HIPHOP IN GEMEENSCHAP: BACK TO THE BRONX

04-04-2011 | KRISTIN ROGGHE

Artiesten die carrière hebben gemaakt in hiphop, zijn het bewijs dat we intelligent, georganiseerd en gemotiveerd kunnen zijn. Hiphop is een verhaal van liefde, doorzetting en triomf.’

In de jaren 1970 ontstond vanuit gemarginaliseerde gemeenschappen in New York een nieuwe urban culture, die zich viraal verspreidde over de rest van de wereld: hiphop.

De emancipatorische kunstvorm uit de getto's werd – niet toevallig – al gauw overschaduwd door zijn commerciële variant. Maar buiten de spotlights opereert nog steeds een andere hiphop community, zowel lokaal als globaal. Hoe leeft die cultuur vandaag in de Bronx?

‘Wie wil begrijpen waar hiphop echt om draait, kan het best naar de Bronx komen’, zegt Kwikstep, een allround hiphopper – dj, rapper, percussionist, poëet, maar vooral virtuoos breakdancer – uit New York. Niet dat hij een nostalgische verering koestert voor personen die verbonden zijn met ‘the birthplace of hiphop’, of meent dat enkel The Big Apple aanspraak kan maken op authentieke hiphop. Integendeel: ‘Hiphop belongs to the world now.’ Maar wat die wereld tegenwoordig van hiphop te zien krijgt in de massamedia – zwarte rappers met limo’s, gratuit geweld en vrouwen gereduceerd tot sekssymbolen – staat ver van hoe het ooit begon. En nog verder van wat de undergroundhiphopcultuur vandaag betekent voor nieuwe generaties in de Bronx en andere grootstedelijke gemeenschappen waar zogeheten minderheden in de meerderheid zijn.

Er is al veel inkt gevloeid over de commercialisering van Amerikaanse hiphop, vaak in termen van de teloorgang van een expliciet activisme ten voordele van oppervlakkige dansmuziek. Nochtans stond het feestkarakter van de hiphopcultuur zijn sociale en politieke relevantie oorspronkelijk niet in de weg. In de jaren 1970 was fuiven voor mensen uit de Bronx en andere verpauperde New Yorkse wijken zowat de enige manier om zich nog te verenigen en om hun bestaan te bevestigen.

De Civil Rights Movement van de jaren 1960 was immers vakkundig gebroken door Cointelpro, het geheime FBI-programma ter ondermijning van die massale volksbeweging. Leiders waren vermoord of opgesloten, en met succesvolle verdeel-en-heerstactieken was het politieke bewustzijn en de gemeenschappelijke strijd van zwarten, Joden, latino’s, Native Americans, vrouwen en homo’s het zwijgen opgelegd. De twee grote bevolkingsgroepen in de Bronx, latino’s en Black Americans, die met respectievelijk de Young Lords en de Black Panthers een solidaire rol hadden gespeeld in die strijd, bleven verslagen achter. Ze leken, buiten hun ellende, nog maar weinig te delen.

Maar waar taal, eet- en leefgewoonten hen onderscheidden, bracht muziek hen weer samen. In hun traditionele ritmes ontdekten beide culturen een gemeenschappelijke grond, die teruggaat op Afrikaanse percussie. Technologisch inventieve dj’s als Kool Herc begonnen de ritmesecties waarop hun gemengde publiek het hardst uit de bol ging, te samplen en te herhalen om de dans-flow zo lang mogelijk te laten duren.

Ook in het rappen van de dj’s, geïnspireerd door het Jamaicaanse gebruik van toasting (op zijn beurt gegroeid uit de griot-cultuur van slaven uit West-Afrika), toonden zich de gedeelde Afro roots van de Black Americans en de Caraïbische inwijkelingen. ‘Black is voor mij geen huidskleur’, zegt Kwik, die zelf eerder aan de bleke kant is. ‘Het is een cultuur, een deel van je identiteit. In de wijkfeesten van de Bronx ontdekte een volk dat uiteen gescheurd was door slavernij en kolonialisme, een gemeenschappelijke identiteit. Als een familie die eindelijk herenigd werd: de energie was ongelooflijk.’

Die energie uitte zich al gauw op verschillende creatieve fronten: breakdance, MC-ing, graffiti, beatbox enzovoort. Hiphop was oorspronkelijk dan ook meer dan enkel een muziekgenre: het was een veelzijdige urban culture waarin de eerste generatie na de Civil Rights Movement haar eigen uitlaatklep vond en waardoor ze haar stem kon laten horen. ‘Als je opgroeit in een systeem van discriminatie en geweld, is het niet evident te voelen dat je iets waard bent’, getuigt b-girl Rokafella. ‘Maar hiphop, als kunstvorm die groeide vanuit de getto’s en die wereldwijd succes oogstte, toonde de wereld dat we niet voorbestemd waren om arm en rechteloos te blijven, om als dom en lui te worden beschouwd. Artiesten die carrière hebben gemaakt in hiphop, zijn het bewijs dat we intelligent, georganiseerd en gemotiveerd kunnen zijn. Hiphop is een verhaal van liefde, doorzetting en triomf.’

STRIJD OM EIGENHEID

Ze bestond natuurlijk niet uit doetjes, die eerste generatie hiphoppers in de Bronx. De heersende bendecultuur vertaalde zich in een competitieve structuur met battles, waarin de artiesten het tegen elkaar opnamen, en zo gebeurt het nog steeds. ‘Competition is tradition’, zegt Kwik. ‘Maar net als de Olympische Spelen brengt het mensen samen in een geest van solidariteit: “Moge de beste winnen!”.’ De nieuwe hiphopcultuur daagde jongeren uit om hun street credibility artistiek te bewijzen in plaats van met geweld. Pioniers als Afrika Bambaataa, stichter van de Universal Zulu Nation, hervormden straatbendes tot culturele organisaties die zweerden bij vrede, verdraagzaamheid en artistiek verzet.

En hun verhaal van self-empowerment door kunst wordt nog straffer wanneer hiphop in de jaren 1980 ook internationaal aanslaat. Veelzeggend genoeg vindt een cultuur die ontwikkeld werd vanuit een lokale situatie van onderdrukking, weerklank over de hele planeet. Ook in Europa wordt ze opgepikt door jongeren uit achtergestelde milieus, vaak allochtonen. ‘Mensen zagen hoever wij, people of color, het hadden geschopt in de Verenigde Staten’, zegt Rokafella, ‘en daar haakten ze hun eigen dromen en ambities aan vast.’ Dat de kritische teksten van deze hiphoppers vaak de grauwe realiteit in de banlieues beschrijven, doet niets af aan hun emanciperende drijfveren. ‘Ondanks alle stedelijke tragedies is hiphop de viering van het stadsleven in zijn meest positieve vorm’, stelt Kwikstep.

De hiphopcultuur wordt wereldwijd zo vlot geadopteerd, omdat ze zelf geen taal, religie of etnie uitdraagt, maar je juist stimuleert om op zoek te gaan naar je eigen culturele erfenis en die te integreren in je kunst – naar het voorbeeld van de latino’s en zwarten in de Bronx. Vandaar ook het gebruik van dialect en de verwijzingen naar lokale tradities in dans, muziek en vormgeving. Ze maken undergroundhiphop als globaal fenomeen erg divers, maar die particulariteit wijst tegelijk op de universele missie van hiphoppers, waar ook ter wereld: beseffen waar je vandaan komt en ontwerpen waar je naartoe gaat. Wie kijkt met een hiphoppersblik, ziet de uitingen van het anders-zijn van de ander niet als een bron van verdeeldheid of wrevel, maar als iets wat respect inboezemt en wat zelfs verbindt. Onder de verschillende verschijningsvormen schuilt immers een gemeenschappelijke strijd: erkend worden als wie je bent.

SOLO EN SOUL

Maar hoe zit het intussen met de New Yorkse hiphopscène waar het allemaal begon? ‘De eerste generatie artiesten die hiphop internationaal uitdroeg, is verbrand door de industrie’, vertelt Rokafella. ‘Ze hadden geen ervaring met auteursrechten en contracten, en toen de markt hen afschreef, bleven ze achter met lege handen.’ De commercialisering van hiphop deed nog meer. ‘Waar hiphop ontstond uit de samenhorigheid van latino’s en zwarten, wist de industrie ons weer uiteen te drijven’, zegt Kwik. ‘Zwarte rap wordt eenzijdig gepromoot en de muziek is verarmd.

Ook inhoudelijk: hiphop met verheffende teksten kreeg op een zeker moment geen airplay of platendeal meer.’ Geëngageerde hiphop ging dus ondergronds, en tegelijk werd een hiphop met heel andere waarden in de markt gezet: seksisme, materialisme, homofobie enzovoort. ‘Commerciële hiphop verschilt niet echt van andere commerciële muziek’, vindt Rokafella. ‘Het gaat niet meer om de realiteit, maar om puur entertainment.’ Kwikstep waarschuwt voor verwarring met de echte hiphopcultuur: ‘Commerciële hiphop staat tot de hiphopcultuur zoals fastfood tot een huisbereide maaltijd. Het kost tijd, inspanning en liefde om zelf te koken, maar je proeft het verschil van bij de eerste hap.’

Passie en inspanning lijken inderdaad de basisingrediënten van de hiphopcultuur zoals ze nu, in de schaduw van de commerciële hiphop, in de buurten van New York wordt beoefend. Wie de hiphoppers bezig ziet, beseft dat het naïef is te denken dat het draait om trucjes doen en show verkopen. Nee, deze hiphop is een spirituele en sociale leerschool, gebaseerd op een complexe interactie tussen individu en groep. ‘In sommige culturen moet je eerst tot de gemeenschap behoren om de geldende rituelen te kunnen aanleren,’ legt Rokafella uit, ‘maar in hiphop moet je zelf keihard oefenen voor je in een crew wordt opgenomen.’ Het verlangen om erbij te horen vormt dus de motivatie tot zelfontwikkeling. Het enige basiscriterium in hiphop is immers hoe goed je bent in je kunst, los van religie, leeftijd, huidskleur en geslacht.

En ‘goed zijn’ betekent niet enkel imponeren met technische virtuositeit, maar ook overtuigen met een stijl die je persoonlijkheid weerspiegelt. ‘Denk aan je grootmoeder’, zegt Kwikstep. ‘Haar bewegingen zijn misschien niet acrobatisch, maar ze zijn wel écht – en dat is wat je doet glimlachen.’ De solo in een cypher illustreert volgens hem perfect hoe het werkt: ‘In een solo ben je alleen, it’s all about you. Maar tegelijk breng je mensen samen en zoek je hun bevestiging. Je moet al stevig in je schoenen staan om jezelf zo in de groep te werpen. Voor een solo heb je soul nodig.’ Volgens de hiphopfilosofie leidt de zoektocht naar je ziel onvermijdelijk naar je roots: de omgeving waarin je opgroeide, en zelfs de geschiedenis van je volk.

Maar daar houdt het niet op: ‘bezield zijn’ uit zich ook in het vormgeven van je eigen toekomst, door trouw te blijven aan jezelf. Opnieuw zijn groepsinvloeden en individualisme niet tegengesteld, maar versterken ze elkaar. Kwikstep vergelijkt het met leren spreken: ‘Elk kind begint met imiteren en napraten wat het in zijn familie en omgeving hoort, maar gaandeweg wordt taal een manier om zijn eigen persoonlijkheid uit te drukken en met anderen te communiceren.’

In de New Yorkse hiphopscene heeft elke buurt zijn eigen idioom en moves, en de hiphoppers identificeren zich dan ook sterk met hun lokale crews. ‘Ik was een uitzondering’, aldus Kwikstep. ‘Omdat ik als pleegkind van het ene gezin naar het andere werd gestuurd, werd ik beïnvloed door alle vijf wijken van de stad. Ik leerde me aanpassen in elke buurt – walk the walk, talk the talk – en kreeg het vertouwen van verschillende crews.’ Evident is dat niet: ‘Crews zijn meestal erg voorzichtig met buitenstaanders. Maar als je echt goed bent, willen ze je allemaal.’ En zo werd Kwikstep een all-city breakdancer.

Op zijn negentiende mocht hij op tournee in China en ervoer hij hoe hiphop hem toeliet om ook crosscontinentaal te communiceren. ‘Ik trad op in een stadion met zo’n 15 000 toeschouwers’, vertelt hij. ‘Als bisnummer deed ik een headspin. Het publiek begon oorverdovend te joelen. Toen ik opstond, waren er plots tientallen gezichten vlak bij mij. Mensen kusten me, knuffelden me en tilden me op. En ik besefte dat mijn solo van zo diep in mijzelf kwam, dat hij een universele boodschap uitdroeg.’

HET GETTO VOORBIJ

Belichamen deze hiphoppers niet de ultieme American dream: from zero to hero door hard te werken? De werkelijkheid geeft een ander plaatje. In een crisisklimaat met weinig geld voor cultuur, is het al een hele prestatie om eigen voorstellingen te maken en de rekeningen te blijven betalen. Zeker nu de Bronx ten prooi valt aan gentrificatie en vele inwoners de huur zien stijgen tot ver boven hun budget. Hiphop lijkt in zijn geboorteplaats dan ook niet (meer) te streven naar een collectieve oplossing voor sociaal-economische problemen, maar wel naar de individuele emancipatie van wie erin moet opgroeien.

In dat opzicht lijkt de hoop van de Civil Rights Movement een verloren ideaal. Ook Obama’s Change-credo is uitgehold door de praktijk van zijn beleid. ‘Mensen zijn moe, ze geloven niet meer dat het iets uithaalt, en hun eigen leven is al moeilijk genoeg’, vat Rokafella samen. ‘De sociale uitsluiting begint al vroeg: in het onderwijs.’ Binnen die condities blijft hiphop volgens Kwikstep een krachtige vorm van persoonlijk verzet. ‘Ik zie hiphop als een geschenk van het getto voor het getto, om het getto te overstijgen. De media dicteren ons wie we zijn, wie we moeten blijven en wie we nooit kunnen worden. Hiphop daarentegen moedigt aan om, tegen alle verwachtingen in, je kansen te grijpen: yo, check this out!’

Zo werken Kwikstep en Rokafella als mentors voor jonge hiphoppers. Organisaties als hun Full Circle Productions of de Pepatian Bronx Hip-Hop Academy geven de helende inspiraties van hiphop door aan nieuwe generaties. Waar het onderwijs faalt, wordt hiphop een alternatieve opleiding, peer-to-peer, om zich te bevrijden van de beperkingen van de eigen klasse. In een multidisciplinaire cultuur als hiphop vallen er heel wat vaardigheden te leren: graffiti geeft inzicht in graphic design, als MC-er leer je spreken voor een publiek, voor breakdance ontwikkel je een trainingsschema.

Op sociaal vlak vormt de crew een leerschool in teamwork, organisatie en leiderschap, en de confrontatie met concurrenten leert je omgaan met tegenstand en verlies. Maar bovenal kom je in hiphop jezelf tegen. ‘Je stoot op je grenzen, gaat op je bek of verrekt je spieren,’ beschrijft Kwikstep, ‘maar je blijft doorgaan, want je wil goed worden.’ Wie de zelfdiscipline kan opbrengen om te leren breaken, kan elk obstakel aan. ‘If you can spin on your head, you can finish school’, moedihttp://www.rektoverso.be/gt Kwikstep zijn studenten aan.

En als je ook de zelfkennis ontwikkelt om de moves te integreren in je eigen waarachtige stijl, heb je alles in handen om je leven zelf vorm te geven. ‘Als mentor kan ik het je verzekeren: zonder hiphop waren vele kids er niet meer’, getuigt Kwikstep. ‘Mochten fans van commerciële hiphop begrijpen wat hiphop ‘ondergronds’ doet voor al die jongeren, kregen ze misschien meer aandacht voor wat zich onder hun neus afspeelt.’

Natuurlijk worden vele jongeren tot hiphop aangetrokken door de bling-bling en het uiterlijke vertoon dat ze kennen van op tv. ‘Dat is eigen aan de leeftijd’, vindt Rokafella. Tegelijk probeert ze haar pupillen te inspireren met voorbeelden die dichter bij de realiteit staan, en hen te leren dat de vervulling van dromen vooral hard werk vereist. Ze geeft hen als huiswerk ook internetreferenties mee, die leiden naar de wortels en de ziel van hiphop. Want, zo vat Kwikstep het treffend samen: ‘It’s not about the moves, it’s about the movement of a people.’


Kristin Rogghe studeerde wijsbegeerte (KULeuven) en transmedia (Sint-Lukas Brussel). Film, beeldende kunst en podiumkunsten vormen haar biotoop, werkveld en onderzoeksdomein.

Dit artikel verscheen eerder in het magazine rekto:verso

http://www.kifkif.be/cult/hiphop-in-gemeenschap-back-to-the-bronx