Taal, cultuur en ideologie - een interview met Professor Jef Verschueren (UA)

23-03-2012 | Joy Verstichele

Het belangrijkste aspect van menselijke cognitie is waarschijnlijk dat wij ons hypothesen kunnen vormen over wat er zich afspeelt in het hoofd van iemand anders.


Vaak komen politici aandraven met een discours vol holle betekenissen. Na een aflevering van “Terzake” is het best mogelijk dat U met een leeg gevoel blijft zitten. Veel woorden, die op het eerste zicht weinig betekenen. Maar is dat wel zo?

Gewoon hoogleraar Jef Verschueren vertelt in zijn nieuwe boek ‘Ideology in Language Use: Pragmatic Guidelines for empirical Research’ dat taalgebruik nooit neutraal is. Hij reikt ons een instrument aan om op een zorgvuldige, methodologisch verantwoorde manier discours te analyseren. Verschueren is zelf taalkundige van opleiding. Daar ligt dan ook de basis van deze methode. Als beoefenaar van de linguïstische pragmatiek gaat hij op zoek naar processen van betekenisgenerering. De bedoeling is om op een empirische manier taalgebruik te onderzoeken. Hoe dit concreet in zijn werk gaat, vindt U uitgebreid in zijn nieuwste werk. Wij gunnen U alvast een voorproefje.

Kif Kif: Veel onderzoek naar taal, en de daarbij horende sociale processen, hanteert een vorm van discoursanalyse als methodologie. Waar situeert U uw eigen analyse-instrument binnen dit zeer uitgebreide domein van de discoursanalyse?

Verschueren: Mijn benadering komt volledig vanuit wat we de linguïstische pragmatiek noemen. Dat is heel eenvoudig te definiëren als de wetenschap van het taalgebruik. Wanneer ik me bezig hou met discours, dan is dat niet in de verheven termen van discours zoals die gebruikt worden in de Franse traditie. Daar gaat het vaak helemaal niet om concreet taalgebruik, maar om vrij abstracte structuren en processen. Voor mij is het onderzoeksobject zeer concreet. Het gaat om taalgebruik. Die aanpak kent twee belangrijke redenen. Enerzijds omdat in de taalkunde mijn achtergrond ligt, ik ben opgeleid als taalkundige, maar anderzijds ook omdat ik meer en meer de indruk had bij bijvoorbeeld Critical Discourse Analysis, dat vaak de empirische basis heel wankel is.
In Critical Discourse Analysis heb je heel sterk de neiging om vanuit een theoretische kijk die zeer ruim is, en waar ik voor een groot stuk mee kan sympathiseren, meteen de sprong te zetten naar conclusies, zonder systematisch naar de taalkundige details van een discours te kijken. En het is net het kijken naar die taalkundige details dat voor mij de belangrijke empirische basis vormt.

Kif Kif: Betekent dit dat uw methode eerder op een microniveau plaats vindt?

Zeker. Het komt er op neer naar details te kijken, keuzes die gemaakt worden op verschillende structuurniveaus. Het is dus zeker een microanalyse, maar dat wil niet zeggen dat je alleen maar bezig bent met het bekijken van linguïstische keuzes op woord- of zinsniveau. Je kijkt evengoed naar de keuzes die gemaakt worden op een retorisch niveau en naar argumentatiestructuren. Je werkt op verschillende niveaus, maar het is inderdaad permanent kijken naar details. Wat daarbij belangrijk is, is de systematiek waarmee die keuzes gemaakt worden. Die brengt namelijk denkpatronen met zich mee die vaak niet in vraag gesteld worden. Daarin zit voor mij de essentie van de analyse: het kijken naar processen van betekenisgenerering die automatisch wordt meegedragen in het discours zonder dat ze essentieel in vraag gesteld worden.

Kif Kif: U stelt dat binnen een discours betekenissen automatisch worden gecreëerd. Kunnen we hier spreken van een betekenisgenerering op een onbewust niveau?

Ik gebruik de term onbewust niet zo graag, in de meeste gevallen gaat het namelijk om dingen die ook zeer makkelijk bewust te maken te zijn. Het gaat niet zozeer om het psychologisch onbewuste, maar wel om het onbewuste in die zin dat het automatismen betreft. Je kan het vergelijken met iets heel eenvoudigs. Wanneer je bijvoorbeeld Engels aan het leren bent, dan moet je heel bewust de keuze maken om in de derde persoon enkelvoud de letter ‘s’ aan de werkwoordsstam toe te voegen. Daar moet je bij nadenken, anders maak je fouten. Vanaf het moment dat je Engels ergens naar lijkt, sta je daar niet meer bij stil, dan is dat een automatisme geworden. Je moet zelfs soms nadenken over wat de regel eigenlijk is, terwijl je hem wel permanent aan het toepassen bent. Dit is een grammaticaal voorbeeldje, maar op het niveau van betekenissen die worden meegedragen in een discours is het eigenlijk net zo.

Woordkeuzes die je maakt zijn heel vaak redelijk automatisch. Dat moet ook, want als je bij alles wat je zegt zou moeten gaan stilstaan, dan kan je niet veel meer zeggen. Dan stopt je discours vrijwel onmiddellijk. Er zijn een heleboel dingen die je werkelijk automatisch moet doen wanneer je taal gebruikt. Daar kan je niet buiten. Het gevolg is dat die automatismen op zich een heel pakket aan betekenissen met zich meedragen die je misschien inderdaad op een expliciet niveau gaat ontkennen. Er kan echt een contradictie zijn tussen datgene wat je expliciet bereid bent te zeggen en datgene wat impliciet wordt meegedragen in wat je zegt.

Kif Kif: Taalgebruik in al zijn complexiteit is belangrijk in verschillende domeinen. U haalt in uw boek aan dat uw methode in verscheidene onderzoeksvelden kan worden gebruikt. Maar is uw methode niet bij uitstek toepasbaar op een discours over cultuur?

Cultuur is een begrip dat typisch heel zwaar ideologisch beladen is. Zeker op het niveau van de politieke communicatie. Hoe vaak wordt er niet door politici verwezen naar cultuur en culturele verworvenheden? Het is een begrip dat héél zwaar ideologisch beladen is omdat er allerhande denkpatronen in meespelen. Een voorbeeld is het kwantificeren van culturen. Er wordt gesproken over culturen, in het meervoud, alsof dat aflijnbare gehelen zouden zijn. Terwijl cultuur in zijn totaliteit eigenlijk gewoon alles omvat wat mensen onderscheidt van de natuur, hoewel die grens misschien ook niet zo makkelijk te trekken is. In principe is het hele pakket van aspecten van het mens zijn die vervat worden onder de term cultuur. Dat is een grote mengelmoes van gegevens, waar ieder individu een pakket van incorporeert, dat van individu tot individu verschilt.

Als er dan in een politieke context wordt gesproken over culturen, in het meervoud, is er heel snel de neiging om te spreken over het naast elkaar bestaan van culturen. Dat is natuurlijk een illusie, iets wat je in de realiteit niet tegenkomt. Toch in die termen blijven spreken, kan allerhande implicaties hebben. In de Vlaamse politiek zijn de voorbeelden talrijk. Eén van de aspecten die hier zogezegd bij cultuur horen is taal. Je krijgt een verabsolutering van taal als criterium om te behoren tot de gemeenschap, wat zich vertaalt in concrete maatregelen, zoals bij de Vlaamse wooncode. Zo kan de toegang tot een sociale woning worden ontzegd indien je niet absoluut kan aantonen dat je bereid bent om minstens Nederlands te leren.

Kif Kif: Betekent dit dat ideologie doorsijpelt in het discours dat gehanteerd wordt?

Ja natuurlijk, het is overal aanwezig en het is ook niet te vermijden. Het is evenwel ook niet de bedoeling van analyse om met de vinger te wijzen. Wel wijzen op dingen, maar het is niet de bedoeling om zomaar met de vinger te gaan wijzen. Ideologische processen spelen namelijk altijd een rol. Het maakt nu éénmaal deel uit van taal. Je moet het je zo voorstellen: taal zoals wij dat kennen, zou niet mogelijk zijn zonder grote pakketten impliciete informatie. Volledige explicietheid is totáál onmogelijk. Dat kan je niet bereiken. Je moet maar eens een zin uitspreken en je afvragen wat ik niet allemaal moet weten om te kunnen begrijpen wat die zin betekent. Als je probeert dat allemaal expliciet te maken, dan ga je nieuwe zinnen moeten produceren die ook allemaal een uitleg nodig hebben. Dat kan niet. Daar zit ook de kracht van taal. Het is niet nodig om alles expliciet te zeggen. Dat we dat apparaat toch kunnen gebruiken voor communicatie, heeft alles te maken met de manier waarop onze cognitie werkt.

Het belangrijkste aspect van menselijke cognitie is waarschijnlijk dat wij ons hypothesen kunnen vormen over wat er zich afspeelt in het hoofd van iemand anders. En het is maar doordat we die hypotheses kunnen vormen, dat wij weten waar we kunnen beginnen met spreken. We moeten er van uitgaan dat er dingen zijn die we gemeenschappelijk hebben. En heel vaak vergissen we ons daarin, maar in een normale interactie kan je dat voortdurend corrigeren. De adaptabiliteit van taal is gigantisch.

Kif Kif: Taalgebruik analyseren lijkt complex zonder linguïstische achtergrond. Is het mogelijk om uw methodologisch kader toe te passen zonder die kennis?

Zonder een minimum aan linguïstische achtergrond is het moeilijk, maar je kan de aanpak gebruiken op verschillende niveaus. Je kan je bijvoorbeeld beperken tot een aantal dingen die heel bevattelijk zijn, zoals woordkeuzes. Je kan op zoek gaan naar systematieken van woordkeuze. Worden bijvoorbeeld twee personen, of twee gebeurtenissen, op dezelfde manier benoemd, of worden ze systematisch op een verschillende manier benoemd? Het is interessant wanneer gebeurtenissen die in feite zeer gelijkaardig zijn, toch systematisch anders benoemd worden.

In het boek vind je voorbeelden met historisch materiaal over de ‘Indian Mutiny’ in 1857. In de geschiedenisboekjes van een halve eeuw later vind je systematisch dat de wreedheden die worden begaan door de muteneers beschreven worden als ‘massacres’. Maar wanneer de Britten aan de beurt zijn om de revolte neer te slaan en er sneuvelen alles bij mekaar 120000 Indische soldaten en nog eens 200000 burgers, dan wordt dat helemaal niet benoemd als een ‘massacre’, maar bijvoorbeeld wel als de ‘herovering van een stad’. Die systematiek is betekenisvol want je hebt een realiteit die vergelijkbaar is, maar met een systematisch verschillende benoeming. Dat zijn dingen waar je op een vrij eenvoudige manier kan naar op zoek gaan. Daar heb je geen zware linguïstische training voor nodig.

Andere zaken die redelijk bevattelijk zijn, maar daar moet je al een beetje meer een oog voor ontwikkelen, is het systematisch kijken naar vooronderstellingen en implicaties van wat gezegd wordt. Bijvoorbeeld tijdens het migrantendebat in de jaren ’90. Enkele sociale wetenschappers organiseerden een congres waaraan ze de titel gaven “Naar een leefbare multiculturele gemeente”. Dit impliceert iets, namelijk de vooronderstelling dat een multiculturele gemeente op zichzelf problematisch is. Dus er ontstaat daar een problematisering van iets, gewoon al door die formulering.

Hetzelfde gebeurt bij elke dialoog. Welke elementen van de eerste spreker worden aanvaard door de tweede en wat wordt eventueel genuanceerd? Wanneer mensen met elkaar in interactie treden dan zijn er altijd dingen die ze van de vorige spreker als premisse overnemen, en waar ze op verder bouwen. Tenslotte zijn bijvoorbeeld ook argumentatiepatronen zaken die je vrij intuïtief kan benaderen.

Kif Kif: Vormen van discoursanalyse worden vaak gebrandmerkt als weinig betrouwbaar. Kan U met uw empirische richtlijnen deze kritiek pareren?

Je kan de betrouwbaarheid veilig stellen door heel voorzichtig te zijn met het materiaal dat je gebruikt. Om algemene uitspraken te doen moet je bijvoorbeeld zorgen dat je data voldoende omvangrijk zijn. Dat wil niet zeggen dat je per definitie gigantische pakketten materiaal moet gaan verzamelen. Je zal automatisch moeten selecteren. Dat is de eerste belangrijke stap. Het is effectief een kwestie van heel voorzichtig omspringen met je materiaal en je moet er over waken om je uitspraken niet algemener te maken dan wat verantwoord is door het materiaal dat je gebruikt.
Daarnaast moet je zorgen voor coherentie. Je kan maar een uitspraak doen over iets dat op een systematische manier naar voor komt, of dat op een systematische manier afwezig is. Tenslotte moet je de reflex inbouwen af en toe een tegengestelde hypothese te formuleren en die toe te passen op je materiaal. Als je geen bewijs kan vinden voor die alternatieve hypothese, dan kan je vrij zeker zijn dat dat wat je te bieden hebt een goeie basis heeft.

Kif Kif: Wat zijn volgens U dan de grootste valkuilen van dergelijk onderzoek?

De meest voorkomende valkuil is snel een paar zaken bekijken en jezelf meteen een beeld vormen over wat daar gebeurt. Je mag je daar niet door laten leiden bij het onderzoeken van het materiaal. Dat is het grootste gevaar. Uiteraard heb je wel voorafgaande ideeën. Maar je moet werkelijk een heel ernstige inspanning doen om die niet als leidraad te gebruiken voor de manier waarop je naar je materiaal kijkt, en dat is niet zo makkelijk.

Kif Kif: Tot slot stel ik vast dat in uw boek, en zelfs in de titel, ‘Ideology’ een prominente plaats krijgt. Het is een sterk waardegeladen woord. Vanwaar die keuze?

Ik bedoel met ideologie iets heel specifieks. Ik probeer, hoewel dat niet helemaal lukt, de connotatie van dat woord met een heel pakket aan ideeën te vermijden. Ideeën gebaseerd op het feit dat ideologie ook als term gebruikt wordt voor de grote politieke ideologieën zoals marxisme, liberalisme, socialisme enzovoort. Dat is niet wat ik bedoel met ideologie.

Wat ik ook niet bedoel met ideologie is, wat in een marxistische traditie vaak voorgesteld wordt als ‘false consciousness’, een vals bewustzijn. Ik heb namelijk reeds aangegeven dat ideologie niet te vermijden valt. Wat ik bedoel, is het hele pakket aan interpretatiepatronen die niet in vraag gesteld worden binnen een bepaalde vorm van discours over een bepaalde sociale realiteit. Dat is gewoon een zeer algemeen fenomeen. Er is altijd een interpretatie en een denkpatroon dat je meedraagt, om het even hoe je spreekt over die sociale realiteit. De bedoeling is om het gevoel van bewustzijn daarrond toch wat te verhogen en een instrumentarium ter beschikking te stellen waarmee je die processen kan gaan analyseren.

Verschueren, J. (2012). Ideology in Language Use. Pragmatic Guidelines for Empirical Research. Cambridge University Press. ISBN 978-1-107-00652-2.

 

http://www.kifkif.be/actua/taal-cultuur-en-ideologie-een-interview-met-professor-jef-verschueren-ua