KIF KIF | Over Kif Kif KIF KIF | Actua KIF KIF | Cult KIF KIF | TV KIF KIF | Jobs
  print
[Over Etienne Vermeersch en de hoofddoek V] Pacificatie

Het mag verbazing wekken dat een filosoof als Vermeersch niet in staat blijkt op een degelijke manier het hoofddoekendebat in de Belgische, Europese en mondiale maatschappelijke context te situeren.

05-07-2010 | Eric Hulsens
Hoe komt het dat er een hoofddoekprobleem is in België? Dat komt door de islamieten. Alles ging juist zo goed in dit land, want in “de tweede helft van de vorige eeuw is er een seculariseringsproces op gang gekomen, waarbij de tegenstelling gelovig-vrijzinnig langzamerhand uit het openbare leven verdween. De ontkerkelijking heeft zich snel doorgezet en het gezag van de katholieke hiërarchie ebt weg. (…) In de alledaagse contacten (…), en zeker in het beroepsleven confronteert men anderen niet ongevraagd met de eigen wereldbeschouwelijke inzichten (…) Deze vorm van pacificatie door secularisering is een waardevolle verworvenheid.” (Vermeersch p. 12)

Hoe komt het dat er een hoofddoekprobleem is in België? Dat komt door de islamieten. Alles ging juist zo goed in dit  land, want in “de tweede helft van de vorige eeuw is er een seculariseringsproces op gang gekomen, waarbij de tegenstelling gelovig-vrijzinnig langzamerhand uit het openbare leven verdween. De ontkerkelijking heeft zich snel doorgezet en het gezag van de katholieke hiërarchie ebt weg. (…) In de alledaagse contacten (…), en zeker in het beroepsleven confronteert men anderen niet ongevraagd met de eigen wereldbeschouwelijke inzichten (…) Deze vorm van pacificatie door secularisering is een waardevolle verworvenheid.” (Vermeersch p. 12)

Ik probeer dit te begrijpen: door de ontkerkelijking heeft de katholieke kerk veel van haar maatschappelijk gewicht verloren, is de godsdienst in het algemeen achteruitgegaan, wat secularisering genoemd wordt, en is de samenleving vreedzamer geworden, want de tegenstelling tussen gelovigen en vrijzinnigen speelt niet meer zo’n grote rol. Eigenlijk is de pacificatie dus het resultaat van het feit dat de vrijzinnigheid aan de winnende hand is, en het katholicisme  slap in de touwen hangt.

Maar dan komen de moslims: “De eerste generatie van moslimmigranten heeft die secularisering niet in het gedrang gebracht: ze bleven hun godsdienst trouw zonder dat op een overtrokken wijze te manifesteren. Vrouwen die werkten droegen meestal een licht hoofddoekje, zoals ze dat in hun eigen streek gewoon waren. Niemand had daar enig probleem mee. De meeste meisjes die studeerden droegen helemaal geen hoofddoek.”  (p. 12)  Raadselachtig vind ik de uitdrukking “overtrokken”. Wanneer is het manifesteren van je godsdienst “overtrokken”? En wie bepaalt dat? Een “licht hoofddoekje” is niet overtrokken? Een minder licht wel? Waar ligt de grens, en wie is de grensrechter?

Nu ja, het ging nog goed, in het begin. Maar dan! “Onder druk van de fundamentalistische beweging (Iran, moslimbroeders, salafisten…) is er sinds de jaren ’80, mede gestimuleerd door de gebeurtenissen op het internationale vlak (zoals 9/11) een sterkere affirmatie van het moslim-zijn ontstaan, waardoor ook de conflictstof (…) pas echt op de voorgrond kwam. Deze wereldwijde beweging is bij ons via het godsdienstonderwijs en onder invloed van bepaalde imams, in de scholen en moskeeën doorgedrongen. Dat heeft zijn eerste manifeste uiting gekend in de opkomst van de al Amira hidjab. De autochtone bevolking is zich hiervan pas bewust geworden door de verspreiding ervan bij meer en meer ambtenaren en bij een toenemend aantal (grotendeels) minderjarige scholieren. Degenen die het probleem aan een anti-islam reactie van autochtonen wijten, zetten, allicht onnadenkend, de zaken op hun kop.” (p.13)

Dat het in België als ongepast zou gelden je te kleden volgens je religieuze traditie is natuurlijk onzin. In Antwerpen bijvoorbeeld is er een Joodse gemeenschap met groepen die vasthouden  aan traditionele klederdracht en voorkomen, en in het straatbeeld meteen te onderscheiden zijn van andere soorten bevolking. Niemand die die Joden het recht betwist om in hun uiterlijk voor hun godsdienst uit te komen. Daarnaast heb je bijvoorbeeld ook de hare krishna’s die vaak op een opvallende manier in de publieke ruimte te zien zijn. Het is niet in te zien waarom moslims zou ontzegd zijn wat Joden en hare krishna’s terecht ongehinderd doen. En het is dus vanzelfsprekend dat ook zij zich kleden volgens hun religieuze overtuiging en traditie, als ze daar behoefte aan hebben.

Dat laatste is niet naar de zin van Vermeersch: “het publiek opdringen van markante godsdienstige symbolen, in een maatschappij die daarvan afscheid had genomen, is de eigenlijke bron van het conflict, niet een plotse reactie van onverdraagzaamheid of  ‘islamofobie’.” (p.13)  Het is in België grotendeels zo ver dat godsdienstige symbolen uit de staatsinstellingen geweerd zijn – geen kruisbeeld in de rechtszaal, of in de klassen van het onderwijs dat door de staat wordt ingericht  – maar dat geldt natuurlijk niet voor de publieke ruimte, voor straten en pleinen. Daar is ook nooit afscheid genomen van “markante godsdienstige symbolen”.  Er is een radicale onverdraagzaamheid en een rabiaat soort vrijzinnigheid voor nodig om de zaken te formuleren zoals Vermeersch dat doet. 

En ja, ook islamofobie natuurlijk. Net nadat de filosoof gezegd heeft dat het allemaal niets met islamofobie te maken heeft, vervolgt hij: “Veel tegenstanders van het hoofddoekenverbod staren zich blind op de Belgische situatie en hebben geen enkel besef van het wereldwijde karakter van deze beweging. Ze denken dat de moslims nog niet de tijd gehad hebben om zich aan onze cultuur aan te passen, terwijl zich in feite een gerichte tegenbeweging tegen dit soort aanpassing heeft ontwikkeld. Ziet men dan werkelijk niet wat er aan de hand is in Algerije, Soedan, Egypte, Kasjmir, Turkije, Pakistan, Afghanistan, Maleisië, Nigeria en zoveel andere landen? In het Verenigd Koninkrijk, dat sommigen tot voorbeeld dient, moet men nu de ene toegeving na de andere doen: daar zijn de niqab en de burqa aan de opmars begonnen; betogingen voor de moord op Salman Rushdie konden ongestoord doorgang vinden en sharia rechtbanken functioneren reeds in vele wijken.” (p. 14) Geen islamofobie, dit fantasma van een wereldwijde beweging die oprukt en die met moordlust “onze” cultuur bedreigt? Geen islamofobie, dit amalgaam van een traditionele klederdracht met doodsbedreigingen en moord en met een onschuldige rechtspraktijk – want het woord sharia is door de media gereduceerd tot een cru strafrecht, terwijl het bij die shariarechtbanken in Engeland gaat om familierecht, en niet om strafrecht.

De twee overbekende denkfouten die hier geëtaleerd worden, zijn duidelijk: de verkeerde veralgemening (wat bij een zo diverse godsdienst als de islam uiterst karikaturaal wordt),  en de foutieve tweedeling: ónze cultuur tegenover die van de anderen (dat kunnen dus alleen maar de buitenlanders zijn). Maar over ónze cultuur (in de zin van Vermeersch: de traditionele autochtone cultuur) bestaat er geen consensus. Je zou kunnen zeggen dat een in de grondwet verankerd principe zoals de vrijheid van godsdienst een gemeenschappelijk punt vormt, maar als je dan ziet hoe iemand als Vermeersch zich inspant om die voor de moslims in te perken, dan moeten we ook die illusie laten varen.
Verder propageert Vermeersch vlijtig mee de complottheorie die in allerlei publicaties woekert, het idee dat dé islam op slinkse wijze een aanslag beraamt op de Westerse democratieën en die wil omvormen tot obscurantistische samenlevingen. (Een club zoals sharia4Belgium, die kwantitatief weinig voorstelt, is goud waard voor de aanhangers van de complottheorie: zie, ze willen de groene vlag op het Koninklijk Paleis! Ze willen de sharia! Als sharia4Belgium niet bestond, het had moeten worden uitgevonden door de verdedigers van ónze cultuur.)

In de fictieve wereld waarin Etienne Vermeersch leeft – die wereld waarin geen Joden met keppeltjes rondlopen en ook geen hare krishna’s met hun oranje gewaden, en waarin een denkbeeldige islamitische internationale de reële veelstemmigheid van het islamitische discours vervangt – is er geen plaats voor het migrantenprobleem.  Het “probleem” van dé islam dient juist om dat aan het gezicht te onttrekken. En dat terwijl in Frankrijk bijvoorbeeld de bekende socioloog Pierre Bourdieu er lang geleden al op wees dat het hoofddoekendebat maar aan de oppervlakte gaat over hoofddeksels, maar in wezen over iets heel anders: “de openlijke vraag – moeten we op scholen al dan niet het dragen van de islamitisch genoemde hoofddoek aanvaarden – verhult de verborgen vraag: moeten we in Frankrijk de immigranten uit Noord-Afrika al dan niet aanvaarden?” (Pierre Bourdieu, Un problème peut en cacher un autre, in: Charlotte Nordmann (red.), Le foulard islamique en questions, Parijs, Éditions Amsterdam, 2004, p. 45-46, p. 45)

Dat het hoofddoekendebat niet uitbrak omdat moslims zich “opvallend” islamitisch gingen gedragen binnen een cultuur zónder opvallende religieuze symbolen, is in Frankrijk ook duidelijk waargenomen: “er was een wet over de hoofddoek voor nodig opdat men zou opmerken dat er sikh-leerlingen waren die een tulband droegen en aalmoezeniers die in soutane kwamen”. (Olivier Roy, La laïcité face à l’islam, Paris, Éditions Stock, 2005, p. 56-57)  Het opvallende wordt duidelijk bepaald door de blik (de vooroordelen) van de toeschouwer.

Historisch gezien gingen xenofobie en racisme vooraf aan het verschijnen van de islam in het Westerse straatbeeld en de Westerse media. Neem een land als Zwitserland – een interessant voorbeeld omdat dat land geen imperialistische of koloniale mogendheid geweest is, en zich recentelijk nog liet opmerken door zijn islamofobe minaretverbod. In dat land werden al na de Eerste Wereldoorlog de immigranten – die nodig waren voor de economie – gezien als een bedreiging voor de autochtone bevolking.  Die werd toen opeens ethnocentrisch gedefinieerd als in het bezit van specifieke Zwitserse waarden, een eigen Zwitserse identiteit, die door de staat moest worden verdedigd. (Gérald en Silvia Arlettaz, La Suisse et les Étrangers: Immigration et formation nationale (1848-1933), Lausanne, Éditions antipodes, 2004, p. 123)  Slachtoffers van dat bastiondenken waren onder meer joodse asielzoekers die in de nazitijd afgewezen werden omdat ze asiel zouden aangevraagd hebben omwille van hun ras, wat toch geen politiek asiel genoemd kon worden, zo was de redenering. Pas in december 1943 werd dat versoepeld. (a.w. 124) Het buitenhouden van joden tijdens WOII en het recente minarettenverbod zijn uitingen van dezelfde ethnocentrische of racistische attitude.

Het mag verbazing wekken dat een filosoof als Vermeersch niet in staat blijkt op een degelijke manier het hoofddoekendebat in de Belgische, Europese en mondiale maatschappelijke context te situeren. Voor alle duidelijkheid zet ik maar eens de principes op een rijtje die tegen de onverdraagzaamheid à la Vermeersch horen geplaatst te worden binnen de Belgische context:

1. De overheidsinstellingen horen in levensbeschouwelijk opzicht neutraal te zijn, dus ook de ruimtes waarin zij functioneren. Maar de publieke ruimte (straten, pleinen, openbaar vervoer enz.) is niet onderworpen aan levensbeschouwelijke neutraliteit. Ook voor de gebruikers van de overheidsinstellingen (leerlingen van scholen, bezoekers van gemeentelijke diensten enz.) geldt geen plicht tot levensbeschouwelijke neutraliteit.
2. De islam maakt deel uit van ónze cultuur, van de Europese zowel als van de Belgische, zowel historisch als actueel. Het is geen vreemd element dat ongeoorloofd binnendringt, maar een factor in het culturele samenspel van de samenleving.
3. Dat er binnen het culturele samenspel conflicten kunnen zijn, is evident, die zijn er trouwens niet alleen rond de islam, maar ook rond andere levensbeschouwingen. De afwijzing van bloedtransfusies door Getuigen van Jehova, van vlees eten door vegetariërs, van niet kosjere gerechten door joden, van alcohol door diverse typen mensen, enz.
4. Een cultuur zonder conflicten is moeilijk voorstelbaar, en ook niet wenselijk. Het gaat erom manieren te hebben of te ontwikkelen om conflicten beheersbaar te houden en er oplossingen voor te vinden. (Het oproepen tot moord op Salman Rushdie of het vermoorden van vertalers van zijn omstreden boek zijn onaanvaardbare excessen, en absoluut te veroordelen, maar het verdedigen van een universeel recht op het beledigen van mensen en godsdiensten is allicht ook excessief?)
5. Dat een godsdienst wereldwijd verspreid is, pleit niet tegen die godsdienst. Ook katholicisme, boeddhisme enz. zijn wijdverspreid, wat geen reden is om ze in België tegen te werken. De godsdienst is te situeren op de vrije markt van de ideeën en levensbeschouwingen, elke godsdienst of levensbeschouwing heeft het recht om zichzelf te promoten en in de publieke ruimte aanwezig te zijn. De vrijzinnigheid dus uiteraard ook. De pacificatie die nodig is, is dat die stromingen elkaar niet naar het leven staan, maar elkaar het recht gunnen zichzelf te promoten. In een land waar het aantal kerktorens per vierkante kilometer zo groot is als in België, is het bovendien onzinnig over het discreet uiting geven aan zijn godsdienst te spreken. Pacificatie veronderstelt hier dat moskeeën een gelijkwaardige positie in de ruimtelijke ordening krijgen.

Want pacificatie is natuurlijk iets anders dan het opleggen van haar wil door een dominante groep of macht aan een zwakkere groep of macht – dat is dwang, of repressie. Pacificatie betekent dat een conflict wordt bijgelegd door de partijen gelijke rechten toe te kennen.

 

Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door:
Sociaal-cultureel werk vgc Federatie Marokkaanse Democratische Organisaties
Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 2.0 Belgium License.