België vraagt Taliban om hulp bij deportaties, en dat nieuws passeert gewoon
Freddy Roosemont, directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken, reisde afgelopen maand af naar Afghanistan om met de Taliban te overleggen over de identificatie en deportatie van Afghanen uit België. Dat dat nieuws bijna geruisloos voorbijging, zegt veel over onze totale minachting voor mensenrechten en democratie.
Ik viel van mijn stoel toen ik twee weken geleden in de krant las dat Freddy Roosemont, directeur van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), had deelgenomen aan Europese onderhandelingen met het Afghaanse Taliban-regime. Die afspraak met de Taliban werd eufemistisch voorgesteld als een ‘administratieve verkenningsmissie’. In werkelijkheid ging het om een bezoek aan Kabul om rechtstreeks met de Taliban te onderhandelen over de mogelijkheid om Afghanen in België terug te sturen naar Afghanistan. Over wie er precies naar Afghanistan zou moeten worden gedeporteerd, bleef men vaag. Nu eens ging het over ‘mensen met een strafblad’, dan weer werden ze omschreven als ‘mensen zonder papieren’.
België onderhandelt voortaan dus zonder scrupules met de Taliban. Volgens Het Laatste Nieuws zou het zelfs minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt (N-VA) zijn geweest die het initiatief had genomen voor deze Europese missie. Je zou verwachten dat zulk nieuws een politieke schokgolf teweeg zou brengen, de voorpagina's van de nationale pers zou halen, massale verontwaardiging zou oproepen en zou leiden tot parlementaire vragen van de oppositie. Op het moment van schrijven is daar echter nog weinig van te merken.
Oppositiepartij Groen reageerde wel kritisch op het nieuws. Kamerlid Matti Vandemaele gaf op 24 januari aan dat hij in het parlement om verheldering ging vragen: "Deze schimmige zaak moet uitgeklaard worden in het parlement. Wat zijn de details van deze deal? Wat heeft België of Europa toegezegd in ruil voor de medewerking van de Taliban? Het is onaanvaardbaar dat hierover in het duister wordt getast."
Het is een politieke keuze om samen te werken met een regime dat verantwoordelijk is voor massale en systematische mensenrechtenschendingen
Het nieuws gaat bijna onopgemerkt voorbij, verpakt in zorgvuldig gekozen bewoordingen om het publieke debat te neutraliseren en elke ethische, deontologische of politieke vraagstelling te ontkrachten. De missie wordt voorgesteld als een ‘technische’ samenwerking met de Afghaanse autoriteiten op het gebied van identificatie nieuw leven in te blazen, met het oog op vrijwillige of gedwongen terugkeer. Achter deze zogenaamde technische kwestie gaat echter een politieke keuze schuil met verstrekkende gevolgen. Onder andere de keuze om samen te werken met een regime dat verantwoordelijk is voor massale, systematische en gedocumenteerde schendingen van de mensenrechten.
Zo gebruikte VRT NWS in een nieuwsartikel bijvoorbeeld de titel 'Ons land spreekt deze week met Taliban over terugkeer criminele en illegale Afghanen'. Daarmee wordt verwarring geschept tussen de woorden 'crimineel' en 'illegaal'. Mensen zonder papieren die geen enkel crimineel feit gepleegd hebben, worden op die manier gestigmatiseerd.
Daarnaast is het sowieso geen relevante informatie of mensen criminele feiten hebben gepleegd of niet, wanneer het gaat om de vraag of ze moeten worden gedeporteerd naar een autoritair, gewelddadig regime. Die informatie wel meegeven, impliceert dat dat wel mee zou moeten spelen.
Deze aanpak als 'administratief' bestempelen en zo voorstellen als politiek neutraal, is een gevaarlijke fictie. De overheid is nooit neutraal als het gaat om het identificeren van personen, het classificeren ervan en het nemen van beslissingen die bepalend zijn voor hun toekomst, hun vrijheid en soms zelfs hun leven of dood. Door deze identificatie, zelfs indirect, toe te vertrouwen aan de ministeries en inlichtingendiensten van de Taliban – een autoritair, theocratisch en ondemocratisch regime – wordt dit regime legitimiteit toegekend. De Taliban krijgt zo opnieuw een actieve rol in het beheersen van de levens van mensen die juist voor hen zijn gevlucht.
Deze maand voerde de Taliban zelfs officieel de slavernij opnieuw in in Afghanistan, naast een uitbreiding van de lijfstraffen.
Herinnering aan de Soedan-affaire
Dit soort samenwerkingen is niet helemaal nieuw in België. Al in 2017 werd onder het gezag van Theo Francken een officiële Soedanese delegatie van het regime van Omar al-Bashir uitgenodigd om Soedanese vluchtelingen te identificeren met het oog op deportatie naar Soedan. Bij die delegatie waren onder meer leden van de inlichtingendiensten van het regime. Op dat moment had het Internationaal Strafhof al een arrestatiebevel tegen al-Bashir uitgevaardigd wegens misdaden tegen de menselijkheid.
Die samenwerking leidde tot terechte verontwaardiging en tot een veroordeling van België door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens schending van het non-refoulementbeginsel. Bovendien is gebleken dat verschillende mensen die na die samenwerking werden teruggestuurd naar Soedan, daarna zijn mishandeld en gefolterd. De Afghaanse aanpak vandaag voorstellen als een onschuldige ‘technische operatie’ betekent bewust voorbijgaan aan de lessen van een precedent met zware menselijke en juridische gevolgen.
Het terugsturen van mensen naar een plek waar ze een ‘reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling lopen’, is in strijd met het vluchtelingenverdrag van Genève uit 1951. In juridische termen heet dit refoulement.
Door prioriteit te geven aan dossiers van zogenoemde ‘illegale criminelen’, wordt de verwarring tussen verblijfsstatus en strafbare feiten in stand gehouden
Het doet er dan ook niet toe hoe voorzichtig men zich uitdrukt of hoe vaak men verklaart dat er geen ‘affiniteit’ bestaat met de huidige machthebbers in Kabul. Men werkt niet samen met een apartheidsregime, net zomin als men vroeger onschuldig samenwerkte met een regime dat beschuldigd werd van misdaden tegen de menselijkheid, omdat een dergelijke samenwerking een volledige politieke en morele verantwoordelijkheid met zich meebrengt.
Het argument dat vrouwen en minderjarigen niet gedwongen worden teruggestuurd, is onvoldoende om de bezorgdheid weg te nemen. Het beginsel van non-refoulement beperkt zich immers niet tot de uiteindelijke uitzetting. Het omvat alle voorbereidende maatregelen die een persoon aan een reëel risico op vervolging kunnen blootstellen. Dus ook de identificatie door de regering van het land van herkomst. De Soedan-affaire heeft op schokkende wijze aangetoond dat het gevaar begint lang voordat men daadwerkelijk op het vliegtuig wordt gezet.
Verontrustende retoriek
De retoriek die wordt gebruikt om deze samenwerking te rechtvaardigen, is eveneens zeer verontrustend. Door prioriteit te geven aan dossiers van zogenoemde ‘illegale criminelen’, wordt de verwarring tussen verblijfsstatus en strafbare feiten in stand gehouden. Hierdoor ontstaat er een blijvende stigmatisering van mensen zonder papieren en wordt de discriminatie van deze groep genormaliseerd in de publieke opinie. Dit maakt deel uit van een bredere dynamiek die ook terug te zien is in het extreem gewelddadige deportatiebeleid in de Verenigde Staten. Ook Europees extreemrechts normaliseert zo al langer zeer gewelddadig migratiebeleid in naam van het zogenaamde gezond verstand.
Wat hier speelt, gaat dus verder dan Afghanistan alleen. Het is een nieuwe stap in een wereldwijde beweging van verharding en uitbesteding van migratiecontrole aan de meest repressieve regimes ter wereld. Het Afghanistan van de Taliban is niet veranderd. Wat wel is veranderd, is onze collectieve tolerantiegrens en het gemak waarmee grenzen die onoverkomelijk werden geacht, onderhandelbaar worden in naam van ‘politiek realisme’.
Over de auteur
Mehdi Kassou is een van de oprichters van het Burgerplatform voor Overnachtingen, een vereniging die slaapplaatsen biedt aan mensen op de vlucht die door de overheid in de steek gelaten worden.
Meer van Mehdi Kassou