White passing: wanneer privilege botst met identiteit
Sinds mijn zwarte krullen plaats beginnen maken voor grijze lokken, passeer ik in aanzienlijk veel nieuwe contacten voor wit persoon. Dat verandert niet wie ik ben – een vrouw met Marokkaans-Belgische roots – maar wel hoe de wereld op mij reageert. Die verschuiving is onthullend én onthutsend.
Hoe dikwijls ik al te horen heb gekregen dat je ‘het niet ziet’, kan ik niet meer op een hand tellen. Soms met grote verbazing, dan weer gereserveerd of zelfs met een troostende ondertoon. In een enkel geval onderga ik ook de opmerkingen als ‘maar ik zie het wel hoor’ of de ‘ik twijfelde’. Wat ik opmerk wanneer mensen plots door hebben dat ik een ‘migratie-achtergrond’ heb (wat ook een verwarrende uitdrukking kan zijn, gezien mijn biologische Vlaamse kant er geen heeft), is de blik in de ogen die verandert. Ik weet dan dat ik zo goed als zeker gebombardeerd word met een ondervraging over mijn identiteit.
Een van de meest voorkomende eerste opmerkingen is: “Dan ben jij een halfbloed.” Waarop ik standaard antwoord dat halve mensen niet bestaan, enkel hele. Dat ik geen paard ben. Dat ik in het minste geval een hele Marokkaan én een hele Belg ben. En dat je je van een ooievaar ook niet afvraagt waar die écht vandaan komt omdat die zowel in Planckendael als Marrakech een nest heeft.
Ik voel stress om mijn naam te zeggen wanneer ik nieuwe mensen leer kennen, ik noem het introductiestress. Ik kan nooit op voorhand inschatten welke reactie er komt: de vraag of mijn naam ‘echt’ is, iemand die mijn naam enthousiast aan me uitlegt, de opmerking dat ze inderdaad een accent horen (?), instant vragen over de ramadan, over mijn thuissituatie, over hoeveel keer ik naar Marokko ga, waarom ik geen hoofddoek draag… of het ergste: een bedenkelijke starende blik en de sfeer die plots draait. Ik benadruk dat dit zich afspeelt in eerste gesprekken, formele én informele. Een verpleegster onderwierp me ooit aan een hele vragenlijst over inclusie en representatie vlak voor een operatie, nadat ze mijn naam op het papier zag staan. Ik moest ook aanhoren hoe ingewikkeld het was nu haar zus bekeerd was.
Er worden vragen gesteld om me ‘in het juiste vak’ te kunnen steken, ze voelen aan als ‘hoe Marokkaan of Belg is ze nu echt’. Als kind zag ik mezelf als één persoon, maar door de wereld(en) waarin ik opgroeide ben ik dat verleerd.
Liegen over wie je bent omdat het kan
Dit uiterlijk brengt me bergen privileges, zowel gemakkelijke als ongemakkelijke. Ik ben me daar zeer van bewust. Er zijn situaties waar ik mijn wit privilege inzet. Vooral wanneer ik een woonst zoek. Dan noem ik mezelf Bibi en zet er de familienaam van mijn moeder achter. De naam op mijn Uber-account was Habiba, na enkele maanden heb ik dat veranderd. Ik was het beu om bij élke rit toe te lichten waar ik die naam vandaan had. Ik wil zoals iedereen gewoon een rit naar huis. Wanneer ik naar een infolijn bel durf ik ook te liegen, want dan hoef ik me nadien niet af te vragen of ze zo onbeleefd waren (of net overvriendelijk) door mijn naam. Ik ben hypergevoelig aan die situaties. En ik voel me er slecht bij.
Want wat betekent het om gebruik te maken van een privilege dat gebouwd is op uitsluiting? Wat betekent het om mezelf leesbaarder te maken voor een systeem dat een deel van mij niet wil erkennen? Wanneer wordt aanpassen zelfzorg, en wanneer wordt het medeplichtigheid? En is het niet zo dat ik het toeval dat ik er wit uitzie moet gebruiken om het structurele racisme te ontlopen? Of maak ik mezelf dat wijs?
Er lijken geen zuivere antwoorden op die vragen. Alleen context. Omdat ze gesteld moeten worden op het snijvlak van persoonlijke integriteit en structurele ongelijkheid. De keuzes die ik maak zijn strategisch. Het feit dat ik gebruik kan maken van een ‘witte’ perceptie —bijvoorbeeld bij sollicitaties— illustreert hoe structureel deze ongelijkheden zijn. White passing wordt vaak voorgesteld als een individueel voordeel, alsof het iets is wat iemand ‘heeft’. Maar het bestaat alleen binnen een systeem waarin witheid als norm geldt en andere identiteiten daarvan afwijken. Mensen die gemengd zijn met hun beide roots uit Westerse landen, krijgen toch ook niet voortdurend al die vragen?
'White passing' is een term voor mensen van kleur of met een migratieachtergrond die door de samenleving (soms) als wit worden gezien vanwege hun uiterlijk, bijvoorbeeld hun huidskleur of haartextuur.
Afhankelijk van de context behoor ik tot de ‘andere’ groep of tot de ‘eigen’ groep, maar voor mij zijn het geen twee gescheiden groepen. Het is gewoon ik. Ik ben niet zij, ik ben niet wij, én ik ben ze allebei. Ik ervaar racisme wanneer mijn naam zichtbaar is, maar niet wanneer mijn gezicht het gesprek opent. In één en dezelfde interactie neem ik soms twee verschillende posities in, afhankelijk welk deel van mezelf eerst gelezen wordt.
Ik ben het aan beide kanten van mezelf verplicht om me uit te spreken. Zwijgen betekent vaak dat anderen jouw verhaal invullen. Er bestaat een gevoel van verantwoordelijkheid tegenover beide delen van mijn identiteit, zelfs wanneer die maatschappelijk ongelijk gewaardeerd worden.
Dankbaar zijn
Onlangs stond ik bij een Marokkaanse bakker. Ik bestelde een doos koeken, gemengd. De bakkers ogen schitterden en hij vroeg me waar ik zo goed darija heb leren spreken, bij het afrekenen kreeg ik prompt nog een gratis sandwich en extra koeken toegestopt.
Ik maak dit mee in bijna elke Marokkaanse zaak. Overal krijg ik gratis dingen toegestopt omdat ik ‘hun’ taal spreek. Een vorm van erkenning die oprecht voelt, maar tegelijk schuurt. De vanzelfsprekendheid dat je dezelfde taal gebruikt is een vorm van intimiteit tussen mensen, maar nu wordt het iets uitzonderlijk. Ook deze vorm van othering benauwt me. Er zijn winkels waar ik al zo lang kom, dat ik niet meer durf zeggen dat ik net als zij de taal heb meegekregen bij de geboorte. Dat ik eigenlijk niets ‘verdien’. Ik word luidop bewonderd en bejubeld voor mijn (bescheiden) kennis van het darija én het plat Antwerps, zowel door witte mensen als mensen met een migratie-achtergrond, terwijl mensen met een ‘Marokkaanse look’ eerder kritiek krijgen op hun meertaligheid. Wanneer ik naar huis ga in Marokko worden soortgelijke vragen gesteld: waar heb je de taal geleerd, waar kom je vandaan, ben je een expat? En ook daar krijg ik gratis spullen toegestopt.
Othering (een werkwoord op basis van het Engelse other, in het Nederlands is dat zoiets als 'anderen' of 'tot 'de Ander' maken') is het definiëren en verzekeren van iemands eigen identiteit en positie door het distantiëren van een Ander, vaak op basis van een groepskenmerk. Hierbij wordt de eigen identiteit en positie vaak gedefinieerd als een positieve sociale identiteit die voldoet aan de sociale norm. Bij othering wordt deze Ander negatief neergezet en als anders, vreemd, geclassificeerd.
Er is me al gevraagd waarom ik mijn naam officieel niet verander naar een Westerse naam, want dat zou het leven toch gemakkelijker maken en ik heb toch het ‘geluk’ dat ik voor wit doorga. Wat antwoord je daarop? Dank u voor de tip?
Racisme en discriminatie omdat ik ‘erbij hoor’
Ik ontwikkelde een fijn afgestelde radar. Ik weet in beide contexten wanneer ik ‘één van hen’ ben, en wanneer niet. Ik voel wanneer iemand zich comfortabel genoeg voelt om dingen te zeggen die ze anders niet zouden zeggen. En precies daar ontstaat een vorm van geweld: ik word een veilige plek voor racistische of discriminerende uitspraken.
Omdat ik enerzijds wit genoeg lijk om niet ‘bedreigend’ te zijn, of anderzijds mijn naam vreemd genoeg klinkt om ‘het tussen ons’ te houden. Ik word een tussenruimte waarin mensen zeggen wat ze echt denken. Zoals de dame op de tram die samenzweerderig begint over hoe erg het gesteld is met al die vreemden. Of de witte taxichauffeur die klaagt over hoe verpest de Turnhoutsebaan is en dat ik wel weet wat hij daarmee bedoelt.
Het heeft iets voyeuristisch. Ik heb het gevoel dat die opmerkingen niet voor mijn oren bedoeld zijn, en toch wel.
Zulke opmerkingen ontsnappen ook wel eens bij mensen die me nauw aan het hart liggen, zowel kennissen, vrienden als familie. Dat is extra pijnlijk. Wanneer ik dit probeer te benoemen, verschuift het gesprek. Dan krijg ik de opmerking dat ik toch anders ben, dat ik toch moet weten dat ze het niet slecht bedoelen, dat net ik het toch moet begrijpen of dat ik de ‘cultuur’ toch ken.
Die situaties doen twee dingen tegelijk: ze sluiten me in én uit. Ze geven me toegang en ontkennen me tegelijk.
Het is moeilijk de paradox te benoemen. Want hoe kaart je een probleem aan dat tegelijk voordelen oplevert? De wereld leest me consequent als ‘iets’ anders dan wie ik ben. Als een optelsom van afzonderlijke delen en niet als een gemengd geheel.
En de kinderen?
Raciale en culturele classificaties zijn verankerd in sociale structuren: ze beïnvloeden niet alleen individuen, maar ook intergenerationele relaties en opvoedingskeuzes.
In iets ogenschijnlijk eenvoudigs als een (familie)naam kiezen voor mijn kind. In de constante vraag waarom die naam ‘Westers’ of ‘niet Westers’ is. In alle vragen en opmerkingen of verwijten die daarop volgen. In de ongemakkelijke opluchting wanneer mijn kind makkelijker door het leven zal gaan omdat het ‘minder vragen’ zal oproepen.
Maar ook in de angst: geef ik genoeg van beide culturen mee? Of geef ik te veel door? Hoe voed je een kind op in een wereld die identiteit reduceert tot percentages? Hoe bescherm ik zonder te ontkennen? Hoe geef ik door zonder te belasten? En verloochen ik beide roots niet te veel? En waarom trek ik me dit eigenlijk aan?
Zelfs jonge kinderen ontsnappen niet aan het classificeren. Mijn kind wordt –net als ik toen ik jong was- gevraagd welk land ze prefereert, of ze zich meer Marokkaan of Belg voelt, of ze liever hier is of in Marokko. Ze wordt benoemd in breuken en getallen, alsof haar identiteit opgedeeld kan worden in meetbare delen. Dat toont hoe diep het denken in categorieën verankerd is, en hoe vroeg het begint.
Dat je je hele leven moet afvraagt hoeveel recht je eigenlijk hebt op je Marokkaanse roots, hoeveel recht je hebt op je Vlaamse roots, … hoeveel recht je hebt op beiden tegelijk? Wil je dit wel doorgeven aan je kind? En hoeveel generaties hebben we eigenlijk nog nodig om vooral jezelf te zijn, zonder de directe verhoren over origines? Waarom is die vraag naar een eenduidige identiteit überhaupt zo dominant?
Het recht om nergens bij te horen
Volgens de Bill of Rights for People with Mixed Heritage van Maria P. P. Root hebben mensen met een gemengde achtergrond onder andere het recht om hun eigen identiteit te definiëren, los van verwachtingen van anderen. Om zich in verschillende contexten verschillend te identificeren, om niet verantwoordelijk te zijn voor het ongemak dat hun ambiguïteit bij anderen oproept, om niet voortdurend hun legitimiteit te moeten bewijzen.
Zolang samenlevingen blijven functioneren op basis van hiërarchische categorieën van verschil, zullen mensen die tussen die categorieën bewegen geconfronteerd worden met zowel voordelen als spanningen. Identiteit is meervoudigs, contextueels en veranderlijks, en niemand zou zich daarvoor moeten verantwoorden. Ik heb fases in mijn leven waarin die onderhandeling verschuift. Een tijd waarin witheid veiligheid leek. Een andere waarin verbondenheid met Marokkaanse roots centraler werd. Dat is geen contradictie. Dat is beweging. Ik zet nu in op inwendige verbinding omdat het een interne noodzaak is, omdat een keuze maken gewoonweg emotionele zelfmoord is.
Mijn vader zei altijd en overmatig: wees trots op waar je vandaan komt, laat niemand je vertellen waar je roots liggen. Maar wat als die roots zo ver uit mekaar liggen en het hele systeem erop gebouwd is om ze tegen elkaar uit te spelen? Dat de ene maatschappelijk machtiger staat dan de andere, dat er onevenwicht is, dat er onrecht is tussen die roots, dat het al eeuwenlang een strijd is, en dat die roots samen in u liggen?
Misschien ligt de kern niet in het schipperen tussen ‘zij’ en ‘wij’. Maar in het weigeren van die opdeling die me opgelegd wordt door het systeem en de leefwereld waarin ik me bevind. In het erkennen dat een mens een geheel is dat niet altijd leesbaar hoeft te zijn voor anderen. Dat er een recht bestaat om niet uitgelegd te worden. Om niet voortdurend te moeten bewijzen dat je ergens ‘genoeg’ van bent. Dat je het recht hebt om nergens bij te horen. Misschien is vraag de vraag niet waar ik écht thuishoor, misschien is de vraag waarom dat één plaats zou moeten zijn. Het is een moeilijke maar noodzakelijke oefening op psychologisch, emotioneel en maatschappelijk vlak, en de verantwoordelijkheid om hiermee om te gaan ligt niet alleen bij mezelf.
Ik hoorde ooit een zin in een documentaire, die me bijgebleven is. Ik heb nooit meer kunnen achterhalen welke film het was, maar ze is zo treffend voor wat ik voel in deze wereld waar racisme een bittere realiteit is: Door mijn aderen stroomt het bloed van zowel de onderdrukker als de onderdrukte.
Hoe ik me ook voel en of je het nu ziet of niet.
Over de auteur
Habiba Boumaâza studeerde af als opvoedster, en volgde nadien de opleiding Film- en Videokunst aan de Kunstacademie van Antwerpen. Verschillende audiovisuele kunstprojecten/installaties/workshops/lezingen rond sociale thema's volgden.
Meer van Habiba Boumaâza