"We mogen mensen die taalarm zijn niet betuttelen" - Een interview met Robert Voorhamme (S.pa)

Verslaggevers Mariam El Mandoudi en Larissa Kaneza interviewden Robert Voorhamme, Antwerps schepen van Onderwijs over het belang van taal, "concentratiescholen" en de toegang tot hoger onderwijs voor jongeren uit etnische minderheden.

De Verslaggevers: Leerlingen van andere etnische origine hebben op school soms een taalachterstand. Sommige ouders sturen hun kinderen niet (of niet regelmatig) naar de kleuterschool. Het kleuteronderwijs is niet verplicht maar daar vergaren kleuters een bagage die ze in het eerste studiejaar nodig hebben. Hoe kan het beleid ervoor zorgen dat er meer kleuters van andere etnische origine naar school gaan?

Robert Voorhamme: Dat is een perceptie die al jaren meegaat maar al lang geen realiteit meer is. De participatiegraad in het kleuter- en lager onderwijs ligt hoger dan in de middelbare school. Jaren geleden zijn er maatregelen getroffen opdat de kleuters regelmatiger naar school zouden gaan. Ze moeten een minimum aantal dagen op school aanwezig zijn en een testje afleggen om naar de lagere school te gaan. Wat de taal betreft moeten ouders zelf verantwoordelijkheid nemen. Als ouders beslissen hier te blijven wonen moeten zij de taal leren opdat hun kinderen de taal ook aanleren. Het is onverantwoord tegenover de kinderen om de taal niet te leren en niet te participeren in het schoolgebeuren. We laten de ouders niet aan hun lot over, het KAAP-project (waar anderstalige ouders lessen Nederlands in de school van de kinderen) is een initiatief van de stad om ouders Nederlands te leren. Ouders leren ook hoe de agenda en het rapport op te volgen. Het project verlaagt de drempel naar de school en creëert een band met de school van het kind.

De Verslaggevers: Waarom is het zo belangrijk om goed Nederlands te leren?

Robert Voorhamme: We mogen mensen niet in armoede houden. Als mensen taalarm zijn mogen we hen niet betuttelen door een houding aan te nemen en er vanuit te gaan dat die mensen de taal nooit zullen leren. Met die houding worden die ouders en kinderen veroordeeld tot armoede. Mensen die de taal niet beheersen of nooit naar school zijn geweest moeten moeite doen om de taal wel te leren en zich te scholen. De inspanning moet van beide kanten komen. Wij als overheid bieden hun de kans de taal te leren en zij moeten inzien dat dit allemaal nodig is om hogerop te geraken.

Het referentiekader van het onderwijs is de Vlaamse middenklasse waardoor veel leerlingen uit een minderheidsgroep zich anders gaan voelen en zich minder thuis gaan voelen op school. Kan het onderwijs haar beleid aanpassen en nog meer ruimte maken voor diversiteit? Door bijvoorbeeld de geschiedenislessen (migratiegeschiedenis van België) aan te passen zodat leerlingen van andere etnische origine zich kunnen herkennen in wat ze leren.

Ons onderwijs is niet uitgerust om met diversiteit om te gaan en dat komt vooral tot uiting omdat  scholen meer leerlingen hebben met verschillende etnische achtergronden. Elk kind heeft zijn eigen profiel en daar heeft het onderwijs het moeilijk mee. Er moeten meer invalshoeken aan bod komen in de lessen. Er zijn honderden invalshoeken per les en er 1 uitkiezen kan nooit alle kinderen aanspreken. We moeten meer invalshoeken gebruiken, niet alleen voor allochtone kinderen maar omdat alle kinderen een grote kijk op de wereld moeten hebben, ongeacht vanwaar ze afkomstig zijn). Het onderwijs kan aangepast worden maar er is een grote, begrijpelijke, bekommernis van Vlaamse ouders. Zij vinden dat elke aanpassing een afname van kwaliteit is. Ze zijn ervan overtuigd dat als scholen zich gaan aanpassen aan talenten van de leerlingen dat het niveau van de school verlaagd wordt. Hier hangt de schoolkeuze van af, daardoor worden witte scholen gecreëerd.

De Verslaggevers: Concentratiescholen krijgen vaak het label slechte scholen te zijn. Het project ‘school in zicht’ (waarbij buurtscholen gepromoot en ondersteund worden) werpt vruchten af. Er zijn 27 scholen in Noord-Antwerpen en Oud-Borgerhout die eraan meewerken, 250 autochtone kinderen vonden hun weg naar die concentratiescholen. Er is dus meer diversiteit in die scholen en minder stadsvlucht. Ziet u de concentratiescholen als een probleem? Heeft u een beleid om daar iets tegen te doen?

Robert Voorhamme: Ik heb het moeilijk met het begrip “concentratieschool”. Wat is een “concentratieschool”? Er wordt constant met de vinger gewezen naar zwarte concentratiescholen maar de witte scholen treft evenveel blaam. Dat zijn toch ook concentratiescholen? De school moet een afspiegeling zijn van de omgeving. Uit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van een school niet samenhangt met de samenstelling van een school. We moeten naar de kwaliteiten van de scholen kijken. “school in zicht” is er gekomen om bange ouders ervan te overtuigen dat gemengde scholen ook goeie scholen zijn. De stad vindt dat een vruchtbaar project en daarom financiert het het project.

De Verslaggevers: Maar het stigma rond "concentratiescholen" is er nu eenmaal. Waar komt dat dan vandaan?

Robert Voorhamme: De ouders van Vlaamse origine hebben schrik. Ze zijn te weinig op de hoogte van de kwaliteiten van scholen. Als er veel kinderen met een taalachterstand in één school of klas zitten kan dat een probleem vormen als de school dat slecht aanpakt.

In het Leonardo Lyceum loopt er een proefproject voor OKAN’ers (Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers). Zou dit project in de toekomst in  Antwerpen of heel Vlaanderen geïmplementeerd kunnen worden?

Robert Voorhamme: Dat zou kunnen, maar scholen moeten dat zelf willen. Ik ben er geen voorstander van om allerlei dingen van bovenaf op te leggen. De scholen moeten  met elkaar vergeleken worden zodat ze op een spontane manier van elkaar kunnen leren. In de geschiedenis van ons onderwijs hebben we tal van verschillende onderwijshervormen opgelegd die mislukt zijn, juist omdat die allemaal van bovenaf zijn opgelegd.

De Verslaggevers: Hoe moet het dan nu verder?

Robert Voorhamme: Er gebeurt van alles. Er zijn scholen die innovatief te werk gaan. Scholen moeten zich durven meten. Als die metingen zich uiten in goede meetcijfers kan dat ten goede komen voor vele scholen. Het Leonardo Lyceum is één van de weinige scholen in Vlaanderen met een ISF-kwaliteitslabel en dus één van de beste scholen in Vlaanderen. Het is een school met veel nieuwkomers, met een hoog percentage anderstalige en illegale kinderen. De school slaagt erin goed te scoren omdat ze hun onderwijs anders organiseren en zich durven te laten meten.

De Verslaggevers: Nemen andere scholen daar dan  geen voorbeeld aan?

Robert Voorhamme: Dat proberen we te stimuleren. We hebben een onderzoek laten doen naar de effecten van het zitten blijven. Het beste onderwijssysteem is immers het systeem waarin geen zittenblijvers zijn. We hebben dus een methodologie aangebracht die scholen met zittenblijvers zou kunnen helpen om over te schakelen naar een onderwijssysteem zonder zittenblijvers. Er zijn nu scholen in Antwerpen die zich hebben ingeschreven als pilootscholen daarvoor. Elk jaar hebben ze een centrale doelstelling die eruit bestaat om de zittenblijvers af te bouwen, maar hiervoor moeten ze hun onderwijs anders organiseren want die pilootscholen mogen niet aan kwaliteit inboeten. We ondersteunen deze scholen op financieel vlak, maar we bieden hen ook expertise aan. We leggen de scholen niets op. We laten hen het engagement zelf aangaan, zodanig dat wat ze bereiken ze vervolgens met elkaar kunnen delen. Dat lijkt de snelste manier om verandering te brengen. Veranderingen kunnen alleen lukken als ze gedragen worden door mensen die het in praktijk moeten brengen.

De Verslaggevers: Allochtone en kansarme jongeren vinden vaak de weg niet naar het hoger onderwijs omdat ze in hun directe omgeving niemand hebben die hen is voorgegaan. Die jongeren hebben geen voorbeeld en stromen minder door naar het hoger onderwijs. De UA en de hogescholen hebben het Klimop-project. Heeft de Stad een gelijkaardige project of beleid?

Robert Voorhamme: Ik zal je iets zeggen dat je misschien zal verrassen: ik vind dat je geen zorgbeleid moet voeren in het hoger onderwijs. Dat er te weinig informatie wordt gegeven over het hoger onderwijs, is de fout van het secundair onderwijs. Ik vind wel dat het hoger onderwijs duidelijk moet zijn over het startprofiel dat ze verwachten voor elke studierichting. Dat kan je doen door voor een bepaald startprofiel een oriëntatieproef op te nemen. We hebben een heel toegankelijk hoger onderwijs; iemand die TSO gestudeerd heeft, kan zich inschrijven om burgerlijk ingenieur te worden, niemand die hem tegenhoudt. Als het hem niet lukt, doet hij daarna iets anders. Dat kan ten dele worden voorkomen door het organiseren van een oriëntatieproef. Hoger onderwijs moet van topkwaliteit zijn, zoals in een solide bedrijf. We werken daaraan, we hebben een systeem om een competentieprofiel in het bedrijfsleven in kaart te brengen. Dit om duidelijk te maken wat je moet studeren om te voldoen aan de te verwachten competenties.

De Verslaggevers: Nieuwkomers die in het land van herkomst een diploma behaald hebben, moeten vaak onder hun ‘niveau’ werken omdat hun diploma hier niet wordt erkend. Wordt daar iets aan gedaan of wordt er van uit gegaan dat ze voor dit land gekozen hebben en het werk dat er is, moeten aanvaarden?

Robert Voorhamme: Er zijn heel veel landen waarvan de diploma’s erkend worden of waar  duidelijk wordt gemaakt wat er ontbreekt om die erkenning te bekomen. Zo moet een kinderverzorgster in een kinderkribbe een erkend diploma hebben van kinderverzorgster. Zonder dat diploma kan je niet aangeworven worden omdat de normen die gehanteerd worden in een kindercrèche zo hoog liggen in België. We organiseren programma’s waarbij mensen een opleiding volgen en tegelijkertijd stage lopen. Die programma’s leiden dan tot een erkend diploma.

De Verslaggevers: Verdienen die nieuwkomers dan ook hetzelfde als iemand die zijn volledige opleiding hier in België heeft gevolgd?

Robert Voorhamme: Ja, een erkend diploma betaalt gelijk. Er is nog een probleem dat onderschat wordt door nieuwkomers. Velen die naar hier komen denken dat de levensstandaard hier hoger is. Wat ook zo is, maar dat is zo omdat er gemiddeld veel meer hoger geschoolden zijn met een hoge gekwalificeerde job.

De Verslaggevers: Antwerpen is aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders en Antwerpen heeft daarvoor zelfs een award gewonnen. Die buitenlandse investeerders creëren werkgelegenheid, kunnen lager geschoolden daar een graantje van meepikken?

Robert Voorhamme: Er zijn geen economische activiteiten die uitsluitend gericht zijn op lager geschoolden. In geen enkele branche. Het ene heeft het andere nodig. Bijvoorbeeld een bedrijf met ingenieurs heeft onderhoudsmecaniciens en poetsdiensten nodig. Zonder ingenieurs is er geen bedrijf en zonder onderhoudspersoneel evenmin.

De Verslaggevers: Als er nieuwe investeerders naar Antwerpen komen, denken jullie dan specifiek aan een bepaalde groep die moeilijk aan werk geraakt bij de rekrutering van nieuw personeel?

Robert Voorhamme: Een voorbeeld. De winkelketen Forever 21 opende  hier een nieuwe grote winkel en had veel personeel nodig. Wij hebben hen voorgesteld om samen te werken met de VDAB om personeel te rekruteren. De VDAB zocht werkzoekenden voor het profiel dat het bedrijf nodig had. Die mensen kregen een specifieke opleiding want werken voor Forever 21 is anders dan werken voor eender welk bedrijf. 94% van de mensen die op deze manier gerekruteerd werden, kregen een contract en het  percentage van jonge allochtone vrouwen daar tewerkgesteld ligt bijzonder hoog. Het grootste probleem inzake tewerkstelling zijn de kwalificaties. In Antwerpen verlaat 20% van de jongens  onder de 18 jaar de school zonder secundair diploma. Voor mensen zonder kwalificaties is het moeilijk om een goede job te vinden.

---

Het volledige dossier 'De Verslaggevers 2012' vindt u hier
 

http://www.kifkif.be/actua/we-mogen-mensen-die-taalarm-zijn-niet-betuttelen-een-interview-met-robert-voorhamme-spa