Syriëstrijders en sociaaleconomische onderdrukking: missing link?

20-10-2013 | Tom Potoms

Indien onderzoek uitwijst dat, voor niet-knelpuntberoepen, mensen met een Turks klinkende naam tot tweemaal toe zoveel applicaties moeten opsturen om dezelfde hoeveelheid job interviews te kunnen ontvangen en de voorzitster van het Antwerpse OCMW Liesbeth Homans verklaart dat racisme een fictie is, dan kan ik mij perfect voorstellen dat jongeren van allochtone afkomst een zekere mate van frustratie hebben.

We kunnen onze krant niet openslaan of de TV of radio aanzetten zonder verwezen te worden naar de groeiende radicalisering onder moslimjongeren in onze steden en gemeenten. Zo was er recentelijk nog een hele reportage over radicaliserende Vlaamse jongeren in Koppen (17/ 10) en was er de hele heisa rond de terugkeer van Jejoen Bontinck. 

Steeds weer zoeken de media en (voornamelijk rechtse) opiniemakers naar essentialistische oorzaken voor deze radicalisering. Het zou liggen aan een cultureel probleem. Aan malafide organisaties zoals Sharia4Belgium, aan een machocultuur binnen de moslimgemeenschap …

Terrorisme, what’s in a name

Nu Jejoen terugkeert naar België wordt er gesproken van een verdenking van terrorisme. De term terrorisme is uiteraard een zeer rekbaar begrip en wordt sinds 9/11 met een regelmaat van de klok in de mond genomen, met name wanneer het gaat om (moslim-)strijders die aan de verkeerde kant van een bepaald conflict staan.

Zo zijn militante Palestijnste strijders terroristen, maar Libische rebellen tegen het Khadaffi regime niet. Iran is een ‘terroristische staat’ of een staat die ‘terrorisme ondersteunt’, maar Saoedi-Arabië doet dit kennelijk niet …

Ga vechten (vaak met conventionele middelen) in Syrië en je bent mogelijks een ‘terrorist’, maar sla immigranten en mensen uit andere minderheidsgroepen in elkaar (of vermoord een linkse hiphop zanger, cfr. ‘gouden dagenraad’ in Griekenland) en je bent klaarblijkelijk geen terrorist?

We hebben hier duidelijk te maken met een sterk gepolitiseerd discours. Zoals Glenn Greenwald (die bij het brede publiek vooral bekend werd als de journalist bij The Guardian die samenwerkte met Edward Snowden) veel eerder opmerkte (zie “Terrorism: the most meaningless and manipulated word” op Salon.com, 19/02/2010) is terrorisme allicht een van de meest gemanipuleerde begrippen in het hedendaagse publieke debat.

Vroeger werd terrorisme veeleer gekoppeld aan een bepaalde manier van actievoeren. Met name het doelbewust en gericht aanvallen van burgers. Volgens die definitie zijn, binnen de Amerikaanse context, aanvallen tegen abortusklinieken en dokters die abortussen uitvoeren terroristen. Fox news en vele Amerikaanse rechtse commentatoren zijn echter niet zo geneigd om dit te omschrijven als terrorisme.

Een moslim die een militaire basis aanvalt is daarentegen al snel een terrorist. Greenwald schrijft ook terecht dat dit niet problematisch is indien het enkel zou gaan om een semantische discussie. Het begrip terrorisme wordt evenwel gehanteerd door westerse regeringen om allerhande bedenkelijke maatregelen te nemen: anti-privacy maatregelen, militaire interventies, …

Om even een zijsprong te maken: deze begripsverwarring en manipulatie van terminologie (om maar niet te spreken van het gebruik van holle slogans) vinden we wel vaker terug in het politieke debat, de voorlopig grootste Vlaamse partij heeft de mond vol van ‘structurele hervormingen’, ‘herstelregering’, ‘confederalisme’ en ‘Franstalige belastingregering’. Jan de Zutter heeft in een knap opiniestuk in Knack (8/10) gewezen op de inhoudsloosheid van deze begrippen.

Uiteraard heeft zulk discours en begripsmanipulatie een welbepaald politiek doel: het dient om beleidsmaatregelen door te duwen die op zich zeer discutabel zijn, maar door handige verpakking onmogelijk of zeer moeilijk te bestrijden is. Wie kan nu iets hebben tegen de strijd tegen terrorisme? Terrorisme moet toch bestreden worden?

Het blijft dus de vraag waarvan Jejoen en andere terugkerende Syriëstrijders van beticht worden. Is het dat men vermoedt dat ze in Syrië doelbewust burgers hebben aangevallen om hun politiek-militaire strijd te bevorderen? Of is het veeleer een manier om repressieve maatregelen te nemen tegen deze gefrustreerde (en eventueel geradicaliseerde) jongeren voor eigen politieke doeleinden (met name populariteit vergaren bij een latent racistisch deel van het kiespubliek)?

Economische frustraties: de missing link

Hetgeen bijzonder ergerlijk is aan het ganse debat rond de Syriëstrijders en ruimer, rond de vermeende radicalisering van moslimjongeren in onze steden en gemeenten is dat men weigert een holistische analyse te maken van alle omstandigheden die dit sociaal fenomeen kunnen verklaren.

Geïnspireerd door een dominant rechts-conservatief (en nationalistisch) discours in het publieke debat, met als belangrijkste exponenten Bart De Wever en zijn intellectuele goeroe Theodore Dalrymple, is het populair om steeds te wijzen naar zuiver culturele (morele) oorzaken. Het zou naïef en vergoelijkend zijn om te wijzen naar sociaaleconomische determinanten.

Ik erger mij sterk aan dit dominante discours om diverse redenen. Vooreerst is het wel zeer zelfgenoegzaam. Er zit een sterke mate van paternalisme achter: ‘wij, de verlichte geesten uit West-Europa zijn gewoon intellectueel en moreel superieur aan de rest van de wereld’.

De hypocrisie van deze attitude is zowel op micro-als macrovlak eenvoudig om aan te tonen. Vooreerst op macroniveau: Westerse regeringen hebben zeer sterke problemen met onderdrukking van minderheden en kernwapens als men niet slaafs de directieven vanuit Westerse hoofdsteden opvolgt (cfr. Iran), maar hebben helemaal geen probleem met landen waar vrouwen zelfs geen auto mogen besturen (cfr. Saoedi-Arabië).

Op microniveau is het aandoenlijk om de ene week Filip Dewinter en Bart De Wever gaybashing te horen veroordelen, en de andere week verkondigt Filip Dewinter dat de oplossing voor aids gewoonweg is dat het ‘traditionele heteroseksuele huwelijk’ gepromoot moet worden en wenst Bart De Wever regenboogtruien te verbieden (het zou een ‘obediëntie’ expliciteren, alstublieft). Om nog niet te spreken over de ethische standpunten van mensen als Theodore Dalrymple en Roger Scruton.

De fundamentele vraag die men dient te stellen (en die quasi volledig ontbreekt in het politieke debat) is de volgende: kan men een klimaat van tolerantie (onder meer tussen minderheden zoals homoseksuelen en de allochtone gemeenschap) creëren in een klimaat van scherpe ongelijkheden wat betreft economische ontplooiingsmogelijkheden van allochtone jongeren?

Indien onderzoek uitwijst dat, voor niet-knelpuntberoepen, mensen met een Turks klinkende naam tot tweemaal toe zoveel applicaties moeten opsturen om dezelfde hoeveelheid job interviews te kunnen ontvangen (cfr. het onderzoek van Baert et al. “Do Employers discriminate less if vacancies are difficult to fill ? Evidence from a field experiment”, working paper (2013) ) en de voorzitster van het Antwerpse OCMW (en dé rechterhand van Bart De Wever), Liesbeth Homans verklaart dat racisme een fictie is, dan kan ik mij perfect voorstellen dat jongeren van allochtone afkomst een zekere mate van frustratie hebben.

Discriminatie en het gebrek aan gelijke economische opportuniteiten zijn niet louter statistische gegevens, ze worden wel degelijk als reëel ervaren in dagdagelijkse ervaringen van veel van deze jongeren. Een voluntaristisch discours waarbij de nadruk wordt gelegd op de eigen verantwoordelijkheid in de economische ontplooiing is over het algemeen een naïef en idealistisch beeld van de werkelijkheid, maar is des te meer pervers wanneer elke evidentie wijst op het bestaan van structurele hindernissen die afkomst genereert voor de ontplooiingsmogelijkheden.

Economische theorie, bijvoorbeeld speltheorie, wijst ook op het gegeven dat dergelijke sociaaleconomische repressie ook versterkte druk vanuit de originele gemeenschap voor de leden veroorzaakt. Mensen die proberen om opleiding te volgen en hogerop te geraken op de sociaaleconomische ladder worden dan beschouwd als ‘verraders’ die hun afkomst verloochenen. Het gevolg is uitsluiting uit de eigen omgeving (het originele netwerk).

Indien sociaaleconomische ontplooiingsmogelijkheden dan ook structureel ontbreken, dan is het des te risicovol om als individu met gewone arbeidsproductiviteit de sprong te wagen en de schaarse kansen te grijpen, met als gevolg dat veel leden de noodzakelijke (onderwijs-)investeringen niet doen. Uiteraard spelen deze mechanismen sterk in op elkaar (voor een theoretische fundering van deze verschijnselen, zie Fryer en Austen-Smith (2005) “An Economic Analysis of ‘Acting White’ ”, The Quarterly Journal of Economics, Vol. 120).

Des te meer is het noodzakelijk om de link te leggen tussen individuele ontplooiing en sociale omgeving. Om individuen ten volle te laten ontplooien is het noodzakelijk om de sociale structuren en (sociaaleconomische) omgevingsfactoren mee in kaart te brengen. Discriminatie op de arbeidsmarkt moet hardnekkig bestreden worden.

De bovenstaande analyse wijst ook op de interactie tussen sociaal-culturele polarisatie en sociaaleconomische ongelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Door polarisatie verhoogt de druk op individuen langs beide zijden: een ‘dominante’ cultuur die steeds meer neigt naar racisme en discriminatie ten aanzien van de gemeenschap van afkomst maakt dat pogingen om zichzelf te ontplooien door deze laatste gemeenschap ook gezien wordt als ‘verraad’.

Vandaar, om terug te komen naar de Syriëstrijders, dat de aangekondigde maatregel om sociale ondersteuning (OCMW steun) weg te nemen van gezinnen met vermeende Syriëstrijders ook averechts werkt. Inderdaad, het verhoogt frustraties en versterkt de radicalisering des te meer.

Een ander aspect gerelateerd aan economische druk op individuen kan best geïllustreerd worden aan de hand van de campagne ‘vrijheid vs. Islam’ met de fameuze louboutin schoenen door het Vlaams Belang.

Vrijheid wordt hier verengt tot ‘participatie aan de consumptiemaatschappij’. Iedereen die niet deelneemt aan de (zeer dure) consumptieve ratrace kan zich niet vrij noemen. Overigens, we kunnen er ook op wijzen dat deze campagne ook perfect illustreert hoezeer ‘vrijheid’ een bijzonder cynische toon krijgt: het illustreert perfect de druk van bepaalde schoonheidsidealen en de noodzaak om aan ‘conspicuous consumption’ (cfr. Thorstein Veblen) te doen met als doel om te kunnen participeren in de maatschappij.

Individuen leven immers niet op een eiland. We groeien op in concrete gemeenschappen, binnen een welbepaald sociaal en economisch kader gekarakteriseerd door bepaalde productierelaties en andere hiërarchische structuren. Dit ontkennen is het begin van legitimatie van onvrijheid en het beperken van alle mogelijkheden tot individuele ontplooiing (cfr. de analyse van de socioloog Mark Elchardus in het boek “De dramademocratie”, Uitgeverij Lannoo 2003).

Jaap Kruithof heeft er in zijn boek “Neoliberalisme” (EPO, 2000) op gewezen dat conservatieven vaak dezelfde kritiek delen op de gevolgen van het neoliberale systeem als mensen ter linkerzijde, maar desalniettemin toch geen vragen stellen bij het systeem, de structuren an sich.

In die zin is er inderdaad een handig samenspel tussen neoliberalen, uiterst rechts en conservatief-rechts. Voor neoliberalen vormen concrete keuzes van individuen om uit de ratrace te stappen (bijvoorbeeld geen dure consumptiegoederen zoals louboutin schoenen kopen) een bedreiging, ze wijzen op een alternatief (Alain Badiou zou zeggen, het is een ‘evenement’).

Uiterst rechts gebruikt het discours van ‘verlichte waarden’ om racisme te propageren en nationaal-conservatieven (cfr. N-VA) storen zich eveneens aan het feit dat deze uitingen van verzet en frustratie ook refereert naar de gelaagdheid van identiteit en maakt hun project van een eendimensionale (Vlaamse) identiteit moeilijker realiseerbaar (overigens is het ook cynisch om Vlaams-nationale politici de Syriëstrijders zo hardnekkig te horen veroordelen, tezelfdertijd ijveren ze voor amnestie voor Oostfronters).

In zulke omstandigheden van sociaaleconomische frustratie (discriminatie en het ontberen aan gelijke ontwikkelingskansen) en conformeringsdruk aan het consumptieve model is het niet onlogisch dat veel jongeren zekerheden zoeken in een extreem terugplooien in alternatieven. In die zin komt men snel terecht op het internet en bij extreme zekerheden gepropageerd door religieuze fanatici.

Alternatieven en hoop

Het wordt tijd dat de linkerzijde de handschoenen opneemt en veel gedurfder wijst op het perfide en selffulfilling karakter van (rechtse) polariserend taalgebruik, beleidsmaatregelen en het ontkennen van structurele remmen in sociaaleconomische ontwikkelingsmogelijkheden (zoals discriminatie op de arbeids-en woonmarkt).

'Links zijn' betekent voor mij het strijden voor échte individuele ontplooiing en dit vereist verregaande aanpassingen van perfide marktstructuren en druk die machtssystemen op mensen uitoefenen. Wegnemen van sociaaleconomische frustraties dient de eerste prioriteit te zijn van het beleid (en eindelijk overstappen naar een einde van de vrijblijvendheid, door het invoeren van quota bijvoorbeeld, een zogenaamd affirmative action beleid).

Verder moet links zeer scherp de uitspraken uit N-VA hoek (Liesbeth Homans en André Gantman) om racisme te minimaliseren veroordelen en wijzen op de perversiteit in het licht van alle beschikbare evidentie omtrent discriminatie en racisme in onze maatschappij.

Men mag zich ook niet laten intimideren door het discours van rechts alsof we hypocriet zijn als men wijst op de structurele factoren die bepaald agressief gedrag van moslimjongeren zouden veroorzaken(bijvoorbeeld tegen mensen uit andere minderheidsgroepen, zoals homoseksuelen). Het wegnemen van structurele factoren is een noodzakelijke voorwaarde om een echt harmonieuze samenleving (waarbij mensen de gelaagdheid van identiteit in acht nemen) te kunnen creëren.

In die zin lijkt het mij ook, zeker op de korte tot middellange termijn, noodzakelijk om te voorzien in de wens van veel allochtone jongeren om ook een deel van hun religieuze achtergrond te exploreren. Bijgevolg lijkt het mij, al was het maar uit een vorm van gelijke berechtiging en signaal van respect, nuttig om te pleiten voor moslimonderwijs, waar goed geschoolde imams onderwijs kunnen geven omtrent het islamitische geloof aan deze jongeren, zodanig dat ze niet vervallen in de handen van extremistische lui in het informele circuit.

Ook hoop ik concreet op het eventueel positieve alternatief dat iemand zoals Dyab Abou Jahjah kan aanreiken. Vroeger kon hij, op zeer scherpe wijze, een zeker gehoor en ook stem geven aan de frustraties van veel van deze jongeren en kon hij ook wijzen op de werkelijke manco’s van onze maatschappij, die zich veeleer op sociaaleconomisch terrein begeven.

 

>>> Tom Potoms is doctoraatsstudent economie aan de ULB (ECARES) 

 

>>>> Kif Kif organiseert het debat 'Radicalisering van jongeren in België en Nederland' op woensdag 23/10 in de Arenbergschouwburg in Antwerpen. 

>>>> De Pianofabriek (en Kif Kif, Mo*Magazine en het Masereelfonds) oraniseert het debat TWEE MATEN TWEE GEWICHTEN? Over de (on)zin van “de strijd tegen radicalisering” op dinsdag 29/10 in de Pianofabriek in Brussel.

 

*In het kader van Media Changemakers - Youth in Action en in samenwerking met MiraMedia, Platform Allochtone Jeugdwerkingen.

 

http://www.kifkif.be/actua/syriestrijders-en-sociaaleconomische-onderdrukking-missing-link