Knock: Kluchtachtige mutaties

17-10-2017 | Tobias Burms

Knocks gedaanteverwisseling lijkt het resultaat van een Macroniaanse PR-strategie, een slinks manoeuvre dat een schurk tot een bruggenbouwer verheft, tot een nieuwe koning Solomon.

Knock is de adaptie van het gelijknamig toneelstuk dat reeds tweemaal verfilmd werd (eerst in 1933, daarna in 1951 / https://vimeo.com/82205664), telkens met Louis Jouvet in de hoofdrol. De film volgt de premisse van het bronmateriaal – behoudens een tijdssprong van de jaren ’20 naar de jaren ’50 –waar een charlatan genaamd dr. Knock de inwoners van een kerngezond Alpendorpje allerlei kwaaltjes aanpraat en een collectieve hypochondrie uitlokt om zijn kas te spijzen. In deze nieuwe versie mag Omar Sy de rol van de opportunistische arts op zich nemen.

Je zou Knock zonder schroom een Omar Sy vehikel kunnen noemen, een film die volledig op de star power van zijn vedette leunt. De Mauritiaans-Senegalese Fransman lijkt daarom als eerste niet-blanke acteur door te dringen tot het pantheon van volkskomedie legendes, in de aanwezigheid van namen als Louis de Funès, Raimu, Fernandel, Coluche en Bourvil. Andere komieken van vreemde origine zoals Eric & Ramzy bedienen toch eerder een nichepubliek, de getalenteerde Samy Naceri (Daniel uit de Taxi reeks) wist zijn carrière dan weer nooit echt uitbouwen omdat zijn opvliegend temperament hem meermaals achter de tralies deed belanden.

Opvallend is hoe Sy’s zwarte huidskleur in de film nooit ter sprake komt. Wanneer dr. Knock pas in het homogene dorpje arriveert, lijkt één van de bewoners er voorzichtig naar te willen verwijzen, maar eensklaps slikt ze haar opmerking weer in. De filmmakers moedigen de kijker aan hetzelfde te doen en leggen de focus op de andere kwaliteiten van Sy’s persona. Louis Jouvet speelde dr. Knock nog als een verrukkelijk chagrijn, maar Sy geeft een geheel andere invulling aan het personage met een acteerprestatie die de klungelachtige charme van Fernandel oproept. Net als de Provençaalse grimassenmaker toont Sy hoe de harlekijn niet tot een knechtenbestaan verdoemd is, maar mits enig vernuft kan uitgroeien tot een autoriteitsfiguur. Met een permanent ontblote glimlach maakt hij een aandoenlijke, haast sukkelachtige indruk, maar van zodra hij de dorpsbewoners enigszins op hun gemak heeft gesteld, straalt hij een plotse strengheid uit en met zijn grote gestalte weet hij zelfs te intimideren. Op de rest van de rolbezetting valt weinig aan te merken: regisseuse Lorraine Lévy koos voor een solide cast met veterane Sabine Azéma en enkele acteurs van de Académie Française. De kleindochter van Annie Giradot overtuigt minder met haar hysterische trekjes, maar een beetje nepotisme is de Franse acteursgilde natuurlijk niet vreemd. In een land waar zelfs Léa Seydoux een ster kan worden, kijk ik nergens meer van op.

Om dit nieuwe élan van galspuwerij verder te zetten, kan ik tot de orde van de dag overgaan en besluiten dat Knock een behoorlijke miskleun is. Het kan kwaadwillig lijken om deze conclusie tot de vierde alinea uit te stellen, maar wanstaltige cinema brengt het slechtste in mij naar boven. Ik hoop het vertrouwen van de lezer terug te winnen met een degelijk gestructureerd betoog waar ik verdere frivoliteiten achterwege laat.

Macroniaanse PR-strategie

Een eerste pijnpunt betreft de homeopathische verdunning van dr. Knocks charlatanisme. In de versie van 1951 wordt de kijker haast als medesamenzweerder betrokken in Knocks oplichterij. Zijn kwakzalverpraatjes en ongegeneerd streven naar geldgewin roepen aanvankelijk misschien ongemak op, maar gaandeweg begint de kijker toch leedvermaak te voelen met de stuitende naïviteit van de dorpelingen. Dit mechanisme is eigen aan de amorele klucht: een comédie d’éscroc creëert een moreel vlakke ruimte, een lineair universum waar archetypische personages om wie je geen moer geeft met elkaar verbonden zijn door de conventies van het hoffelijkheidsspel en een overtreding van deze regels (bedrog, oplichting) de welkome kink in de kabel vormt. De kijker haalt zijn plezier uit de uitbeelding van deze verstoring en zo kan hij op onschuldige wijze fantaseren van een uitspatting die hij zelf nooit zou durven begaan. De rudimentaire karakterisering van de personages maakt medeleven met de gedupeerden nagenoeg onmogelijk. Het lineair universum kent geen diepte (karakteruitwerking) en ook geen hoogte (opflakkeringen van emotie).

De logische rechtlijnigheid van het origineel is in de nieuwe versie vaagweg behouden, maar in het traject zijn er enkele morele molshopen verschenen. De zwendel blijft de leidraad vormen en bij een confrontatie geeft dr. Knock uitdrukkelijk aan zonder scrupules te handelen. Van een louteringsproces of boetedoening is er nergens sprake. De louche praktijken verdwijnen gewoon wat naar de achtergrond en moeten plaatsmaken voor het opzichtig hengelen naar sympathie, door middel van enkele misplaatste scènes die dr. Knock een martelarenstatuut willen toekennen: een laffe, afgunstige pastoor probeert onze held steeds te dwarsbomen en de dorpssloerie beschuldigt Knock zelfs van aanranding. Dit creëert een ongemakkelijke tweespalt: een pathetische ontknopingscène in een kerk lijkt een zaligverklaring, maar Knocks vele wandaden blijven onbenoemd. Ik weet niet of er een eed van Hippocrates bestaat voor cineasten, maar zo ja, dan heeft Lorraine Levy hem met de voeten getreden. Als beeldchirurg ging ze onachtzaam te werk door het materiaal van verschillende organismen aan te tappen, zonder na te denken over hun genetische comptabiliteit. Voor haar film, een losgeslagen monster van Frankenstein, gebruikte ze de contouren van het origineel, maar vulde ze vitale organen met hedendaags slachtafval.   

Het onverbloemd sentimenteel happy end waar de dorpelingen de afvallige dokter in hun armen sluiten, staat in schril contrast met het oorspronkelijke einde: een wrang-ironische climax waar de dorpsbewoners Knock blijven steunen, niet uit idealisme of uit naastenliefde, maar simpelweg omdat ze geïndoctrineerd zijn door zalvende praatjes. In die zin was de oude versie een simplistische doch doeltreffende satire van de bourgeoisie: bij zijn aankomst doet Knock beroep op de burgerzin van de dorpelingen en flatteert hij zogenaamde hoekstenen van de gemeenschap (de leerkracht, de apotheker, de postbode). Wanneer hij zichzelf heeft kunnen opwerken tot steunpillaar, is de goegemeente verblind door zijn status als monsieur le docteur om nog gevoelig te kunnen zijn voor incriminerende feiten. Deze remake is echter geen satire, maar juist een verheerlijking van de bourgeoisie-bis, een nieuwe klassenmaatschappij waar het belang van titels heeft plaatsgemaakt voor het effect van personal branding. Het meest doeltreffende instrument van deze nieuwe garde is het wapen van de traan, een sentimenteel snotterbetoog dat alle rede doet vervagen. Knocks gedaanteverwisseling lijkt het resultaat van een Macroniaanse PR-strategie, een slinks manoeuvre dat een schurk tot een bruggenbouwer verheft, tot een nieuwe koning Solomon. Wie maalt er om deontologische blunders van iemand die een pup verzorgt, zich wel eens aan een walsje waagt en zijn geliefde een sjaal koopt?

Geen pleidooi voor archaïsche beeldvoering

Tot overmaat van ramp is de film niet alleen moreel, maar ook esthetisch verward. De oude versie was een verfilmd theaterstuk in de Pagnoliaanse traditie, met veel lange takes en weinig afwisseling in shots. Hierdoor leken Knocks normoverschrijdingen extra insisterend, elke onafgebroken take voelde als een aanslag op het heersend mores. De film ondernam zelfs stijlingrepen om dit gevoel van onbehagen te versterken: wanneer Knock in de oorspronkelijke versie pas in het dorp aankomt, wachten de voormalige arts en zijn vrouw hem op. Ze begeleiden hem met de wagen naar de dorpskern, maar na een autopanne moet het drietal eventjes schuilen in een nabijgelegen schuur. Tijdens dit moment van complete inertie (in een onderbelichte, wat lugubere setting) wordt voor het eerst duidelijk dat Knock een rare snuiter is. Hij schendt het ritueel beleefdheden uitwisselen en vraagt naar het deviant gedrag van de dorpelingen: zijn er veel opiumverslaafden? Wordt de sodomie gretig bedreven? Het burgerlijk koppel staat met de mond vol tanden. Knocks letterlijke woorden zijn in de remake behouden, maar Lévy ging er met de hakbijl door en verbrokkelde de monoloog over verschillende scènes / locaties. De autorit verloopt vlotjes zonder panne (er komt zelfs een wielerpeloton voorbijgeraasd) en wanneer Knock aangekomen in de dokterspraktijk de monoloog verderzet, loopt hij ondertussen druk de trappen op en af. Het lijkt alsof Lévy het geheel wat sprankelender wou maken, uit vrees dat millenial kijkertjes zouden afhaken bij een statische toneelverfilming. Maar andermaal werkt Lévy’s ingrijpen ontwrichtend: in een wirwar van shot-tegenshot verliezen de woorden hun kracht en gaan ze onopgemerkt voorbij, alsof Knock maar wat over koetjes en kalfjes zit te leuteren. Of misschien beschouwt de post-Mei 68 generatie – die van grofheid een deugd maakte – het in een formele context vermelden van sodomie en opiaten niet eens meer als een transgressie.

Zijn bronmateriaal onteren is één ding, maar met een schabouwelijke scène van een aanstormende trein lijkt Knock er tevens op gebrand om de hele Franse filmgeschiedenis retroactief uit te wissen. En waar kan de beeldenstorm beter beginnen dan bij het oeuvre van de gebroeders Lumière? L'Arrivée d'un train en gare de La Ciotat (1895) heeft immers een maatstaf gecreëerd betreffende treinsequenties. Zoals Thierry Frémaux dit jaar op Cinema Ritrovato in Bologna nog aanhaalde, verraadt het camerastandpunt en de compositie in die film reeds een onmiskenbaar cinematografisch talent bij de filmpionier-broers. Daarom bestaat er sindsdien een soort ongeschreven regel in de Franse filmindustrie: wie louter wil laten zien hoe een trein in een onbeduidend station arriveert, wijkt niet af van de klassieke Lumière compositie. Toen de Japanse regisseur Kiyoshi Kurosawa zijn eerste Franse productie Le Secret de la chambre noire (2016) opende met een gelijkaardig shot, was dit meer dan een respectvolle hommage aan zijn gastland, maar een bewijs van Kurosawa’s cultureel-historische sensibiliteit. Ook in de oorspronkelijk versie van Knock was de aankomst van de dokter op het perron op dezelfde manier vormgegeven. Hoe doet Lorraine Lévy het in de remake? Met een maalstroom van ergerlijke trucjes: ze wisselt af tussen scherpe en onscherpe beelden, doorspekt het geheel met een zijwaartse, Instagram-achtige weerspiegeling in het treinraampje en eindigt met een compleet nietszeggend shot van Sy’s achterhoofd.

Verwar het bovenstaande niet met een pleidooi voor archaïsche beeldvoering. Wim Wenders liet vorig jaar met Les Beaux Jours d’Aranjuez nog zien dat je ook een toneelmatige film gerust modern en dynamisch kunt vormgeven. Knock staat dan ook niet voor de vernieuwing, maar is een typevoorbeeld van wat doemdenker Serge Daney post-publicitaire cinema noemde: een filmkunst die niet meer draait om het ontdekken van nieuwe ervaringen, maar alle visuele clichés op een hoop gooit. Daney schreef de tekst naar aanleiding van de diepzeeduikerssaga Le Grand Bleu, een film die volgens hem de oceaan niet weergaf als een woelige plek vol avontuur, maar als een steriel reclameconcept.

De scène in het begin van de film waar dr. Knock op een cruiseschip verzeild geraakt, kan ik dan ook enkel interpreteren als een bewuste provocatie van Lorraine Lévy jegens Daney. Op het audiovisueel patrimonium spuwen was nog niet erg genoeg, ook de nagedachtenis van Frankrijks laatste grote filmcriticus moet er nog eens aan geloven. Knock begeeft zich naar de balustrade en we krijgen een generiek panorama van de Middellandse Zee te zien. Vervolgens ‘matcht’ Lévy de helblauwe kleur aan de vest van een Kapitein Iglo-achtige zeeman en een pakje Gauloises bleues.

Knock, een film van Lorraine Lévy, vanaf 18.10 in de bioscoop.

http://www.kifkif.be/cult/knock-kluchtachtige-mutaties