Yasmine Kherbache antwoordt voor Sp.a

Niets is zo weerzinwekkend, als de idee dat goed eten wordt weggegooid terwijl er mensen in ons land honger lijden.

Uit cijfers van de VDAB blijkt dat de werkloosheidsgraad in Antwerpen (15,1%) dubbel zo hoog ligt als in Vlaanderen (6,9%) . Vooral de positie van etnisch culturele minderheden is heel zwak. Wat zijn hier volgens uw partij de oorzaken van, en wat de juiste oplossingen om de tewerkstellingsgraad bij etnisch culturele minderheden te verhogen?

Yasmine Kherbache: “Het is op het eerste gezicht te gek voor woorden dat in deze stad zo veel mensen moeite hebben om een job, om een baan te vinden. De stad Antwerpen is met de haven, de farmaceutische industrie, het toerisme en de dienstensector goed voor een belangrijk aandeel in het Bruto Nationaal Product (BNP) van België. Toch kent de stad een werkloosheidsgraad (15,19 %) die meer dan dubbel zo hoog is als de rest van Vlaanderen (6,84 %). Een hoog aandeel in het BNP betekent dus nog niet een hoog aandeel in het Bruto Nationaal Geluk. Om dat te bereiken moeten er veel meer mensen aan het werk. Want werk is fundamenteel voor het geluk van mensen. Het biedt houvast, het zorgt ervoor dat mensen zich nuttig voelen, zich erkend voelen. Het zorgt voor een inkomen.

In Antwerpen is er meer werkloosheid omdat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt onvoldoende op elkaar zijn afgesteld. Bijzondere aandacht moet gaan naar de jongeren en vooral zij die ongekwalificeerd de schoolbanken verlaten. Die groep moeten we snel kunnen bereiken want het is belangrijk dat zij niet (verder) ontmoedigd raken. Zij zijn onze toekomst. Daarom is Frank Vandenbroucke (sp.a) de vorige legislatuur gestart met het Actieplan Jeugdwerkloosheid om ervoor te zorgen dat jongeren sneller én intensiever worden opgevangen door VDAB en zo snel mogelijk – bij kwetsbare doelgroepen bij voorkeur binnen de 6 weken – een jobaanbod krijgen of een opleiding kunnen volgen die leidt naar een job.

Maar soms is een theoretische opleiding niet de beste oplossing en is een gewone aanwerving nog niet haalbaar. Voor dergelijke jongeren moeten we zorgen dat zij werkervaring kunnen opdoen bij een echte werkgever in de vorm van een begeleide stage. In de praktijk blijkt echter dat een groot deel van de ongekwalificeerde schoolverlaters na 6 of 12 maanden nog steeds in de werkloosheid zitten en geen enkele werkervaring heeft opgedaan. Daarom heeft federaal sp.a-minister van werk Monica De Coninck recent een voorstel gelanceerd om, samen met de regio’s, voor 10.000 jongeren in heel België een stageplaats te voorzien. Zij wil werkgevers overtuigen om deze kwestbare doelgroep een kans te geven. Zodra zij werkervaring hebben opgedaan, zullen zij sterker staan bij het zoeken van een duurzame job.

Antwerpen is een grootstad, en dus de plek waar vele nieuwkomers naar toe komen, op zoek naar werk, naar een toekomst. In eerste instantie wil dat niet altijd lukken, want veel nieuwkomers staan zwak op die arbeidsmarkt. Omdat ze de taal niet kennen, omdat ze onvoldoende geschoold zijn. Ook al willen veel van deze mensen de armen uit de mouwen steken, werkgevers aarzelen. Soms terecht, soms onterecht, soms uit angst, soms uit racisme. Op dat laatste kom ik straks nog terug.
Niet alles is evenwel kommer en kwel. Ik geloof niet dat alle mensen onze samenleving zien als een hangmat, maar wel als trampoline. De stad is daarbij, zoals in het boek van Doug Sanders, een grote machine die daarbij helpt. Een goed voorbeeld is dat nieuwkomers die bij het OCMW terechtkomen vaak doorstromen naar de reguliere arbeidsmarkt. En wat essentieel is: hun “omlooptijd” om daar te geraken is kleiner dan bij de “autochtonen” die bij het OCMW aankloppen. Kortom, Antwerpen kent een probleem, een probleem van gekleurde armoede, van werkloosheid die sommige groepen harder treft dan anderen. Maar als wij hen op weg helpen, en zij die kans grijpen – want niets gaan vanzelf -  dan lukt er veel. Dat bewijst ook de praktijk van het Antwerpse OCMW.

En verder moeten we investeren in onderwijs, onderwijs, onderwijs! Op maat voor wat nodig is, want alleen als alle kinderen onderwijs op maat krijgen zullen we er in lukken om meer kinderen tot voorbij de eindmeet te krijgen. Daarvoor moeten we niet alleen zorgen voor een betere aansluiting tussen school en arbeidsmarkt, maar moeten we ook nog meer aandacht hebben voor de start van de “schoolloopbaan”. We moeten er nog beter voor zorgen dat alle kleuters zo snel mogelijk naar school gaan, en dat ze niet te vaak afwezig blijven. Vandaag zien we dat vooral kwetsbare groepen in de samenleving te weinig inzien dat het in de kleuterschool is dat de kiemen worden gelegd voor wat men later zal worden.”

Twee jaar geleden (sept. 2010) toonde het Een programma VOLT aan de hand van praktijktesten aan dat 6 op 8 interim kantoren discrimineren op vraag van de klant (werkgever). Bijna een derde van de uitzendkantoren blijft ingaan op discriminerende vragen van klanten. Dat blijkt uit onderzoek van de sector zelf (juli 2012) . Ook het bekende BBB codesysteem dat Adecco gebruikte (en waar ABVV, SOS Racisme en Kif Kif een klacht tegen indienden in 2001)  om hun werkzoekend cliënteel te coderen heeft veel stof doen opwaaien. Hoe wil uw partij de discriminatie op de arbeidsmarkt aanpakken? Wat is uw standpunt ten opzichte van praktijktesten?

Yasmine Kherbache: “Vooreerst, er kan vandaag al opgetreden worden tegen interimkantoren die discrimineren. Ik moet alleen vaststellen dat de laatste minister die dat deed Frank Vandenbroucke (sp.a) was. Ik behandelde als adviseur die dossiers toen op zijn kabinet.

In het najaar van 2007 kwam het thema in de media door de zaak “MailProfs Deutsche Bank” en nadien ook door de zaak “T-interim”. Of discriminatie nu heel vaak voorkomt of bij uitzondering, die discussie is niet belangrijk, dat kunnen we toch niet exact vaststellen. Het punt is: het mag gewoon niet voorkomen. Daarom hebben wij, zodra we kennis kregen van deze dossiers, meteen de sociale inspectie WSE ingeschakeld om ter plaatse controles te doen. Toen bleek dat er inderdaad sprake was van discriminatie, werd zowel bij MailProfs als T-interim hun uitzenderkenning van onbepaalde duur omgezet in een erkenning van zes maanden. Binnen deze 6 maanden dienden zij een structurele oplossing uit te werken binnen hun bedrijven om dergelijke praktijken in de toekomst te vermijden. Op die manier werden deze uitzendkantoren aangespoord om effectief werk te maken van structurele oplossingen, zonder dat het haar uitzendactiviteiten moest staken. Door de omzetting van een vaste naar een tijdelijke erkenning maakten we wel duidelijk dat het niet ging om een vrijblijvend engagement. De uitzendkantoren kregen op die manier de kans om zich alsnog tot goede leerlingen te ontpoppen. Zij voerden beiden een diversiteitsplan en beleid in. Bijgevolg werd na 6 maanden hun erkenning opnieuw omgezet in een erkenning voor onbepaalde duur.

We probeerden toen ook proactief te werken door de sociale inspectie WSE te versterken met extra inspecteurs en door van discriminatie een prioriteit te maken bij elke controle in een uitzendkantoor. Daarnaast werd er binnen elke provincie een inspecteur aangeduid als aanspreekpunt voor discriminatie, werd er een elektronisch meldpunt op de website www.werk.be geïnstalleerd en kregen de sociale inspecteurs een bijkomende opleiding inzake discriminatie en diversiteit.

Ook werden er, op initiatief van Frank Vandenbroucke, afspraken gemaakt tussen de sociale inspectie WSE; de vakbonden, Kif Kif, het Minderhedenforum, Federgon, het CGKR, de Meldpunten Discriminatie, het Minderhedenforum, GRIP en nog een aantal andere belangenorganisaties om meer gecoördineerd met elkaar en met de sociale inspectie WSE samen te werken, om zo een goede opvolging en informatie-uitwisseling te kunnen garanderen. Deze totaalaanpak had als doel elke vorm van discriminatie sneller, kordater en meer efficiënt te bestrijden.

Het instrumentarium is dus voorhanden, men moet het alleen durven toepassen…
Praktijktesten kunnen oplossingen bieden. Alleen kennen wij tot nog toe geen echte “praktijk” van praktijktesten. Er is wel wat casuïstiek, maar enkel bij lagere rechtbanken. Bovendien wordt een praktijktest daar altijd beperkt tot een-op-een-voorbeelden, in de stijl van “ik ben Yasmine, zo oud, dat diploma” versus “Nathalie, die dan even oud is en hetzelfde diploma”. Als Nathalie dan wel wordt uitgenodigd, en Yasmine niet dan is er een kans op discriminatie. Echte praktijktesten zijn veel omstandiger, bijna wetenschappelijk, en lichten een hele sector uit. In de vorige legislatuur hebben we samen met het CGKR, de federale overheid en de regio’s hiertoe in feite een eerste aanzet gegeven, naar analogie met de wetenschappelijke praktijktesten die in Frankrijk werden gehouden. De eerste diversiteitsbarometer “Arbeid en Tewerkstelling”  die recent is verschenen is hiervan het resultaat. Opnieuw blijkt dat de kans tot discriminatie vrij hoog is.

Het zou prachtig zijn indien het openbaar ministerie, of een instelling zoals het CGKR, de bevoegdheid zou hebben om zo’n grootschalige testen uit te voeren. En vooral om aansluitend, in eerste instantie, met een sector te gaan samen zitten met het oog op zelfregulering. Als er nadien geen beterschap is, dan moeten er straffen volgen. Een werkloze die een jobaanbod weigert, is sanctioneerbaar. Maar een werkgever die steeds dezelfde mensen uitsluit, die moet ook gestraft worden. ”

Het aantal voedselbanken in Antwerpen stijgt, een teken aan de wand dat armoede een realiteit wordt die steeds meer mensen treft. Wat zijn concrete maatregelen om dit tegen te gaan? Hoe denkt u de zogenaamde ‘gekleurde armoede’  specifiek aan te pakken?

Yasmine Kherbache: “Meer dan 1 kind op 5 in Antwerpen wordt vandaag geboren in een kansarm gezin. In 1999 was dat minder dan 1 kind op 10. Dat is een hallucinant aantal. In elke klas zitten dus minstens twee kinderen waarvan de ouders niet weten hoe ze vanaf het midden van de maand moeten rondkomen. Gezinnen met kinderen waar geen van de ouders werk heeft lopen 60% kans om in de armoede terecht te komen. Werk blijft dus een cruciale hefboom. Om de intergenerationele cirkel van armoede te doorbreken, is gezinsondersteuning ontzettend belangrijk, en dit van bij het begin. Steun bieden aan gezinnen en ouders van kindjes tussen 0 en 3 jaar kan een enorme maatschappelijke winst opleveren.

Steeds meer van deze armoede is gekleurd. “Meer” voedselbanken biedt alleen op korte termijn oplossingen, maar zolang het moet, is elke voedselbank nodig. Ik stel tevreden vast dat supermarktketens, na de hele heisa rond de Muffinman en mee op initiatief van Ingrid Lieten, sp.a-minister bevoegd voor de coördinatie van het armoedebeleid, steeds meer willen samenwerken met organisaties van en voor armen. Want niets is zo weerzinwekkend, als de idee dat goed eten wordt weggegooid terwijl er mensen in ons land honger lijden. Op termijn zijn voedselbanken geen oplossing. Bij ontwikkelingssamenwerking geldt dat je mensen geen vis moet geven, maar dat je hen moet leren vissen. Dat is ook zo als het gaat over het wegwerken van armoede. Inzetten op begeleiding, op taalkennis, op opleidingen is daarom essentieel. Maar we moeten ook beseffen dat niet iedereen activeerbaar is, dat niet alles maakbaar is. Wie ziek is, wie niet kan geactiveerd worden, voor hen moeten we zorgen voor inkomenszekerheid en toegankelijke en betaalbare voorzieningen. Maar dat is een opdracht die de stad niet alleen kan realiseren. Dat kan zij alleen, samen met de Vlaamse en de federale overheid.

Huisvesting is een groot probleem in Antwerpen, het is te kostelijk en vooral sociaaleconomisch zwakkere groepen kunnen geen woning aanwerven en huren vaak slecht onderhouden woningen die teveel kosten voor wat ze waard zijn. Hoe wil uw partij concreet de huisjesmelkerij waar laatstgenoemde groep vaker de dupe van is bestrijden? Hoe wilt u een systeem ontwikkelen waarbij uitsluiting en discriminatie onmogelijk worden maar waarbij mensen hulp op maat, binnen een specifiek behoeftekader, blijven ontvangen?

Yasmine Kherbache: “Antwerpen kent met 11 % een groot sociaal huurpatrimonium. Maar tegenover de meer dan 20.000 sociale woningen vandaag staan bijna evenveel kandidaat-huurders die op zoek zijn naar een kwaliteitsvolle woning die niet de helft van hun gezinsinkomen opslokt elke maand. Bovendien is de kwaliteit van dat sociaal woningaanbod vaak verouderd. Tegelijk komen er steeds meer Antwerpenaren bij, wat de druk op de immomarkt hoog houdt. De gevolgen zijn duidelijk. Een aantal huiseigenaren vraagt in verhouding tot de kwaliteit van de huurwoningen te hoge prijzen voor vaak slechte huurwoningen. En veel huurders kunnen nergens anders terecht. Wat de stad vandaag al doet, en goed doet, zijn doorgedreven controles van woningkwaliteit om huisjesmelkerij te bestrijden. Er zijn evenwel ook huiseigenaars die aarzelen om hun pand te verhuren aan wie zwak staat in de samenleving.. Daarom dat sp.a met Freya Vandenbossche werk maakt van een huurgarantiefonds. Eigenaars die zich hierbij aansluiten moeten dan niet meer bang zijn dat de huur niet betaald wordt.

Een mogelijkheid die eveneens nog meer moet benut worden is die van de sociaal verhuurkantoren. Eigenaars hebben daar de zekerheid dat hun pand voor 9 jaar wordt gehuurd, zijn zeker dat hun pand goed wordt onderhouden, en hoeven niets te doen voor kleine herstellingen. In ruil moeten ze zich wel tevreden stellen met een lagere huurprijs maar dat lijkt vaak alleen maar zo, omdat je immers nooit met leegstand wordt geconfronteerd. Verder moet de stad blijven inzetten op een versnelde renovatie van het sociaal huurpatrimonium. Met sp.a plannen we ook 10.000 nieuwe woningen tijdens de volgende legislatuur. Bij alle grote stadsontwikkelingsprojecten (zoals Op Nieuw Zuid, Nieuw Zurenborg, Groen Kwartier, Groen Zuid en in de Cadixwijk) willen we dat 25% van alle nieuwe woningen naar sociale huisvestingsmaatschappijen gaan, telkens goed gespreid over de hele buurt en niet geconcentreerd in één bouwblok.

Tot slot moeten we ook meer aandacht besteden voor discriminatie op de arbeidsmarkt. Ik heb misschien nog wel begrip voor een eigenaar die aarzelt te verhuren aan iemand van wie hij vreest dat die de rekeningen niet kan betalen (vandaar het belang van het huurgarantiefonds), maar ik heb een afschuw voor eigenaars die iemand weigert omdat die een buitenlandse afkomst heeft. De affichering van de huurprijzen en het controleren of dat ook gebeurt kunnen alvast uitsluiten dat de huurprijs voor Yasmine, voor mensen met een vreemde naam plots hoger is dan voor Nathalie. En goede en correcte praktijktests zullen de rest doen… .”

Wat is het standpunt van uw partij inzake het hoofddoekenverbod in het Gemeenschapsonderwijs?

Yasmine Kherbache: “In Antwerpen is er een algemeen verbod in alle scholen, en in alle onderwijsnetten. Behalve in het Lucerna-college aan het Stuivenbergplein kunnen meisjes geen hoofddoek meer dragen. Het is dus niet juist om alleen het Gemeenschapsonderwijs te noemen. Integendeel, de athenea van Antwerpen en Hoboken waren de laatste die een verbod instelden. In “mijn” partij is er net zoveel discussie over deze materie als in de samenleving. Er zijn leden die voorstander zijn van een verbod, en er zijn leden die van geen verbod willen weten. Dat leidt niet meteen tot een uniek standpunt, maar dat hoeft geen teken van zwakte te zijn. Het is immers begrijpelijk dat zo’n fundamentele kwestie niet gemakkelijk kan worden beslecht.

Maar om te antwoorden op jullie vraag. Ik hoop dat er een regeling komt voor alle levensbeschouwelijke symbolen in het onderwijs, en niet alleen voor het Gemeenschapsonderwijs, dat maar een klein aandeel heeft. De visie die door neutraliteit.be ooit is naar voren geschoven lijkt me een begin van een oplossing in te houden.  Ze gaat uit van de mogelijkheid, die kan worden beperkt als daar gegronde redenen toe zijn, bv als er sprake is van druk op studenten die geen hoofddoek willen dragen."
 

http://www.kifkif.be/actua/yasmine-kherbache-antwoordt-voor-spa