De discursieve kracht van het begrip ‘allochtoon’
Het begrip ‘allochtoon’ wordt met andere woorden zodanig geconstrueerd dat het etnische minderheden per definitie van de Vlaamse cultuur uitsluit. De term moet dus gezien worden binnen een culturalistisch verhaal van nationale verbeelding. De voorbije decennia hebben etnische minderheden verschillende namen gekregen. Gaande van ‘gastarbeider’ en ‘vreemdeling’ in de jaren 60 en 70, ‘migrant’ in de jaren 80, tot het meer recente ‘allochtoon’ vanaf de jaren 90. De centrale stelling in dit essay is dat deze begrippen telkens de symbolische uitingen zijn van een bepaald politiek-ideologisch paradigma. De momenteel dominante term ‘allochtoon’ weerspiegelt een culturalistisch verhaal dat ideologisch om verschillende redenen problematisch is. In dit essay overlopen we eerst de verschillende fasen in het discours over etnische minderheden. Vervolgens wordt er een voorzichtige poging ondernomen tot het formuleren van een nieuw vocabularium dat door links gebruikt kan worden.
Robert Vuistje, Alleen maar nette mensen, 2008.[1] Deze analyse is eerder verschenen op: http://poliargus.be/beta/ De voorbije decennia hebben etnische minderheden verschillende namen gekregen. Gaande van ‘gastarbeider’ en ‘vreemdeling’ in de jaren 60 en 70, ‘migrant’ in de jaren 80, tot het meer recente ‘allochtoon’ vanaf de jaren 90. De centrale stelling in dit essay is dat deze begrippen telkens de symbolische uitingen zijn van een bepaald politiek-ideologisch paradigma. De momenteel dominante term ‘allochtoon’ weerspiegelt een culturalistisch verhaal dat ideologisch om verschillende redenen problematisch is. In dit essay overlopen we eerst de verschillende fasen in het discours over etnische minderheden. Vervolgens wordt er een voorzichtige poging ondernomen tot het formuleren van een nieuw vocabularium dat door links gebruikt kan worden. De populariteit van de deze begrippen wordt in dit essay geïllustreerd aan de hand van de titels van boeken en dissertaties in de UGent-bibliografie (figuur 1). De assumptie hierbij is dat het gebruik van een specifiek begrip voor etnisch minderheden in een titel, de discursieve dominantie van dat begrip in de maatschappij weerspiegelt. Deze methode is uiteraard niet perfect en zou uitgebreid moeten worden naar een analyse van de titels van kranten, weekbladen, blogberichten… Niettemin ben ik er van overtuigd dat de resultaten van een meer uitgebreide analyse niet erg sterk zouden afwijken van onderstaande figuur. Enerzijds zouden de trends zich vroeger manifesteren, aangezien wetenschappelijk onderzoek steeds wat op het maatschappelijke debat achterloopt. Anderzijds zou de populariteit van het begrip ‘vreemdelingen’ vanaf de jaren 80 meer afzwakken. De blijvende populariteit van dit begrip in de academische bibliografie wordt echter veroorzaakt door het juridische gebruik ervan in de Rechtsgeleerdheid. De ‘gastarbeider’ en ‘vreemdeling’ in het economische verhaal Figuur 1. Aantal boeken en dissertaties in de UGent-bibliografie met in de titel begrippen die verwijzen naar etnische minderheden De ‘migrant’ in het demografische verhaal De ‘allochtoon’ in het culturalistische verhaal Een belangrijk onderscheid moet eerst gemaakt worden tussen ‘allochtoon’ als een officieel of wetenschappelijk begrip enerzijds en ‘allochtoon’ als een populair en algemeen label anderzijds.[5] In het eerste geval wordt een ‘allochtoon’ gedefinieerd als ‘een persoon die achtergesteld is omwille van zijn afkomst of herkomst’. De achtergestelde status is hier dus het belangrijkste criterium ter afbakening. In het tweede geval wordt een ‘allochtoon’ gedefinieerd als ‘van vreemde afkomst’. Vreemd betekent hier echter niet ‘buiten België’, maar wordt beperkt tot ‘buiten West-Europa’ en zelfs tot een bepaald deel van de ontwikkelingslanden. Het criterium hier is dus afkomst, bepaald door het eigen geboorteland of dat van de ouders of grootouders. Op die manier kan men ook de ‘tweede generatie’ en ‘derde generatie’ etnische minderheden als ‘allochtonen’ labelen.[6] De hamvraag is nu wat precies bepaalt of iemand ‘van vreemde afkomst’ is of niet. Chinezen en Amerikanen worden immers in het populaire taalgebruik maar zelden als ‘allochtonen’ beschouwd. Het label ‘van vreemde afkomst’ is dus iets arbitrair. Het antwoord vindt men in het culturalisme. Culturalisme is een nieuwe vorm van racisme waarbij mensen niet langer geclassificeerd worden in functie van ras of huidskleur, maar in culturele termen.[7] ‘Van vreemde afkomst’ betekent in deze context dus het niet hebben van de ‘Vlaamse cultuur’, wat dit ook mag betekenen. Het begrip ‘allochtoon’ kan bijgevolg niet los gezien worden van hoe Vlaanderen over zichzelf wil denken. Het begrip kadert binnen de constructie van een Vlaamse identiteit en wat de ‘allochtoon’ ook doet of denkt, hij/zij zal altijd als de radicaal andere van deze identiteit beschouwd worden. Het begrip ‘allochtoon’ wordt met andere woorden zodanig geconstrueerd dat het etnische minderheden per definitie van de Vlaamse cultuur uitsluit. De term moet dus gezien worden binnen een culturalistisch verhaal van nationale verbeelding. Het begrip ‘allochtoon’ in de populaire betekenis van het woord heeft bovendien een negatieve connotatie om twee redenen. Ten eerste omdat het gedefinieerd wordt in culturele termen, waarbij de ‘allochtoon’ de radicale andere is van de goede ‘Vlaming’. Maar ten tweede ook omdat een ‘allochtoon’ in de officiële en wetenschappelijke betekenis van het woord gedefinieerd wordt in termen van achterstelling. Vaak goedbedoelde beleidsacties of onderzoeksdoelstellingen leiden er op die manier toe dat ‘allochtonen’ negatief in het nieuws komen in termen van werkloosheid, schoolmoeheid, kansarmoede, criminaliteit… Deze negatieve betekeniscluster leidt op zijn beurt tot verdere discriminatie en achterstelling. Vandaar de discursieve kracht van het begrip ‘allochtoon’. Achter het begrip ‘allochtoon’ zit dus een politiek-ideologisch paradigma, het culturalisme, dat omwille van verschillende redenen problematisch is.[9] Ten eerste wordt een bepaalde cultuur volgens het culturalisme herleid tot een bepaalde essentie. Zowel de ‘Vlaamse’ als ‘allochtone’ cultuur kunnen dan gevat worden door een aantal dominante waarden en gedragspatronen. Alle verschillen binnen een cultuur worden hierbij onder de mat geveegd. De essentialistische cultuur wordt bovendien als iets statisch beschouwd. ‘Allochtonen’ kunnen in dit discours bijvoorbeeld perfect de ‘eigen’ cultuur behouden over verschillende generaties heen. Cultuur wordt hierdoor niet langer gezien als een sociale constructie. Ten tweede is er sprake van wat Schinkel ‘productieve eenzijdigheden’ noemt: voor het beoordelen van de verschillende culturen worden er twee maten en twee gewichten gebruikt, waarbij de ‘eigen’ cultuur er uiteraard steeds beter uitkomt. Een goed voorbeeld hiervan is religie. Volgens het dominante discours is Vlaanderen een geseculariseerd land met een strikte scheiding tussen Kerk en staat. Hiertegenover staat dan de ‘allochtone’ cultuur waar de islam nog steeds de scepter zwaait. Hierbij vergeet men blijkbaar dat de officiële godsdiensten in België nog steeds gesubsidieerd worden door de staat, dat de grootste politieke formatie in Vlaanderen een christelijke partij is, en dat het katholieke onderwijsnet ook door de overheid gefinancierd wordt. Maar wanneer er islamitische scholen opgericht worden, dan is dit volgens het dominante discours een uitdrukking van islamfanatisme. Ten derde beschouwt het culturalisme de essentialistische cultuur als dé ultieme verklaring voor alles. Verschillen in criminaliteit, onderwijsprestaties, het gebruik van scanners in ziekenhuizen… alles wordt verklaard vanuit cultuur. Cultuur is op die manier niet langer een beschrijvend instrument, maar een politiek-ideologisch concept. Er zijn inderdaad culturele verschillen en deze bestuderen kan bijdragen tot een beter inzicht in een bepaald probleem. Maar ze als ultieme verklaring voor alles beschouwen doet de waarheid geweld aan. Ten slotte leidt de uitdrukkelijke focus op cultuur de aandacht af van onderliggende structuren. Cultuur is een gegeven dat dagdagelijks geconstrueerd wordt door mensen, instellingen en structuren. Hierdoor is een bepaalde ‘cultuur’ eigenlijk het resultaat van onderliggende machtsstructuren. Door het echter constant over cultuur aan de oppervlakte te hebben, worden deze structuren niet langer kritisch bevraagd. Sociale ongelijkheden, de opbouw van onze samenleving, politieke tegenstellingen… worden hierdoor verdoezeld. Dat laatste blijkt ondermeer uit de linkse recuperatie van het culturalistische verhaal (zie later). Dispensatie van etniciteit? Er zijn minstens drie argumenten waarom we beter een specifieke term voor etnische minderheden hebben. Ten eerste gaat etniciteit deels ook over identiteit en geschiedenis. Iedereen heeft recht op de erkenning van zijn/haar identiteit. Vandaar dat een specifieke term voor etnische minderheden moet kunnen. Belangrijke voorwaarden hierbij zijn evenwel dat dit begrip geen negatieve connotatie heeft, dat het niet per definitie een andere (lees: Vlaamse) identiteit uitsluit, en dat iedereen de macht heeft om zelf zijn/haar identiteit of geschiedenis te construeren. Een tweede argument contra het afschaffen van een specifiek begrip voor etnische minderheden is dat het een ondermijning zou vormen van een structureel doelgroepenbeleid.[10] Wanneer etnische minderheden discursief onzichtbaar zouden worden, dan wordt het erg moeilijk om er een beleid op af te stemmen. Om een goed beleid te kunnen voeren moet men in groepen durven denken en niet in liberale termen van individuele burgers. Ten slotte is het belangrijk om nog steeds in termen van etniciteit te durven denken teneinde racisme en discriminatie te kunnen detecteren. Naar een tweeledig discours Gezien bovenstaande analyse pleit ik ervoor dat links een tweeledig discours hanteert. Op structureel vlak een discours waar etnische minderheden beschouwd worden als sociaal-economische lotgenoten. In het structurele discours wordt er dus dispensatie van etniciteit verleend. Er wordt niet langer meer gesproken van ‘allochtonen’ of ‘immigranten’, maar van ‘arbeiders’, ‘bedienden’ of ‘werklozen’. Op cultureel vlak verdedig ik dan weer een discours waar mensen meerdere identiteiten tegelijk kunnen hebben. In lijn met ‘Afro-Americans’ spreken we dan van ‘Marokkaanse-Vlamingen’ of ‘Turkse-Gentenaars’. In het culturele discours erkennen we dus de geschiedenis en de identiteit van etnische minderheden, zonder ze per definitie uit de nationale beeldvorming uit te sluiten. Bovendien zal een doelgroepenbeleid op die manier meer accuraat te werk kunnen gaan, doordat de etnische minderheden ditmaal niet allemaal op één hoop gesmeten worden onder de containerterm ‘allochtonen’. Impliceert dit culturele discours dat ook links het over de Vlaamse cultuur moet hebben? Ja. De strijd met rechts rond cultuur en identiteit moet immers dringend aangegaan worden.[14] Hierbij moet er gestreefd worden naar een Vlaamse/Belgische cultuurconstructie die insluit in plaats van uitsluit. Met andere woorden, een cultuur waarin mensen met een andere afkomst ook een plaats hebben. Door de geschiedenis heen hebben etnische minderheden in België achtereenvolgens in een economisch, demografisch, en cultureel verhaal gefigureerd. Met bovenstaand tweeledig discours kan de cirkel echter rondgemaakt worden. Tegelijkertijd gaan we terug naar een (ditmaal links) economisch discours, zonder het (ditmaal inclusieve) culturele verhaal te verwaarlozen.
Noten: [1] Vuistje, R. (2008). Alleen maar nette mensen. Nijgh & Van Ditmar.
|











