In het uniform van het systeem
"Amai, jouw Nederlands is goed." Dat zinnetje werd een refrein in het leven van Jasenko Tabaković. Een eindeloos herhaalde slogan die telkens opnieuw zijn afkomst onderstreepte, zijn anders-zijn bevestigde. De pijn van maatschappelijke uitsluiting en de drang om geaccepteerd te worden, zorgden ervoor dat hij onderdeel werd van het systeem dat ook hem onderdrukte. Vandaag kijkt hij kritisch naar zijn vroegere zelf: "Wie we zijn, wordt niet bepaald door waar we vandaan komen. Maar door wat we ermee doen. Ik was deel van het probleem. Vandaag wil ik deel zijn van de oplossing."
“Amai, jouw Nederlands is goed.”
Dat zinnetje draag ik al jaren mee. Als een grap die niemand grappig bedoelt, maar waarbij men altijd lacht ten koste van mij.
Mijn naam is Jasenko Tabaković. Een naam die vaak wenkbrauwen doet fronsen. Niet omdat hij iets miszegt, maar omdat hij onbekend is. ‘Moeilijk’, ‘vreemd’, niet ‘van hier’. Het kan ook niet anders als je weet dat mijn afkomst Bosnië en Herzegovina is. Doch dit dient niets te betekenen, aangezien mijn aanwezigheid langdurig genoeg is om te kunnen zeggen dat ik Antwerpen ook als mijn stad beschouw, en er met trots en fierheid over praat. En toch, voor velen, blijf ik een buitenstaander.
Als kind hoorde ik het regelmatig — van mensen, van leerkrachten — dat ik mij beter moest assimileren, want dan hoor je er pas écht bij. Ik heb er nooit bij stilgestaan wat dat toen betekende, maar nu kan ik jullie de betekenis ervan geven: "Jij bent anders. Jij bent niet zoals wij. Maar als jij je aanpast, als jij ons kopieert, onze gewoontes overneemt, dan word je misschien een van ons."
Het is je eigen identiteit verloochenen om misschien, misschien, geaccepteerd te worden. Het was een boodschap met een prijskaartje.
Voor meer informatie over identiteit verwijs ik graag naar het boek 'Identiteit' van Paul Verhaeghe.
Jarenlang negeerde ik het.
Ik heb lang gedacht dat racisme en discriminatie overdreven woorden waren. Ook bij sollicitaties, wanneer ik werd afgewezen. Was het mijn naam? Was het de foto? Wie zal het zeggen, enkel zij van toen weten wat de echte reden was. Mijn ouders zeiden het altijd. Wezen mij erop dat er racisme en discriminatie is omwille van onze afkomst, omwille van ons bestaan.
Maar ik bleef dat hardnekkig ontkennen. Ik deed ook alsof ik het beter wist.
Het was eerder de naïviteit om de wereld en de gebeurtenissen door een zachtere bril te zien, hopend op een positieve uitkomst: "Ja, het kan zijn dat er discriminatie en racisme bestaat. Maar niet bij mij, toch? Nee, hoe kunnen ze mij afwijzen? Ik ben toch een van hen…"
Maar gaandeweg ontdekte ik dat je je identiteit nooit volledig kan verstoppen. (En niemand zou dat ooit moeten doen.) Want ongeacht hoe goed ik Nederlands sprak, bleef de opmerking terugkomen:
“Amai, jouw Nederlands is goed.”
Een ogenschijnlijk onschuldige opmerking, die echter telkens een oude wonde openrijt. Een wonde die zegt: je hoort er nog altijd niet écht bij.
Assimilatie als overlevingsstrategie
In ons huis was assimilatie een vloek. Godslastering. Maar ik begreep nooit waarom. Ik, het voorbeeldkind, wilde alles goed doen. Binnen de lijnen lopen. Ja knikken zodat ze zouden zeggen: "Kijk, een goed ingeburgerde jongen."
Maar mijn ouders waren onverbiddelijk: "Assimilatie betekent 'opgaan in' en jezelf verliezen. Je afkomst verloochenen."
Maar ik had er geen oren naar. Ik werd er kwaad om. Ik was altijd in revolte tegen zulke uitspraken. Langzaam begon ik me te schamen voor wie ik was. Niet om wat ik wilde – maar omdat ik voelde dat ik me moest bewijzen. Dat ik beter was, dat ik er wél bij hoorde.
Elke keer als mijn ouders Nederlands spraken, voelde ik plaatsvervangende schaamte. Niet om wat ze zeiden, maar om hoe ze het zeiden.
Jaren later deed ik mijn moeder pijn — diepe pijn — toen ik haar Nederlands afkraakte: gebroken, zei ik. Onvoldoende. Alsof zij zich moest schamen.
Ik maakte haar verwijten. En stond nooit stil bij wat voor impact mijn woorden op haar hadden. Woorden die iemand beschuldigen en als een schande bestempelen.
Dit is wat assimilatie met een mens kan doen: jouw eigen waarden en normen doen vervagen opdat je in een volk zou worden opgenomen. Het maakt je niet gelijk – het maakt je onherkenbaar. Voor anderen, maar vooral voor jezelf.
En zelfs dan…ben je nog altijd, na zoveel jaren, nog altijd de andere. De vreemde. De uitzondering. Maar je past je wel aan. En zoveel jaren later krijg ik nog altijd dezelfde opmerking voorgeschoteld: “Amai, jouw Nederlands is goed.”
Ik lach het weg. Maar vanbinnen wordt diezelfde wonde weer opengereten, opengetrokken. Een wonde die nooit heeft kunnen helen.
In het uniform van het systeem
Ik vergeet dat ene sollicitatiegesprek in Schoten nooit. De vrouw tegenover mij keek op mijn cv, fronste, en zei: “Jouw naam is vreemd… en hier wonen vooral…”
Jaren later werkte ik als binnenhuisarchitect in Brasschaat. Ik droeg een naamplaatje. Mensen zagen het. Ze keken ernaar — niet naar mij. Ze lazen mijn naam, en je zag het gebeuren: een kort moment van verwarring. Wantrouwen, zelfs. En dan komt het standaardzinnetje: “Amai, jouw Nederlands is goed.”
Die zin werd een refrein in mijn leven. Een slogan die telkens opnieuw mijn afkomst onderstreepte. En mijn anders-zijn bevestigde. Ik ben heus niet de enige die dat te horen krijgt. Velen met een naam zoals de mijne herkennen dit. Het klinkt als een compliment, maar het is een herinnering: jij bent niet van hier.
Het verzet kwam.
Want doorheen mijn jeugd heb ik amper tot zo goed als geen Vlaamse kinderen als vrienden gehad. Dat kon niet. Dat mocht niet. Het was als een onuitgesproken wet: Vlaamse kinderen waren 'anders'.
En dat is wat de pijn van uitsluiting doet: je leert van jongs af aan dat je apart moet leven. Dat je niet thuishoort in hun wereld. Dus vorm je een eigen kring. Een schuilplek. Met mensen die ook uitgesloten zijn — omdat ze een andere naam dragen, een ander verleden, een ander gezicht. Zo groeien kinderen op in parallelle werelden. En zonder bruggen, ontstaat er geen begrip. Alleen afstand. Dat is sociaal overleven. Maar het verhindert verbondenheid. Als kind wil je gewoon spelen. Rennen. Lachen. Maar voor je het beseft, wordt je verteld met wie dat wél mag. En met wie niet. Dat blijft hangen.
Daarom ging ik bij de politie werken. Niet zomaar. Ik wilde iets betekenen. Onrecht bestrijden. Opkomen voor wie geen stem had. Voor mij was iedereen gelijk — althans, dat predikte ik aan anderen. Maar doorheen de jaren merkte ik: ik leefde die woorden niet altijd na. ‘Iedereen gelijk’ — dat bleef vaak enkel een principe, geen praktijk. Zeker niet binnen de muren van het korps.
Racisme en discriminatie zijn binnen de politie geen uitzondering. Het is geen uitschieter. Het is er — stil, sluw, en subtiel. Een tot kunst verheven systeem dat zich goed weet te verbergen.
Jarenlang werd mijn taalgebruik bespot. Mijn accent nagebootst. Mijn fouten uitvergroot. En beetje bij beetje begon ik te geloven dat ze gelijk hadden. En zo begon ik mezelf ook te zien: als een persoon met gebroken, gebrekkig Nederlands.
Mijn diploma? Onbelangrijk. Mijn talenkennis? Genegeerd. Mijn creativiteit? Tellen deed het niet. Alles werd gereduceerd tot: jij maakt taalfouten. Punt.
Het enige dat telde, was wat fout was. Nooit wat ik meebracht. Nooit wie ik was.
En dat was waar ze altijd naar verwezen. Ik trok me terug. Kroop in mijn schulp. Bouwde muren om mij heen. Ik begon aan mezelf te twijfelen. In mezelf te twijfelen.
Van medeplichtigheid naar bewustzijn
En dan dat woord: ‘autochtoon’. Een verschrikkelijk woord, net zoals andere, gelijkaardige woorden. Zolang we blijven labelen — migrant, allochtoon, nieuwkomer, ‘eigen volk’ — blijven we mensen verdelen. Verdelen tot er geen ruimte meer overblijft om mens te zijn. Labels zijn muren. Geen bruggen. En die muren worden hoger met elk woord dat we aan elkaar vastpinnen.
Ik zag hoe collega’s fouten maakten, taalfouten, grove zelfs. Maar dat was oké. Een vergissing. Een grapje. Wanneer ík een fout maakte, was het een happening. Een theaterstuk. Een lachnummer.
In een systeem waar neutraliteit een façade is, word jij als ander voortdurend afgewogen — en altijd te licht bevonden. Lang heb ik gezegd, gedacht, mezelf wijsgemaakt dat er geen racisme is. Doch dat was er. Dat is er. En jammer genoeg zal het er nog altijd zijn binnen de politie, maar ook daarbuiten.
Toen ik voor een hogere graad ging, werd er achter mijn rug van alles gezegd, over mij geroddeld, vooral op cynische, bespottende toon: “Zelfs hij kan het.”
Alsof ik iets gestolen had. Alsof succes in mijn handen een vergissing was.
Dan zei ik: doe het zelf maar. Toon me hoe het moet, als je denkt dat jij het beter weet. Maar zoals ze zeggen: de beste stuurlui staan aan wal.
Ik draag het mee. Al jaren. Niet als slachtoffer. Want dat ben ik niet. Niet meer. Nooit meer.
Maar ik moet eerlijk zijn. Ook ik heb me verlaagd. Tot dezelfde kunst van uitsluiting. Van veroordeling. Ik ben ook schuldig geweest aan wat ik nu aanklaag. Ik herinner me mijn beginjaren. Een gesprek met mannen van Marokkaanse origine. En toen zei ik het. Twee keer. Het ‘M’-woord. Ook het ‘N’-woord rolde over mijn tong. Ik wist dat het fout was. En toch zei ik het. Waarom? Omdat het in mijn werkomgeving normaal was.
Dat is een term die ik vanuit mijn omgeving had opgepikt. Ik omringde me met mensen zoals ik. Met 'eigen volk'. Want dat voelde veilig. Maar veiligheid was vaak gewoon uitsluiting met een vriendelijk gezicht. We zeiden dat we elkaar steunden, maar we sloten uit. Natuurlijk. Want een andere nationaliteit was niet echt welkom. Zeker niet als het een echte ‘pur sang’ is! Een volbloedige, witte, Vlaming.
Je groeit op in een wij-zij wereld. En je denkt: zo is het nu eenmaal.
Tot je beseft: wij zijn ook ‘zij’ geweest. En zij ook ‘wij’. Maar dat wordt je nooit verteld.
We preken liefde. Naastenliefde. Maar in stilte, achter gesloten deuren, fluisteren we haat. ‘Geen bruine. Geen zwarte. Geen gele.’ Alles wat kleur draagt, wordt uitgewist in woorden. Aan de buitenkant hand in hand. Aan de binnenkant: messen in elkaars rug.
Maar een vijand van mijn vijand is mijn vriend.
En toch — we liepen samen. Want het was wij, de anderen, tegen zij, de ‘pur sang’.
Geen schaamte – wel verantwoordelijkheid
Als je jezelf lang genoeg door andermans ogen bekijkt, begin je hen te geloven.
Je verandert. Je vervormt. Je bootst na. Niet omdat je wil, maar omdat je hoopt: misschien hoor ik er dan wél bij. In die drang om te passen, heb ik anderen pijn gedaan, onrecht aangedaan. Ik nam denkbeelden over die niet van mij waren. Ik ging mee in een ideologie die niet de mijne was, maar ik omarmde haar omdat ze mij een plaats beloofde. Ik werd wat ik zelf ooit vreesde. De spiegel die ik ontweek, was mijn eigen gezicht.
Ik sprak woorden na die ik als kind hoorde. ‘Pas je aan of kras op.’ Ik nam het over alsof het van mij was. Alsof ik het me eigen had gemaakt. Maar diep vanbinnen wist ik: dit ben ik niet. Ik zei zelfs dat ik het begreep. Het protest. De woede. De aantrekkingskracht van een simpele vijand. Maar dat is geen verzet. Dat is verdwalen in de massa, geleid door een herder die zichzelf vermomt als een van ons — terwijl hij een wolf is. Het is zoals vuur bestrijden met benzine tot alles brandt.
Ik stemde op Vlaams Belang. Uit protest, uit verzet dacht ik. Maar het was geen verzet. Het was een roep om gezien te worden. En ironisch genoeg gaf ik mijn stem aan zij die mij niet willen horen.
We moeten ons niet verzetten tegen de ander. We moeten ons verzetten tegen het onbegrip in onszelf. Tegen de angst die we met de paplepel krijgen ingegoten. We moeten durven kijken — echt kijken — naar elkaar. Niet naar afkomst, maar naar de mens erachter. Het is niet afkomst die ons scheidt, maar de weigering om elkaar als mens te zien.
Het doet pijn. Om terug te kijken. Om te zien waar ik tekortschoot. Ik had het beter kunnen doen. Maar ik deed het niet. En toch — ik blijf niet hangen in ‘wat als’. Ik kies ervoor om nu bij te dragen. Aan iets beters. Iets inclusievers.
Ik weet: ik ben niet alleen. Er zijn velen zoals ik. Die zich rollen aanmeten, maskers opzetten, gedrag aannemen dat niet het hunne is — gewoon om te overleven. Om aanvaard te worden. Je wordt hard. Verandert in een bullebak. Niet uit overtuiging, maar om jezelf te verbergen. Om de schijn op te houden. En te hopen: misschien zie je dan de pijn in mij niet. Hopend op erkenning om bij een groep te horen.
Ik weet het. Ik heb ook tijdens mijn ambt fouten gemaakt. Ik heb mensen onrecht aangedaan. Hen gekwetst. Niet omdat ik hen haatte, maar omdat ik mezelf verloor. Zelf werd ik deel van het systeem dat ik wilde bevechten.
Ik gebruik bewust het woord ‘schaamte’ niet. Niet omdat ik niets verkeerds heb gedaan, maar omdat schaamte verlamt. En ik wil niet verlamd worden — ik wil bewegen, veranderen, bijsturen. Schaamte draagt schuld met zich mee, maar geen actie. En ik kies vandaag voor actie.
Wat ik deed, heb ik bewust gedaan. Niet alles, niet altijd, maar genoeg om te weten: ik wist beter. En wat ik niet wist, daar wil ik nu wél verantwoordelijkheid voor nemen. Zeggen dat het alleen onwetendheid was, zou makkelijk zijn. Maar dat zou mijn aandeel minimaliseren. En dat weiger ik. Verantwoordelijkheid nemen is pijnlijk, maar ook bevrijdend. Ik ben verantwoordelijk voor mijn woorden. Mijn daden. Mijn stiltes ook. We zijn dat allemaal. En zolang we die verantwoordelijkheid niet nemen, blijft er niets echt veranderen.
Ik schrijf dit niet om medelijden te wekken. Maar om eerlijk te zijn. Tegenover mezelf. En misschien — hopelijk — tegenover jou. Wie we zijn, wordt niet bepaald door waar we vandaan komen. Maar door wat we ermee doen. Ik was deel van het probleem. Vandaag wil ik deel zijn van de oplossing.
Over de auteur
Jasenko Tabaković, geboren in Bosnië en Herzegovina, droeg elf jaar lang het uniform van de politie van Antwerpen. Nu kleedt hij zich in woorden, terwijl hij de lagen van de mens afpelt. Schrijven is zijn baken, zijn stem, een brug tussen harten. Met elke zin wil hij liefde zaaien, grenzen verzachten en bouwen aan een wereld waar verbondenheid geen utopie is, maar gedeelde werkelijkheid. Want uiteindelijk: Samen vormen wij één, en in elkaar schuilt onze kracht.
Meer van Jasenko Tabaković