseren op het Internet. En ook: er ontstaan nieuwe media op het Internet: nieuws-sites, fora, blogs, e-zines en dergelijke meer, en zowat alle klassieke massamedia werken nu ook via het Internet, naast hun traditionele kanalen.

4. Er zijn diepgaande identiteitsveranderingen, en veelal worden die foutief omschreven als ‘individualisering’. Wat we zien is dat mensen steeds meer groepen en sociale netwerken gaan vormen – ze worden derhalve wellicht ‘socialer’ dan ooit in de geschiedenis mogelijk was – maar dat lidmaatschap van groepen en netwerken in toenmende mate wordt bepaald door wat men ‘life projects’ noemt: manieren om aan zichzelf als individu gestalte te geven. Men is dus lid van, bijvoorbeeld, een Facebook groep rond Ferrari sportwagens, rond de aanbidding van Bob Dylan, en rond armoede in Afrika – allemaal als deel van de constructie van een volstrekt uniek individu. Dat individu moet zich gegeven de bovenstaande ontwikkelingen – het toenemende ‘panoptische karakter’ van onze sociale relaties – ook steeds meer en steeds vaker verantwoorden voor zowat ieder aspect van het leven, het gedrag, het voorkomen, de smaak en zo meer. Elk aspect van het leven moet uit te leggen zijn, over alles moet men een mate van bewuste reflectie tonen en moet men een redelijke uitleg kunnen geven aan anderen. Die verantwoordingen zijn anders wanneer het over Ferrari’s gaat, over Bob Dylan en over armoede in Afrika, en we spreken dan ook over micro-hegemonische patronen: voor elk van de aspecten van het leven waarvoor men verantwoording moet/kan/wil afleggen volgt men de dominante versies van zo’n verantwoording. Men zal over Ferrari’s dezelfde dingen zeggen als duizenden andere fans; idem over Bob Dylan, en idem over armoede in Afrika.

5. Er zijn tenslotte ook politieke veranderingen. Het Internet heeft een nieuwe publieke ruimte geschapen die in zeer veel opzichten een nieuwe civiele maatschappij aandrijft. Het Internet is het forum waarop zowat alle politieke en maatschappelijke bewegingen zich organiseren en campagnes voeren. Politici maken uitvoerig gebruik van alle nieuwe technologieën en nieuwe cultuurfenomenen. Dit heeft gevolgen: effectief communiceren binnen de nieuwe formaten van deze technologie wordt in toenemende mate bepalend voor politiek en maatschappelijk succes. We zien dus esthetisering, de reductie van complexe vraagstukken naar Twitter-klare korte en raak geformuleerde (d.i. radicale) uitspraken, een voorliefde voor spontane opwellingen van emotie als tekens van een ‘ware’ democratie, en zo voort. Vanaf het begin van de jaren 1990 heeft de nieuwe informatie- en communicatietechnologie de politiek een heel nieuwe gestalte gegeven (Blommaert 2001).

De paradigmatische uitdaging
Wanneer we de twee grote krachten nu bij mekaar brengen – nieuwe migraties en nieuwe technologie – dan zien we dat sinds de jaren 1990 onze samenleving een aantal zeer grondige en diepgaande wijzigingen heeft doorgemaakt, die haar op dit moment een heel ander gelaat geven dan daarvoor het geval was. Dit gelaat heet nu superdiversiteit, en we kunnen de grote trekken ervan als volgt samenvatten.

1. Mobiliteit is een fundamentele eigenschap geworden van onze samenleving en van ons bestaan, en dit in zeer veel opzichten. Mensen zijn mobieler, en hun boodschappen, kennis en informatie zijn dat in nog veel grotere mate. Men kan op dit ogenblik zonder moeite een nagenoeg volwaardig leven leiden op diverse plaatsen tegelijk, en men kan tussen die plaatsen netwerken scheppen van zeer grote intensiteit en diepgang. Vanuit elke fysieke plaats in de wereld lopen talloze onzichtbare lijnen naar een hele reeks andere plaatsen: economische, politieke, sociale, culturele, taalkundige lijnen. En die lijnen zijn even ‘reëel’ als een buurt, dorp of stad, ook al hebben ze niet de materiële zichtbaarheid van deze laatste. In een aantal gevallen hebben mensen veel meer en veel intenser contacten met mensen in een ander deel van de wereld, dan met mensen uit de eigen buurt of eigen familieleden, en dit is helemaal geen ongewoon fenomeen.

2. Samenlevingen zijn in hoge mate versnipperd geworden: de grote stabiele categorieën van weleer – autochtonen en allochtonen bijvoorbeeld – zijn vervangen door een hele reeks andere kleine, overlappende en verweven categorieën, die daarenboven nog heel snel veranderen ook. Gedurende enkele maanden kan een buurt gekenmerkt worden door de aanwezigheid van een aanzienlijke groep mensen uit Sri Lanka; men ziet ze op straat, men hoort er hun taal, ze openen enkele winkeltjes, hun kinderen bevolken de plaatselijke school. Enkele maanden later blijken ze verdwenen, en wordt de buurt gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen uit Thailand en Vietnam, die nu op hun beurt dezelfde definiërende effecten op de buurt hebben. De stabiliteit van sociale categorieën komt daardoor heel sterk onder druk te staan. Het gevoel dat men ‘vertrouwd is’ met een bepaalde omgeving staat eveneens onder druk, en de identiteiten die we aan onszelf en aan anderen geven evolueren ook mee met deze dynamiek.

3. Stabiliteit als sociaal gegeven is aangetast. We leven nu allemaal in omgevingen die fundamenteel onstabiel zijn, dus bijzonder veranderlijk, en waarin wij ons bestendig moeten aanpassen aan de veranderingen in de omgeving. De opening van een Bulgaars café in de buurt heeft als effect dat we plots in onze straat dagelijks een aantal Bulgaren ontmoeten; idem met het opstarten van een vanuit Nigeria gestuurde Pinksterkerk en met andere soortgelijke fenomenen: veranderlijkheid is de regel. Dit roept op allerhande niveau’s vragen op: politieke vragen die door nieuwe rechtse bewegingen worden aangegrepen, maar ook alledaagse gedragsvragen – hoe pas ik me aan een zo snel veranderende buurt aan?

4. Ook individuele levens vertonen dezelfde kenmerken. We versnipperen ons leven nu over een hele reeks plaatsen, gemeenschappen en netwerken, en wij hebben een heel ander leven in elk van hen. ‘Jezelf zijn’ betekent iets heel anders op het werk of op Facebook. We organiseren onze levens (meervoud) in relatie tot de snel veranderende omgevingen waarin we ons bewegen. Technologie zelf drijft die verandering aan: Facebook heeft nu de leeftijd van een lagere schoolkind, Twitter is nog jonger, en allebei zijn ze ongetwijfeld geen eeuwig leven beschoren; de mobiele telefoon brak in België pas in 1996 door; de Smartphones zijn een zeer recente ontwikkeling, net zoals de veralgemening van de digitale televisie. Met iedere nieuwe stap in de technologie worden wij gedwongen tot diepgaande gedragsaanpassingen, en verandert ons leven.

5. Hybriditeit, vermenging zijn daardoor vanzelfsprekend geworden. We verzamelen invloeden vanuit al die uiteenlopende sites waarop we onze levens vorm geven en we mengen ze in een synthese die ons ‘life project’ is. ‘Puurheid’ is enkel nog retorisch van belang, terwijl ‘authenticiteit’ aan een opmars bezig is. Alles moet echt en authentiek zijn, geen fake. Authenticiteit betekent wel iets anders dan de herhaling van bestaande gewoonten en tradities – het staat niet meer voor ‘traditioneel’. Het draait om de capaciteit om allerlei dingen in de juiste verhoudingen te vermengen. Men is een authentiek Westvlaams Rapper wanneer men voldoende elementen uit de geglobaliseerde hiphop-cultuur vermengt met voldoende Westvlaamse elementen en nog wat andere invloeden. Elk van ons is dan ook, om een oude term te gebruiken, door en door multicultureel, en dat is normaal.

Deze eigenschappen definiëren de superdiverse samenleving. Ze roepen uiteraard een groot aantal vragen op in verband met de manier waarop we ons deze samenleving inbeelden in onderzoek en beleid zowel als in alledaagse perceptie en gedrag. Ik overloop enkele punten van de grote uitdaging die superdiversiteit ons stelt.

Theoretische uitdagingen
Het is duidelijk dat we een groot aantal van de traditionele categorieën uit sociale wetenschappen grondig moeten herdenken. We hebben er al een aantal van aangegeven boven:

-De idee dat een sociaal systeem ‘normaal gezien’ stabiel is en als zodanig kan beschreven en begrepen worden, is niet langer houdbaar. De snelle veranderingen in onze samenleving maken ons duidelijk dat we een ander uitgangspunt moeten gebruiken: snelle veranderlijkheid is de regel.

-De idee dat ieder mens ‘normaal gezien’ lid is van één cultuur, één taal spreekt en tot één sociopolitieke gemeenschap behoort is eveneens uiterst problematisch. Vermenging, meervoudig lidmaatschap, en frequente ‘migratie’ naar andere groepen is de regel.

-De idee dat mensen ‘normaal gezien’ sedentaire wezens zijn is ook niet langer houdbaar. Mensen en hun activiteiten zijn uiterst mobiel. Dit probleem hangt samen met de stabiliteitsgedachte hierboven: het is de mobiliteit van mensen die ervoor zorgt dat we samenlevingen niet meer kunnen zien als stabiele omgevingen waarin duidelijke reeksen regels gelden, en waarin de huidige regels moeten gevolgd worden omdat dit ‘altijd zo geweest is’. Regels en verwachtingen worden constant aangepast en (her)uitgevonden onder ivloed van de snelle veranderingen in de samenleving.

-De courante ideeën die we hebben in verband met ‘normale’ identiteit blijken evenmin bestand tegen de test van de superdiverse realiteiten. We zijn niet één ding maar vele dingen; en welk van die dingen domineert hangt af van het thema, de plaats, het tijdstip en de tegenspeler. We raken even opgewonden in discussies over automerken, het rookverbod in cafés, vegetarisch eten en de vertraging van de treinen, als in discussies over ons Vlaming-, Nederlander-, Brusselaar- of Rotterdammer-zijn.

-We moeten ook heel wat courante ideeën herzien inzake informatie, kennis en leerprocessen. Net op een moment waarop in heel Europa de school onder vuur komt te liggen en het formele onderwijs om de haverklap wordt hervormd, blijken de informele leeromgevingen ontzettend aan belang te winnen. Hoe mensen daarin leren, wat ze leren, en hoe dat informele leren zich verhoudt tot het leren op school – zijn allemaal grotendeels onopgeloste vragen tot nog toe.
Algemeen genomen komt het erop neer dat we in de sociale wetenschappen zowat alle courante uitgangspunten moeten herijken. Datgene wat we als ‘normaal’ aanzien wordt gebruikt als het ‘neutrale’ vertrekpunt voor onderzoek en denkwerk. Welnu, die ‘normale’ dingen blijken hoe langer hoe abnormaler. In de kern samengevat komt het erop neer dat de traditionele ideeën die we hebben over sociale en culturele ‘orde’, onze erfenis van de moderniteit en het structuralisme, nu uitgediend zijn. Dit heeft naast theoretische gevolgen uiteraard ook talloze concrete gevolgen, en die overlopen we nu.

Concrete gevolgen
Ik begin met het meest algemene probleem. Het lijkt abstract, maar we zullen zien dat het in wezen zeer concreet is.

-Er is doorheen superdiversiteit een gigantisch kennisdeficit ontstaan dat zich doorheen alle mogelijke geledingen van de samenleving vertoont. Zowel de publieke instellingen als de zorg- en opvangsector, het onderwijs en de media denken en handelen over onze samenleving alsof er nauwelijks iets is veranderd sinds de jaren 1990. Ze gaan nog steeds uit van de beelden die we hierboven beschreven, dat wil zeggen van een ingebeelde sociologie van stabiele residente gemeenschappen van mensen wiens achtergronden we kennen en begrijpen. Als superdiversiteit één zaak heeft duidelijk gemaakt is het dat we nauwelijks iets kunnen vooronderstellen met betrekking tot de structuur van onze samenleving en de kenmerken van de mensen die ze bewonen. Dit is zoals gezegd een zeer concreet probleem, want kijk hoe het zich uitdrukt in een reeks domeinen.

-Politiek betekent het dat zowat alle bestaande migratie- en migrantenbeleid irrelevant is. Het baseert zich op een ingebeelde migratie, niet op wat zich in werkelijkheid voordoet. Begrippen zoals ‘integratie’ en ‘inburgering’ zijn enkel nog van nut voor een nauwe categorie migranten: de steeds kleiner worden kern van ‘legale’ immigranten die de volle rechten kunnen genieten. Voor het gros van de andere migranten is het niet van toepassing want zij zijn niet zinnens hun leven hier te slijten en hebben daarenboven geen toegang tot de formele domeinen van de samenleving. Migrantenbeleid moet gebaseerd zijn op de zeer diverse behoeften, achtergronden en trajecten van de echte migranten. Indien dit niet het geval is, dan werkt integratie- en inburgeringsbeleid eenvoudigweg de verdere sociaal-economische dualisering van de samenleving in de hand.

-In de sectoren van opvang en welzijn heeft men al langer dan vandaag de duidelijke indruk dat de bestaande systemen en methodologieën niet langer meer afdoend zijn voor het behandelen van de gevallen die zich aandienen. Het ‘cliënteel’ van die sector is zodanig gediversifieerd dat heel nieuwe vormen van kennis en competentie, procedures en methoden moeten ontwikkeld worden om effectief te zijn.

-Het zelfde geldt voor de sectoren van politie en justitie. Dezelfde problemen met het kennisdeficit duiken daar op, en om de rechten van eenieder te garanderen heeft men een steeds groter wordend (en duurder!) apparaat van ondersteuningsdiensten nodig: vertalers en tolken, interculturele bemiddelaars, deskundigen. Ook daar bevindt het systeem zich in een crisis.

-Het onderwijs ervaart eveneens een permanente crisis omwille van de veranderingen die hier beschreven zijn. Het is ook daar dat heel wat pijnpunten zich het vroegst en het duidelijkst manifesteren. Concreet: in een opvangklas voor ‘anderstalige nieuwkomers’ kan de leerkracht een groep krijgen met twee Oekraïense kinderen, een Koerdisch kind, drie Mongoolse kinderen uit dezelfde familie, een Sierra-Leonees kind, een Bulgaars en twee Latijns-Amerikaanse kinderen. Het enige criterium dat hen daar samen brengt is het feit dat ze geen Nederlands als moedertaal hebben. Hun onderlinge verscheidenheid zorgt er echter voor dat de leerkracht nauwelijks iets kan bereiken met de hele groep: sommige kinderen zullen zeer snel leren, want ze hebben al jaren degelijk onderwijs achter de rug; andere zullen heel traag leren, want ze hebben nog nooit een school van de binnenkant gezien. De kloof tussen de officiële en organieke categorieën (‘anderstalige nieuwkomer’) en de realiteit (zes-zeven verschillende types van ‘anderstalige nieuwkomers’) is in weing plaatsen zo duidelijk als daar.

-Het onderwijs wordt daarnaast nog geconfronteerd met enorme uitdgagingen van pedagogische aard. Het integreren van informele leeromgevingen in het schoolse leren is een reusachtige uitdaging; omgaan met, en maximaal gebruik maken van een geheel nieuwe kenniswereld is er een andere; het omgaan met complexer wordende identiteiten bij leerlingen is er nog één. In zoverre het onderwijs relevant wenst te zijn kan het dergelijke vragen niet vermijden.
-Kunst en Cultuur heeft als sector enkel te winnen bij superdiversiteit. De kunsten zijn vanouds geglobaliseerd, en het beklemtonen van dit nieuwe paradigma kan hen helpen deze fundamentele eigenschap een ‘normaler’ karakter mee te geven. Het werken rond versnippering, hybriditeit en mobiliteit is evenmin een onbekend gegeven voor hen, en ook daar kan superdiversiteit een programmatisch kader zijn voor hun activiteiten.

Conclusie
Het voordeel van superdiversiteit als fenomeen is dat het moeilijk te ontkennen valt. Wie rond kijkt merkt meteen dat onze omgeving er nu heel anders uitziet dan twee decennia terug; dat we onze levens op een andere manier organiseren en dat we met andere mensen contacten hebben. Dat is prima, want het is die onmiddellijke herkenbaarheid van de fenomenen die ons moet aanzetten tot het nodige denk- en revisiewerk. We moeten ons denken en handelen bewust hervormen in functie van de reële samenleving waarin we leven. We zullen dan in staat zijn de nieuwe dingen te incorporeren in de manieren waarop we onszelf en onze wereld begrijpen, en we zullen misschien ook oudere fenomenen kunnen herbekijken in het licht van de huidige realiteit. We kunnen er als mensen en als samenleving enkel op vooruit gaan.

Bronnen
Blommaert, Jan
2001 Ik Stel Vast: Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO

Blommaert, Jan & Ronald Commers (red.)
2001 Het Belgische Asielbeleid: Kritische Perspectieven. Berchem: EPO

Davidson, Cathy & David Theo Goldberg
2010 The Future of Thinking: Learning institutions in a digital age. Cambridge: MIT Press

Vertovec, Steven
2007 Super-Diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies 26: 1024-1054.


 

http://www.kifkif.be/actua/superdiversiteit