Tien jaar ‘Baas Over Eigen Hoofd!’: “Een strijd om te mogen ademen.”

18-12-2017 | Kif Kif

Een strijd voor rechtvaardigheid is geen sprint, maar een marathon

Op zondag 17 december gaf BOEH! (Baas Over Eigen Hoofd) een verjaardagsfeest in De Studio, in hartje Antwerpen, met BOEH!-talks, een sofagesprek en een afterparty. De locatiekeuze is al opvallend: het is op zich een statement dat het verzet tegen het hoofddoekverbod niet verbannen wordt naar obscure zaaltjes in buitenwijken, maar dat het gevierd wordt in de door ons allemaal gesubsidieerde cultuurhuizen in het centrum van de stad.

Maar wie “een zee van bruine mensen” (om Tunde Adefioye te parafraseren) had verwacht, allemaal geüniformeerd met hoofddoeken (of boerka’s!), baarden en gewaden, is eraan voor de moeite, want BOEH! is vandaag wat het altijd is geweest: “een brede coalitie van antiracistische en feministische organisaties en individuen die opkomen voor vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid, vrouwen en mannen, moslims en niet-moslims”, zoals spilfiguur Samira Azabar het omschrijft.

BOEH! had zelf niet kunnen verwachten dat ze ooit tien jaar bestaan zouden vieren. Ze hadden niet kunnen weten dat de strijd zo lang zou duren. Maar Azabar weet vandaag wel dat “een strijd voor rechtvaardigheid geen sprint is, maar een marathon”. BOEH! verzet zich al tien jaar lang “tegen de racialisering en de onderdrukking van moslims” maar ook “tegen de instrumentalisering van de feministische strijd” ten dienste van een islamofobe agenda. Want uiteindelijk gaat het over het recht van de vrouw op zelfbeschikking.

Intersectioneel feminisme

Voor professor Nadia Fadil (KUL) is BOEH! “één van de belangrijkere organisaties uit de voorhoede die het intersectioneel feminisme belichaamt”. “Baas Over Eigen Hoofd schrijft zich expliciet in in de feministische traditie en het verzet tegen de controle over het vrouwenlichaam”, haalde Fadil aan tijdens haar talk, maar ze schetste ook de historische context waarin BOEH! is ontstaan, met name het verbod opgelegd door oud-burgemeester Patrick Janssens op zichtbare religieuze symbolen voor loketfuncties, zogezegd namens ‘de Antwerpenaar’. Janssens, destijds verkozen na een opmerkelijke affichecampagne, kreeg antwoord van BOEH! met een affichecampagne die volgens Fadil bevraagde wie juist die ‘Antwerpenaar’ was in wiens naam een verbod werd opgelegd. BOEH! deed de samenleving stilstaan bij de betekenis van burgerschap, solidariteit, feminisme, racisme, activisme, maar zelfs van wat het betekent om moslima te zijn. Een belangrijke rol waarvan Fadil hoopt dat de organisatie die zal blijven spelen.

Azabar herinnert zich dat BOEH! vanaf het begin “te halal” was voor sommige feministen voor wie “religie en feminisme onverzoenbaar waren” en die gesluierde moslima’s reduceerden tot “vrouwen zonder vrije keuze die gered moesten worden”, een houding die vandaag de dag nog altijd populair is.

Die houding is volgens Sofie De Graeve – woordvoerster van Furia, het vroegere Vrouwen Overleg Komitee – niet alleen “paternalistisch”, maar ook zelfs “pre-emancipatorisch”, en daarmee citeert ze mensenrechtenexperte Eva Brems. Een houding waarbij “in plaats van vrouwen een keuze te bieden, men die keuzes afneemt”. De Graeve kijkt bezorgd terug: “Vanuit feministisch perspectief is de associatie die gemaakt wordt tussen vrouwen met hoofddoek en onderdrukking heel problematisch en die was heel dominant toen BOEH! is opgestart. Vandaag is de connotatie van radicalisering daarbij gekomen. De maatschappelijke context is geenszins beter op geworden. Integendeel, islamofobie is overal”. De Graeve weet dat zelfs in de vrouwenbeweging er “nog veel werk aan de winkel is”: “BOEH! maakte een grotendeels witte vrouwenbeweging wat ongemakkelijk, en dat is nodig. BOEH! houdt de klassieke vrouwenbeweging als het ware een spiegel voor”.  De nood aan een beweging zoals BOEH! is vandaag – helaas – even sterk als tien jaar geleden.

Een verstikkend lijstje

BOEH! botste aanvankelijk op de smalende misvatting dat de beweging niks meer was dan “een groep vrouwen die opkomt voor de hoofddoek”. Bevooroordeelde journalisten botsten tegelijkertijd verbaasd op mondige, geschoolde en welbespraakte vrouwen die volgens hun wereldbeeld onderdrukt, onderdanig en taalonmachtig hoorden te zijn. Er was ook een juridische misvatting: dat neutraliteit en scheiding tussen kerk en staat betekenen dat men de vrijheid van religieuze beleving moet opofferen, en daarmee ook de mogelijkheid van een inclusieve en actief-pluralistische samenleving. In 2009 trokken ze naar de Raad van State om “via juridische weg structurele verandering teweeg te brengen”.

In 2014 kregen ze gelijk. Saïla Ouald Chaib, dokter in de rechten en juriste bij het mensenrechteninstituut van UGent, weet daar het fijne van. Ook in Gent werd destijds een vergelijkbaar verbod ingevoerd. In de praktijk betekende een dergelijk verbod dat gesluierde moslima’s, “ongeacht de capaciteiten en ongeacht de opleiding, a priori uitgesloten werden van een aantal jobs”. Een kwestie van mensenrechten, dus. Ze vergeleek de invoering van het verbod met bomen die worden omgehakt. “Een bos dat zijn natuurlijke weg mag gaan, leeft harmonieus, creëert een biotoop waar samenleven mogelijk is, ongeacht het feit dat geen enkel boom gelijk is aan een ander”. Een hoofddoekverbod “ontneemt zuurstof aan bepaalde mensen en heeft een impact op heel het bos, de hele samenleving”.

“Het gaat over steden een gemeenten, het gemeenschapsonderwijs, privébedrijven, over fitness- en bowlingzaken, ijsjessalons en restaurants die liever geen vrouwen met hoofddoek tot hun klantenbestand rekenen”. Ouald Chaib hoeft niks uit te vinden, want hier bestaat rechtspraak over. Het gaat zelfs over de minister van gelijke kansen, die eerder dit jaar “het signaal gaf dat vrouwen met een hoofddoek en een rechtendiploma op zak niet te veel moeten verwachten als ze bij de Vlaamse overheid solliciteren”. Een flink aantal gesneuvelde bomen, “een verstikkend lijstje”. Daarom is de strijd tegen het verbod, behalve een strijd tegen uitsluiting en discriminatie in het algemeen, ook “een strijd om te mogen ademen”.

Zo oordeelde ook de Raad van State in 2014 dat verboden op religieuze kentekens niet zomaar kunnen in het onderwijs. Volgens het arrest kunnen scholen een verbod niet zomaar invoeren zonder aan te tonen dat er zich belangrijke problemen hebben voorgedaan, wat zelden het geval is. Het neutraliteitsargument houdt volgens de Raad van State ook geen steek als het over leerlingen gaat. Het arrest vindt het ook “ironisch” dat diversiteit wordt verboden in de naam van het actief pluralisme. Voor de Raad van State komt het verbod neer op leerlingen wiens toegang tot het onderwijs wordt ontzegd, “enkel en alleen omwille van het feit dat ze hun fundamenteel mensenrecht op godsdienstvrijheid uitoefenen”. Een duidelijk arrest, dat vooral een zeer belangrijk precedent vormt.

BOEH! is een school geweest, een voorbeeld. Azabar vertelt dat de beweging hen “gevormd heeft” tot wie ze vandaag zijn. In de zaal zie je vooral bewondering, instemming, mensen die elkaar hebben gesteund en geïnspireerd. “We leerden hoe de samenleving in elkaar steekt, hoe de media werken, hoe bewegingen zich vormen, dat gerechtigheid niet altijd zegeviert” en hoe je met ups en downs moet omgaan. Maar vooral is BOEH! vandaag de dag nog altijd even relevant. Misschien zelfs relevanter dan tien jaar geleden.

http://www.kifkif.be/actua/tien-jaar-%E2%80%98baas-over-eigen-hoofd%E2%80%99-%E2%80%9Ceen-strijd-om-te-mogen-ademen%E2%80%9D