Vernis (literaire bijdrage)

11-09-2008 | Naima Albdiouni

En zijn hart dat overuren was aan het kloppen

 Net zoals het een goed monarchist betaamt, ging hij verf halen voor de gast die hij zou ontvangen. “Ik kom binnen twee weken langs. Dan kan ik  je eindelijk weer eens zien.” Een zin die hij tegen zoveel andere mensen had geuit vanuit dat telefoonhokje. De man, zoals gezegd een goed monarchist, rende naar de eerste de beste verfwinkel die hij kon vinden en bestelde witte verf voor de muren en bruine voor de trappen. “Maar niet van dat donkerbruin. Wat lichter. Ik wil mijn gast geen akelig gevoel bezorgen wanneer hij mijn trappen oploopt.” De verfverkoper had hem zelden zo opgewonden gezien. Hij had hem wel langs de etalage zien passeren maar hij had nooit het belletje doen rinkelen dat potentiële klanten aankondigt. “Hier, misschien moet je wat vernis bovenop dat laagje verf doen. Niet?” Zijn handen begonnen te jeuken toen hij de prijs opmerkte. Even kuchte hij, schuurde met zijn jeukende linkerhand tegen de gesp van zijn broeksriem en haalde zijn portefeuille boven om alleen de witte en lichtbruine verf te betalen. “Het vernis kom ik wel een andere dag halen.”
De kalender die hij had gekocht om met een zwarte alcoholstift aan te duiden hoeveel nachten hij nog zou moeten slapen vooraleer zijn hooggeplaatste gast zou arriveren, mocht niemand aanraken. “Niet dichterbij komen. Anders wordt hij helemaal vuil en besmeurd.” Zijn vrouw wilde een sarcastische opmerking maken maar hield hem voor haarzelf. In de plaats daarvan glimlachte ze lieflijk en overhandigde hem zijn stift opdat hij een kruisje zou kunnen zetten over de dag die bijna helemaal om was. “Maar de dag is nog niet helemaal om…”, sputterde hij tegen. Ze knipoogde naar hem en moedigde hem aan met een knikje: “Doe het toch maar… De dag is straks toch helemaal om, niet?” Vanaf de dag dat hij vernomen had dat hij de eer had om hem te ontvangen, sliep hij slecht. Hij doolde als een spook rond in het huis, benaderde elk hoekje vanuit een ander perspectief, wond zich op om een gaatje in een muur of een schilderij dat scheef hing. Aan plaats ontbrak het hem ook. Hij zou komen overnachten. Expliciet had hij het niet gezegd maar iemand als hij kon hij niet rond de middag verwelkomen om hem dan met een avondmaal de nacht in te sturen. De wallen die hij had gekweekt door de slapeloze nachten, amuseerden zijn vrouw. “Wat is er lieverd? Kopzorgen?”, vroeg ze hem vrolijk terwijl ze hem een kopje thee inschonk. De zwellingen onder zijn ogen accentueerden de kleinheid van zijn kraaloogjes en de kraaienpootjes die ze omcirkelden. “Hij heeft gedineerd met Tony Blair. Gedineerd. Die avond dat we bij je zus waren gaan eten, zat hij even verderop in het Casino zomaar even te dineren met Tony Blair.”
“Het was toch gezellig bij mijn zus die avond?”
“Ja, maar kun je je voorstellen dat even verderop híj daar zat met de premier…van…premier…”, spartelde hij tegen en liet uit vermoeidheid zijn opgeblazen hoofd in zijn handen zakken. In gedachten overliep hij de dingen die hij nog moest doen die dag. De muren waren witter dan het wit in een waspoederreclame en hoefden geen likje verf extra. Zijn boeken zou hij onder het stof halen en op een plankje uitstallen. Zijn boeken psychologie wilde hij in de verf zetten op een plank. Toen hij ze allemaal had afgestoft, begon hij ze te tellen. Maar zevenendertig boeken? In al die jaren had hij maar zevenendertig boeken, waarvan het merendeel schoolboeken, bijeengespaard? Zo kon hij geen kast vullen. Uit de schuur haalde hij enkele planken hout die hij had bijgehouden uit de periode dat hij het huis had gerenoveerd en begon meteen op het terras te zagen en te timmeren. Een tijdje later had hij een boekenkast. “Nu nog alleen wat boeken gaan halen,” mompelde hij binnensmonds. Het moesten geen nieuwe boeken zijn. Dan zou zijn gast misschien wel denken dat hij ze niet gelezen had. Ze moesten er wat doorleefd, gehavend liefst, ietwat gelig zelfs uitzien. Bovendien waren nieuwe boeken veel te duur. In de stad reed hij vaak langs tweedehandsboekenwinkels. Kennis hoeft niet veel te kosten had hij zich laten vertellen door een vriend van hem. De lege kast plaatste hij in de hal tussen zijn slaapkamer en de badkamer. Als de man een douche zou willen nemen, zou hij langs de kast passeren en mogelijk een blik werpen op zijn boeken. Hij rende de trappen af om zijn jas te nemen en de stad in te trekken. Aan de kapstok gekomen, boog hij even voorover. Hijgend hield hij zijn hand voor de borst. Die hartkloppingen waren er net teveel aan. “Waar ga je naartoe?”, vroeg zijn vrouw met pretlichtjes in de ogen. “Naar de stad…huh huh…”, hijgde hij. “Voor…huh…huh…boeken.” “Zo opgewonden om wat boeken?”, kirde ze meisjesachtig en keerde hem weer de rug toe. Dat overgewicht dat hij met zich meezeulde begon hem parten te spelen. Maar hij wilde niet onderdoen voor zijn vrienden met wie hij vaak tot een gat in de nacht doorzakte en die het strelen over hun uitpuilende buik als een statussymbool aanzagen. “Van honger zul je ons niet snel zien vergaan hahahaha. En nu ben jij aan zet.” Een dieet gebaseerd op voornamelijk groenten, vis en fruit zoals zijn arts hem had voorgeschreven, leek hem weinig aantrekkelijk en als hij heel eerlijk moest zijn, zou hij toegeven dat hij zijn buik helemaal niet wilde kwijtraken. Die trend om te fitnessen en af te vallen, was niet aan hem besteed. Die dokters leven, werken, eten, slapen minimalistisch. Voor het volk. Hebben hun communistische gedachtegoed zelfs weten door te trekken tot de manier waarop ze eten. Maar hij bleef hem consulteren omdat hij hem helemaal niets aanrekende. Zijn partijlidmaatschap vulde hij in door af en toe vergaderingen en evenementen bij te wonen, mee te lopen in betogingen, scanderend tegen elk denkbaar onrecht, maar om zich echt helemaal met hun stroom mee te laten varen voelde hij zich net niet overtuigd genoeg door Marx. Natuurlijk was iedereen gelijk, diende iedereen gelijk behandeld te worden maar was het niet te veel een utopie om ooit bewaarheid te kunnen worden? Op kleine, familiale schaal zou hij het eventueel kunnen bewerkstelligen maar iedereen ervan overtuigen dat weinig verdienen en zuinig leven maar vergezeld van hoge idealen de na te streven leefwijze was, was wat te hoog gegrepen.
Toen hij de auto uit de garage haalde, stopte hij bij een Bancontact om wat cash af te halen. Geldopvraging? Proton bijwerken? Saldo consultatie? Even aarzelde hij. De voorbije week had hij alleen maar geld uitgegeven zonder er echt bij stil te staan dat zijn saldo ondertussen negatief zou kunnen zijn. – 1484,56 euro. En de maand was nog niet eens voorbij. Hij vroeg slechts twintig euro en ging langs bij een Oxfamwinkel om een kartonnen doos gevuld met boeken te halen. Meer zou hij niet mogen uitgeven. Thuisgekomen met de muf en vochtig geurende doos in handen, riep hij zijn vrouw naar beneden om haar te vertellen dat ze het tot de gast zou arriveren zouden moeten stellen met een absoluut minimum aan boodschappen. “Je hebt nog wel kikkererwten, sperziebonen, aardappelen en linzen in de kelder liggen. Daar kunnen we de volgende week warme maaltijden mee bereiden. En kaas als beleg is meer dan genoeg, niet?” Ze schonk hem haar Mona Lisaglimlach en opende de kelderdeur. Ondertussen sjouwde hij als een echte man de doos naar de eerste verdieping en begon de boeken te rangschikken naar grootte en kleur. Hij vroeg zich niet af of  Stapje voor stapje naar zijn eerste fruitpapje en Tiny leert paardrijden wel compatibel waren met L’évolution  sexuelle du corps et de l’esprit. Bleef daarentegen verwoed het stof van ieder boek dat hij in handen kreeg vegen en besproeien met bloemenfris. Die avond zeeg hij uitgeput neer op de zetel. Hij keek de salon rond, liet zijn blik even rusten op het ingekaderde zwart-witportret van zijn vader en spuwde een vloek in zijn richting. De stilte zorgde ervoor dat hij zijn gedachten luidop hoorde bonken tegen zijn hoofd. De afstandsbediening zou voor wat soelaas zorgen. Een schotelantenne heeft hij alleen aangeschaft om diverse sekskanalen te kunnen ontvangen. Alsof het een groot, verfoeilijk geheim betrof, schakelde hij meteen alle geluid uit toen hij bij Videosexy TV aankwam. Op die manier hoorde hij het meteen wanneer iemand kwam aangeslenterd op zijn pantoffels. Dan kon hij meteen overschakelen naar een of andere nieuwszender. Hopend dat zijn kloppende erectie en de verstarde mengeling tussen een verlekkerde en schuldige blik onder zijn frons die niet nader verklaard kon worden geen vragen zou oproepen of argwaan zou wekken. Zijn vrouw ging altijd vroeg slapen maar vond het leuk om hem het bloed onder de nagels te halen door in alle stilte de kamer te benaderen en hem te verrassen. Ze kwam de kamer binnen. Hij slaagde er nog net in van kanaal te switchen. Om hem helemaal te tergen, plaatste ze zich naast hem lekker gemakkelijk in de zetel, in divastijl liggend met haar armen haar achterhoofd ondersteunend. Zijn hijgende ademhaling hoorde ze klaar en duidelijk maar ze deed of haar neus bloedde. “Een beetje luider. Ik begrijp niet hoe je het nieuws kunt volgen op zulke gedempte toon. Beelden vullen het beeld dan wel maar toch…” Met een onderdrukte zucht om zijn irritatie en nederlaag niet te verraden, wierp hij beide afstandsbedieningen in haar richting. Niet om zich gewonnen te geven, maar om te gaan slapen. De dag die hij achter de rug had was slopend geweest en hij was het niet gewend om klusjes in en rond het huis op te knappen. “Hey!,” riep ze hem achterna. Argwanend keek hij achterom. “Ja?”, vroeg hij zonder die frons van zijn gezicht te vegen. “Je kalender. Je mag weer een kruisje zetten over de voorbije dag.” Twee dagen voordat de gast zou arriveren, begon hij in paniek het hele huis te inspecteren. “Maar hier moet nog een tegeltje gezet worden. En we hebben een nieuw douchegordijn nodig.” Zonder zijn saldo te consulteren, liep hij de stad in om extra handdoeken en een badjas en peignoir voor de man te kopen. Als anderen zouden horen hoe goed hij hem had ontvangen, zou hij misschien in zijn kliekje kunnen opgenomen worden. Eigenlijk kende hij hem via zijn zoon die hem op het strand had leren kennen. Vaak was hij afgunstig op zijn contacten die hij naar zijns inziens niet naar waarde schatte. Alsof het zijn lot was, kwam hij bij toeval mensen tegen die het hadden gemaakt en die rond hem bleven hangen. Vaak dacht hij dat als hij de mensen zou frequenteren die zijn zoon bij de voornaam aansprak, hij het verder schoppen dan eender wie. Zijn vrouw onderdrukte altijd een lachje wanneer ze hem zag strompelen en sukkelen in het bijzijn van mensen die een bepaalde positie in de maatschappij innamen. Een belediging slikte hij gauw in wanneer hem ter ore kwam met wie hij te maken had. In de supermarkt haalde hij snel even enkele spuitbussen ontvetter om de keuken en andere plekken waar vet de gewoonte heeft neer te zijgen onder handen te nemen. In de badkamer dacht hij een gelige plek boven de metalen staaf van het douchegordijn te zien. Met de bus ontvetter in de aanslag, bedacht hij hoe hij tot die plek zou raken. Op een stoel zou hij er niet helemaal geraken. Zijn rechtervoet plaatste hij op het boordje van het bad, zijn linkervoet zette hij krampachtig op het verhoogje waar de shampoos en conditioners uitgestald lagen. Voorzichtig boog hij zich voorover om het vlekje aan te vallen. Waarschijnlijk was hij vergeten dat hij even daarvoor de enkele vierkante centimeters waarop hij zijn rechtervoet had neergeplant, geboend had met het product dat niet helemaal weggepoetst was geweest. Hij gleed uit, belandde in een onmogelijke hoek op de vloer, zijn nek tegen de houten deur. “Help!”, stootte hij uit met een onderdrukt piepgeluid. Zijn zoon had de bons op de tegelvloer gehoord en kwam rustig naar hem toegeslenterd. “Is er wat?”
“Zie je dan niet wat er is?”, krijste hij met een hoge stem. Bij het aanzien van zijn vader in die positie, werd hij overmeesterd door een opwellend buldergelach en plooide zijn bovenlichaam. Hij dacht om hem overeind te helpen. Maar hij lachte tot de tranen van zijn wangen rolden. “Ezel, mijn nek! Help me toch overeind. Ezel!”
“Sorry, maar je zou jezelf echt moeten zien op dit moment.”, zei hij terwijl hij hem een slappe hand toestak.
“Help me overeind!”
“Zelfs wanneer je je nek gebroken kunt hebben, blijf je uit de hoogte doen. Blijf er maar liggen, kloot.” Hij liet hem achter maar belde wel de ziekenwagen.
In het ziekenhuis bewonderde hij de algehele witheid der lakens en muren. De dokter die zijn bloeddruk afnam, vroeg hem of hij zich de voorbije dagen had opgewonden. De gevaarlijk hoge bloeddruk moest door iets zijn aangewakkerd. Hij antwoordde: “Zeg, die verf op deze muren… Is dat misschien duur geweest?”
“Je bloeddruk… we zouden het daar eens over moeten hebben, mijnheer. Heb je je opgewonden? Is er onlangs iets gebeurd?”
“Ik zou eigenlijk nog vernis moeten halen. Ik heb tegen hem gezegd dat ik het één van de dagen zou gaan halen en ik ben het vergeten. Dat extra laagje vernis zou de glans van de verf langer laten schitteren. Zeg, mijn verblijf hier wordt toch door de ziekenkas terugbetaald want anders ga ik liever thuis in bed liggen.”
De arts griste uit zijn zak een slaappilletje, vulde een glaasje met Lafontainewater uit een glazen fles en gebood hem het in te slikken.
Tijdens het bezoekuur keek hij naar tv. Hij zag gezinnen en rennende kinderen door de gang lopen zonder dat ze een nieuwsgierige blik in zijn kamer wierpen. Nochtans had hij de verpleegster de deur open te laten om meteen te zien wie hem zou bezoeken. Hij bleef zappen tot zijn wijsvinger het liet afweten. De afstandsbediening deinde op zijn buik onder het laken mee op het ritme van zijn ademhaling. “Hebben ze hier dan geen schotelantenne?”, vroeg hij aan de verpleegster die het raam kwam openzetten. “Ik wil geen frisse lucht. Hebben jullie geen schotelantenne?”
De stagiaire was nog ongeschonden door het vak en antwoordde vriendelijk: “Ach mijnheer, we doen hartstikke ons best maar zelfs een blinde weet dat het er in een ziekenhuis niet zoals in een hotel aan toe hoeft te gaan. Wilt u misschien nog iets drinken of eten?”
Hij zuchtte luidop en keerde zijn gezicht van haar af. Zijn gast zou morgen komen. Hij kon toch niet in dat bed blijven liggen terwijl zijn gast morgen zou komen. “Zeg, verpleegster, roep de dokter eens!”
“Hij is bezig, mijnheer. Maar ik zal hem sturen zodra hij niets omhanden heeft…”
“Niets omhanden, niets omhanden… Mijn kloten, ja.” Hij overliep in gedachten alle klussen die hij reeds had afgewerkt en bedacht dat hij buiten die linzen en sperziebonen niets deftigs in huis had om hem aan te bieden. Hij diende nog inkopen te doen. Wild, kip, kreeft, exotische fruitsoorten, flessen drank,… In zijn hoofd maakte hij een lijstje op van de dingen die hij zeker niet mocht vergeten. Echt ziek was hij niet. Alleen maar een wervel die wat? Beschadigd was of zoiets? En zijn hart dat overuren was aan het kloppen. Dat kwam door het weinige slapen had hij de dokter proberen wijs te maken. Hij lag er al anderhalve dag en nog waren zijn vrouw en zoon hem niet komen opzoeken. Waarschijnlijk waren ze al zijn taken aan het uitvoeren voor de komst van zijn gast. Zij wist wat er nog gedaan diende te worden. “KAN ER DAN NIEMAND DE DOKTER ROEPEN?”
De stagiaire met het engelengeduld kwam aangerend op haar espadrilles. “Kan ik misschien iets voor je doen?”
“Laat me toch gewoon naar huis gaan. Ik ben helemaal niet ziek. Gewoon voor enkele dagen. En dan kom ik terug. Beloofd.”
“Mijnheer, ik kan u niet laten gaan. Ik heb die bevoegdheid niet…”
“MAAR IK KRIJG MORGEN BELANGRIJK BEZOEK!!! Ach, paria’s, wat weten jullie in godsnaam van van van… bezoek af?”
De dokter kwam de kamer binnengewandeld, schatte de situatie in en deelde met hem mee: “Mijnheer, we hebben net een telefoontje ontvangen van je echtgenote. Ik diende u te melden dat uw gast reeds gearriveerd is. Ze zei dat zij er wel voor zou zorgen dat hij niets te kort zou komen.” De tel was hij helemaal kwijtgeraakt door de witte tegels op de vloer, de witte verf op de muren, de witte lakens onder en boven hem, de witte meubels in de kamer. Nog steeds had hij moeite met het feit dat hij zijn gast niet is kunnen gaan ophalen op de luchthaven. Dan zou hij eerst met hem een glaasje zijn gaan drinken om hem wat te laten wennen aan de Belgische lucht en om hem uit te horen over zijn vlucht. Of alles goed verlopen was. Zonder vertraging. Of het eten op het vliegtuig een beetje gesmaakt had. En of hij zijn koffers wel helemaal alleen kon dragen. En dan te bedenken dat hij waarschijnlijk een jaar eerder op dezelfde wijze met Blair en zijn  entourage aan een bar had gezeten. Welke plekken zou hij hem laten zien? Ongetwijfeld zou hij hem meenemen naar Brugge en naar de kust om daar in het Casino van Knokke wat rond te wandelen. Waarschijnlijk was hij meer en beter gewend maar hij wilde toch geen raar figuur slaan in zijn bijzijn. Hij dommelde weer in. Enkele uren of dagen later werd hij wakker. Deze keer haalde de witheid het bloed onder zijn nagels vandaan. Hij kon daar onmogelijk blijven liggen. Dingen. Hij had dingen te doen. Wisten ze dat dan niet?
Er was telefoon voor hem. Zijn gast aan de andere kant van de lijn: “Dag, ik ben het. Alles goed met je? Vriend, ik dank je voor je gastvrijheid. Echt waar, je hebt me diep ontroerd door je gastvrijheid. Je vrouw heeft me goed gesoigneerd. Ik zal je maar laten. Mijn vlucht vertrekt binnen een viertal uurtjes.”
Hij legde de hoorn sprakeloos, verward, in extase neer. En dommelde vredig in.

http://www.kifkif.be/actua/vernis-literaire-bijdrage